Belastingrecht

8:54 De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juli 2026

Zaakgegevens

Op 16 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
16 juli 2026
Datum publicatie
21 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/3866
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:6674
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

8:54 De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/3866


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende gericht tegen de aanslag watersysteemheffing over het jaar 2025 met aanslagnummer [aanslagnummer] van de heffingsambtenaar.

1.1.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende heeft op 6 augustus 2025een beroepschrift ingediend. Voor de rechtbank was het onduidelijk wie de belanghebbende is en waar het beroep zich tegen richt. De rechtbank heeft belanghebbende op 17 maart 2026 bericht dat de rechtbank uit de overgelegde stukken concludeert dat het beroepschrift is ingediend namens [belanghebbende] en gericht is tegen de aanslag watersysteemheffing over het jaar 2025 met aanslagnummer [aanslagnummer] van de heffingsambtenaar. Belanghebbende is in het bericht verzocht om zo spoedig mogelijk de rechtbank te informeren indien dit onjuist is. Belanghebbende heeft op 8 april 2026 een nader stuk ingestuurd, maar niet inhoudelijk gereageerd op het bericht van de rechtbank.

2.1

Op 3 april 2026 heeft de rechtbank de heffingsambtenaar verzocht om een verweerschrift in te dienen. Op 9 april 2026 heeft de heffingsambtenaar bericht dat er geen sprake is van een voor beroep vatbaar besluit. Op 11 mei 2026 heeft de rechtbank verzocht om het bericht nader toe te lichten. Op 12 mei 2026 heeft de heffingsambtenaar bericht dat belanghebbende geen bezwaar heeft ingediend tegen de aanslag watersysteemheffing met aanslagnummer [aanslagnummer] en dat zijns inziens dus ook geen voor beroep vatbaar besluit is.

2.2

Belanghebbende voert allerlei gronden aan, waarvan volstrekt niet duidelijk is waartegen deze zijn gericht en of deze ook zien op de aanslag watersysteemheffing. Dat maakt het lastig voor de rechtbank om te beslissen in deze zaak. Het is immers niet duidelijk waarover de rechtbank moet oordelen.

2.3

De rechtbank gaat ervan uit dat het beroep van belanghebbende gericht is tegen de aanslag watersysteemheffing over het jaar 2025 met aanslagnummer [aanslagnummer] . Er kan echter niet direct beroep worden ingesteld tegen de aanslag. Er moet eerst bezwaar worden gemaakt. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Wel zal de rechtbank de griffier opdragen de stukken van belanghebbende door te sturen naar de heffingsambtenaar. Dan kan de heffingsambtenaar deze stukken in behandeling nemen als een bezwaar (of als een verzoek om ambtshalve vermindering). Voor zover belanghebbende heeft bedoeld tegen overige besluiten van de heffingsambtenaar beroep in te stellen, dan is het beroep in zoverre ook niet-ontvankelijk. Het is de rechtbank namelijk niet duidelijk op welke besluiten het beroep dan ziet.

2.4

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel wordt in de bijzondere omstandigheden van dit geval het griffierecht terugbetaald.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

  • draagt de heffingsambtenaar op het beroepschrift van 4 augustus 2025 in behandeling te nemen als bezwaarschrift tegen de aanslag watersysteemheffing over het jaar 2025;

  • draagt de griffier op het griffierecht van € 53,00 terug te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van

R.M. Rosta, griffier, op 16 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.