Belastingrecht
Mondelinge uitspraak. Afvalstoffenheffing, gegrond.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6780 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 9 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2026-6780
Zaakgegevens
Op 9 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Datum publicatie
- 23 juli 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/51
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6780
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mondelinge uitspraak. Afvalstoffenheffing, gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/51
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Gilze en Rijen, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 28 november 2025.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd naar een bedrag van € 154.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij uit coulance een gedeelte van de in rekening gebrachte heffing, te weten € 84, vergoed.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende digitaal deelgenomen. De heffingsambtenaar is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De heffingsambtenaar is via het systeem Digitale Toegang op 12 mei 2026 om 13.00 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. De rechtbank stelt daarmee vast dat de heffingsambtenaar correct en op juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder aanwezigheid van de heffingsambtenaar.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt.
Overwegingen
2. Op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rust op de heffingsambtenaar de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. De heffingsambtenaar heeft verzuimd de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Dit levert een schending van artikel 8:42 van de Awb op. Op grond van artikel 8:31 van de Awb zal de rechtbank hieraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. De rechtbank zal, doende wat haar geraden voorkomt, belanghebbende volgen in haar standpunt en de aanslag afvalstoffenheffing vernietigen.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de aanslag afvalstoffenheffing wordt vernietigd.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding omdat belanghebbende geen kosten heeft gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.
Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de procedure. De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt twee jaar. De termijn vangt aan op het moment dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift heeft ontvangen. Belanghebbende heeft haar bezwaar verzonden op 22 april 2025. Uitgaande van die datum als datum van ontvangst door de heffingsambtenaar, komt de rechtbank tot de conclusie dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. Omdat de redelijke behandeltermijn niet is overschreden, wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
-
vernietigt de aanslag afvalstoffenheffing;
-
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 54 aan belanghebbende moet vergoeden;
-
wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
|
griffier |
rechter |
Uitgesproken op 9 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.