Belastingrecht

IB/PVV belastingheffing over AOW-uitkering inwoner Montenegro

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31 juli 2026

Zaakgegevens

Op 31 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
31 juli 2026
Datum publicatie
3 augustus 2026
Zaaknummer
BRE 25/2279
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7166
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

IB/PVV belastingheffing over AOW-uitkering inwoner Montenegro

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/2279


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Montenegro), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 26 maart 2025.

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.410.

1.2.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur: [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

1.4.

Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. De griffier heeft op 21 april 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 21 april 2026 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder de aanwezigheid van belanghebbende.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 te hoog is vastgesteld. Daarbij komt de vraag aan de orde of de door belanghebbende ontvangen AOW-uitkering terecht tot het belastbaar inkomen uit werk en woning is gerekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag IB/PVV 2021 niet te hoog is vastgesteld. De AOW-uitkering van belanghebbende is terecht tot zijn belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1941 en woont in Montenegro.

4.1.

Op 29 april 2022 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2021 ingediend. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 16.410 en bestaat uit een uit Nederland ontvangen AOW-uitkering. Daarnaast heeft belanghebbende een bedrag van € 207.149 aangegeven als elders belast inkomen.

4.2.

Op 8 mei 2023 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2021 ingediend. Daarbij heeft belanghebbende geen in Nederland belastbaar inkomen aangegeven. Het aangegeven elders belast inkomen bedraagt € 223.559.

4.3.

Met dagtekening 7 juni 2023 is de aanslag IB/PVV 2021 aan belanghebbende opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 16.410 en bestaat uit de door belanghebbende ontvangen AOW-uitkering.

Motivering

5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het heffingsrecht over zijn AOW-uitkering aan zijn woonland Montenegro toekomt.

5.1.

Op grond van de Wet IB 2001 wordt van buitenlands belastingplichtigen, zoals belanghebbende, inkomstenbelasting geheven over het door hen in het desbetreffende kalenderjaar genoten belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland. De AOW-uitkering die belanghebbende heeft ontvangen behoort tot dit in Nederland belastbaar inkomen uit werk en woning.

5.2.

De vervolgvraag is of de heffingsbevoegdheid van Nederland op grond van een belastingverdrag wordt beperkt. Op belanghebbende als inwoner van Montenegro is het met het voormalige Joegoslavië gesloten belastingverdrag tot het vermijden van dubbele belasting van toepassing.

5.3.

Artikel 18 van het belastingverdrag luidt voor zover hier van belang als volgt:

“1. Pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een natuurlijke persoon die inwoner is van een van de Staten ter zake van een vroegere dienstbetrekking zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan die natuurlijke persoon inwoner is.

(..)

4. Pensioenen en andere soortgelijke uitkeringen betaald aan een natuurlijke persoon in het kader van de publiekrechtelijke regelingen inzake sociale zekerheid in Nederland mogen in die Staat worden belast.”

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het hiervoor opgenomen artikel 18, vierde lid, van het Belastingverdrag dat de heffing over de AOW-uitkering – in afwijking van het eerste lid – aan Nederland wordt toegewezen. De AOW-uitkering is namelijk een uitkering in het kader van de publiekrechtelijke regelingen inzake sociale zekerheid in Nederland. De stelling van belanghebbende dat met ‘die Staat” als genoemd in het vierde lid Montenegro wordt bedoeld, slaagt niet. De aanduiding ‘die Staat’ in het vierde lid slaat terug op Nederland, de enige staat die in het vierde lid wordt benoemd.

5.5.

Gelet op het voorgaande is het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2021 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.

griffier

rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 7.1, aanhef en letter a, Wet IB 2001. Artikel 7.2, lid 2, aanhef en letter e, Wet IB 2001. Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en vermogen (het belastingverdrag).