Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7228 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 4 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2026-7228
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- BRE 25/2255
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7228
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Leges
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2255
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. I. Semlali),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 maart 2025.
De heffingsambtenaar heeft op 5 maart 2025 aan belanghebbende een aanslag leges met [nummer] (de aanslag leges) opgelegd naar een te betalen bedrag van in totaal € 8.826.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde, en namens de heffingsambtenaar mr. [persoon 1] en [persoon 2] .
Feiten
2. Belanghebbende heeft op 1 oktober 2024 het pand aan [adres] in [plaats] , [kadastrale gegevens] , (hierna: het pand) gekocht.
Het pand was ten tijde van de aankoop in gebruik als vier afzonderlijke appartementen met elk een eigen huisnummer, meter, ingang, WOZ-waarde, BAG-identificatie en energielabel.
Belanghebbende heeft bij de gemeente Breda een initiatiefplan voor de splitsing van het pand in vier appartementsrechten ingediend, met daarbij het verzoek om dit initiatiefplan te toetsen aan het omgevingsplan.
De omgevingsvergunning voor de splitsing is op 6 februari 2025 aangevraagd.
De gemeente Breda heeft de omgevingsvergunning bij besluit van 28 februari 2025 aan belanghebbende verleend. Daarbij is vermeld dat de aanvraag een buitenplanse afwijking nodig maakt.
De heffingsambtenaar heeft op 5 maart 2025 de aanslag leges aan belanghebbende opgelegd. De aanslag is als volgt opgebouwd:
|
Leges buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor oprichten van zelfstandige woning(en), [huisnummers] |
€ 9.261 |
|
Vermindering initiatiefplan/welstandtoets, 2.52 |
€ 435 |
|
Totaal |
€ 8.826 |
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht een bedrag aan leges van € 8.826 ter zake van de buitenplanse afwijking aan belanghebbende in rekening heeft gebracht. Ook beoordeelt de rechtbank of het gelijkheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel eraan in de weg staan dat aan belanghebbende leges in rekening worden gebracht. De rechtbank doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht een bedrag aan leges van € 8.826 ter zake van de buitenplanse afwijking aan belanghebbende in rekening gebracht. Het evenredigheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel staan daaraan niet in de weg. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
Motivering
Aanslag leges
4. Vaststaat dat belanghebbende bij de gemeente Breda een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ingediend. Op grond van artikel 3 van de Verordening is de aanvrager belastingplichtig. De Verordening maakt daarbij geen onderscheid naar de omstandigheden waaronder de aanvraag is ingediend. Belanghebbende is daarom belastingplichtig, ook al heeft hij de aanvraag ingediend nadat de gemeente, naar zeggen van belanghebbende, had aangekondigd anders handhavend op te treden. Ook de vrijstellingen, als opgenomen in artikel 4 van de Verordening, zijn hier niet van toepassing.
Van de belastingplichtige worden op grond van artikel 2 van de Verordening leges geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit. Van een dergelijke aanvraag is in dit geval sprake. Dat de aanvraag in dit geval strekt tot legalisatie van een reeds bestaande situatie, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er geen leges kunnen worden geheven. Ook in dat geval neemt de gemeente de aanvraag in behandeling en is belanghebbende daar als belastingplichtige als uitgangspunt leges voor verschuldigd.
Vervolgens komt de vraag naar de hoogte van de verschuldigde leges aan de orde. De heffingsambtenaar heeft de leges berekend naar het tarief voor het oprichten van woningen op grond van onderdelen 2.6.b.3 en 2.6.b.4.1 van de Tarieventabel bij de Verordening. Belanghebbende stelt dat van het oprichten van woningen geen sprake kan zijn, omdat de vier appartementen al bestonden ten tijde van het indienen van de aanvraag. Verder voert belanghebbende aan dat de Tarieventabel geen afzonderlijke tariefpost kent voor het legaliseren van een reeds bestaande situatie. Volgens belanghebbende ontbreekt daarom de grondslag om in zijn geval leges te berekenen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar in dit geval de juiste grondslag voor de berekening van leges toegepast. Niet in geschil is dat voor het splitsen van het pand in vier woningen, door het oprichten van drie nieuwe woningen, een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit was vereist. Vaststaat dat die vergunning ten tijde van de oprichting van de woningen niet is verleend en eerst met de onderhavige aanvraag alsnog is verkregen. De aanvraag van belanghebbende strekt daarmee tot legalisatie van het zonder vergunning oprichten van drie woningen. Dat belanghebbende de woningen niet zelf heeft opgericht, speelt voor de heffing van leges geen rol. Bepalend is waarop de aanvraag en de verleende omgevingsvergunning betrekking hebben, en niet wie de woningen feitelijk heeft opgericht.
De rechtbank is verder van oordeel dat de heffingsambtenaar de hoogte van de leges tot het juiste bedrag heeft berekend. Op grond van onderdeel 2.6.b.4.1 van de Tarieventabel bedraagt het tarief voor het oprichten van één woning € 5.145. Voor iedere volgende woning wordt dit bedrag op grond van onderdeel 2.6.b.4.2 van de Tarieventabel vermeerderd met € 2.058. Dat betekent dat belanghebbende in beginsel een bedrag van € 9.261 aan leges is verschuldigd. De vergunningsaanvraag ziet immers op de oprichting van drie woningen. De kosten voor het initiatiefplan komen dan nog op dit bedrag in mindering. De hoogte van deze kosten zijn niet in geschil. Dat betekent dat de heffingsambtenaar de aanslag leges in beginsel terecht aan belanghebbende heeft opgelegd naar een te betalen bedrag van € 8.826.
Artikel 14 EVRM en 1 EP
Belanghebbende doet een beroep op het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 14 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij dat verdrag. Daartoe voert hij aan dat de gemeente gedurende een periode van circa tien jaar bewust heeft afgezien van handhaving jegens de vorige eigenaar, hoewel de gemeente op de hoogte was van de splitsing van het pand in vier appartementen. Doordat de gemeente nu wel handhavend optreedt jegens hem, wordt hij geconfronteerd met legesheffing, terwijl de vorige eigenaar geen leges heeft hoeven betalen. Deze ongelijke behandeling, zonder motivering, is volgens belanghebbende in strijd met het discriminatieverbod.
De klacht van belanghebbende raakt in de kern het door de gemeente gevoerde handhavingsbeleid. De belastingrechter kan daar geen oordeel over geven. In deze procedure kan uitsluitend worden beoordeeld of in met belanghebbende vergelijkbare gevallen legesheffing wel achterwege blijft, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Belanghebbende heeft dat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Het beroep op het discriminatieverbod slaagt daarom niet. Daar komt bij dat belanghebbende en de vorige eigenaar geen gelijke gevallen zijn, reeds omdat belanghebbende een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ingediend en de vorige eigenaar niet. Zoals reeds hiervoor overwogen, spelen de omstandigheden waaronder de aanvraag is ingediend voor de legesheffing verder geen rol.
Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat de gemeente, door jarenlang niet handhavend op te treden, terwijl zij op de hoogte was van de splitsing van het pand in vier appartementen, het vertrouwen heeft gewekt dat deze situatie werd geaccepteerd. Volgens belanghebbende is dat vertrouwen versterkt door afgifte van een huisnummerbesluit. Belanghebbende meent daarom dat hij erop mocht vertrouwen dat de gemeente geen leges zou heffen bij legalisatie van de bestaande situatie.
Het uitblijven van handhavend optreden door de gemeente vanwege een illegale situatie en de afgifte van een huisnummerbesluit kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een toezegging of andere uitlating van de heffingsambtenaar waaraan belanghebbende redelijkerwijs het vertrouwen mocht ontlenen dat bij een vergunningaanvraag voor legalisatie van de bestaande situatie geen leges zouden worden geheven. Het dossier bevat verder ook geen aanknopingspunten dat die indruk op enige andere wijze door de gemeente of de heffingsambtenaar toch is gewekt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
Evenredigheidsbeginsel
Belanghebbende doet nog een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar in zijn besluitvorming heeft nagelaten te onderkennen dat hij de situatie niet heeft gecreëerd, noch hiervan financieel heeft geprofiteerd. Door de aanslag leges toch aan hem op te leggen, moet hij nu de lasten dragen die eigenlijk thuishoren bij de vorige eigenaar.
De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de heffingsambtenaar bij het opleggen van de aanslag de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen onvoldoende heeft afgewogen. Integendeel, uit hetgeen de heffingsambtenaar ter zitting heeft verklaard blijkt dat vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval is afgezien van de verhoging van 10% die op grond van artikel 2.47 van de Tarieventabel had kunnen worden toegepast omdat de aanvraag is ingediend na het gereedkomen van de activiteit. Daarmee heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag leges in stand blijft.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl en aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.