Belastingrecht
IB/PVV. Aftrek ondernemerskosten.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7353 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 7 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2026-7353
Zaakgegevens
Op 7 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2026
- Datum publicatie
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- BRE 25/1649
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7353
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
IB/PVV. Aftrek ondernemerskosten.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/1649 en BRE 25/1651
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats ] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 6 februari 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd (de aanslagen). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslagen heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen).
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 juli 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] deelgenomen. Ter bijstand van belanghebbende was de heer [persoon] aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslagen tot te hoge bedragen heeft opgelegd. Uitsluitend is daarbij de vraag aan bod of een bedrag van € 82.000 als kosten van een onderneming in aftrek op de winst uit onderneming kan komen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen niet tot te hoge bedragen opgelegd, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor het betwiste bedrag van € 82.000 sprake is van kosten die zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. De belastingrentebeschikkingen zijn ook terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende drijft een eenmanszaak onder de naam [bedrijf 1] . De activiteiten van de onderneming bestaan uit makelaardij in top spring- en dressuurpaarden.
Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2022 ingediend waarin hij (onder meer) € 189.342 aan winst uit onderneming heeft aangegeven. De inspecteur heeft met dagtekening 28 juni 2024 de aanslagen IB/PVV en Zvw 2022 opgelegd in overeenstemming met de ingediende aangifte.
Het procesdossier bevat een factuur van € 82.000, uitgereikt op 12 december 2022 door [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) aan [bedrijf 3] . De omschrijving van de factuur is: “ [omschrijving 1] .”
Het procesdossier bevat ook een betalingsherinnering ten behoeve van de voormelde factuur, gedagtekend 31 oktober 2024. De betalingsherinnering is ondertekend door [persoon] , directeur van [bedrijf 2] .
Motivering
4. Belanghebbende stelt dat voor een bedrag van € 82.000 aan kosten zijn gemaakt voor marktonderzoek met als doel inzicht te verkrijgen in het topsegment van de paardenhandel in de [gebied] , [land 1] en [land 2] . Het marktonderzoek heeft volgens belanghebbende in 2022 tot meer omzet geleid en de gemaakte kosten mogen daarom in 2022 in mindering worden gebracht op de belastbare winst. De inspecteur betwist dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en stelt dat als aannemelijk zou zijn dat de kosten gemaakt zijn, wat niet zo is, de kosten niet gemaakt zijn met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming.
Op grond van artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 komen kosten van een onderneming ten laste van de winst. Volgens vaste jurisprudentie mogen bij de bepaling van de winst uit onderneming slechts die kosten in aanmerking worden genomen die zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming. Bij de beoordeling of bepaalde uitgaven de winst beïnvloeden, is beslissend of het voor- of nadeel van de uitgaven in de ondernemingssfeer of in de privésfeer ligt. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat de bewijslast op belanghebbende rust om bij betwisting aannemelijk te maken dat kosten zijn gemaakt en dat zij zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming.
De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende heeft enkel een factuur van € 82.000 overgelegd met als omschrijving “ [omschrijving 2]” en een betalingsherinnering die betrekking heeft op die factuur. Dat dit een vergoeding betreft voor diensten die door [bedrijf 2] zijn verleend ten behoeve van de onderneming van belanghebbende acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Ten eerste was deze factuur niet opgenomen in de boekhouding die belanghebbende aan zijn boekhouder heeft verstrekt ten behoeve van het opmaken van de jaarrekening en aangifte IB/PVV 2022, hetgeen bij een dermate significant bedrag toch in de rede zou liggen. Ten tweede heeft belanghebbende op 31 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de door de inspecteur overeenkomstig de aangifte opgelegde aanslag en daarbij uitsluitend vermeld dat ergens iets fout is gegaan bij de accountant inzake inkomsten uit verkoop. Op 10 september 2024 vult belanghebbende dit bezwaar aan en schrijft hij dat diverse rekeningen die nog betaald moesten worden niet door hem zijn aangeleverd en daardoor niet zijn meegenomen in de boekhouding, alsook diverse verplichtingen zoals terugbetaling van geleend geld. Op 1 oktober 2024 wordt dit verder aangevuld door te stellen dat een claim uit het buitenland niet is meegenomen in de verrekening, aangezien er in de equine business verhaal mogelijk is, en dat de omzet 2022 een kleine € 100.000 lager is, hetgeen niet is meegenomen in de aangifte. Op 12 november 2024 vult belanghebbende dit verder aan door te stellen dat de buitenlandse claim USA nog onder behandeling is, en voegt daar de factuur van [bedrijf 2] bij. Nergens wordt melding gemaakt van de activiteiten van [bedrijf 2] en waarom het op de factuur vermelde bedrag aftrekbaar zou zijn. Deze telkens wisselende verklaringen van belanghebbende onderbouwen geenszins dat de factuur van [bedrijf 2] betrekking heeft op door [bedrijf 2] ten behoeve van de onderneming van belanghebbende verrichte diensten.
Daarnaast wijst de rechtbank nog op het volgende. Door belanghebbende zijn geen nadere stukken, zoals correspondentie met [bedrijf 2] , overgelegd waaruit kan worden afgeleid wat de aard en het doel van de opdracht is geweest en de daarvoor overeengekomen vergoeding. Dit is ook ter zitting niet duidelijk geworden. Ter zitting is wel duidelijk geworden dat de uitvoerder van het marktonderzoek, [bedrijf 2] , niet actief is in de paardenhandel, maar in de projectontwikkeling, en dat de heer [persoon] , directeur van [bedrijf 2] , die voormalig topruiter is en over contacten in de paardenwereld beschikt, en belanghebbende elkaar al ruim 20 jaar kennen. Pas nadat zij in 2021 opnieuw contact hadden gelegd, nadat zij elkaar jarenlang niet gezien hadden, is [bedrijf 2] in beeld gekomen. Gelet op het voorgaande en het ontbreken van een onderbouwing van de dienstverlening acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het hier om vergoeding voor zakelijke dienstverlening gaat. Daarbij komt nog dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat er voorafgaand aan de activiteiten van [bedrijf 2] , die uit het ontsluiten van buitenlandse markten zou hebben bestaan, geen prijsafspraak is gemaakt en dat er door belanghebbende en de directeur van [bedrijf 2] tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd wat betreft de betaling van de factuur. Belanghebbende heeft verklaard dat hij na het ontvangen van de herinnering in oktober 2024 is begonnen in termijnen te betalen, waarvan overigens geen enkel bewijs is overgelegd. De directeur van [bedrijf 2] heeft verklaard dat de vordering zou zijn verrekend met een commissiefactuur ter zake van de verkoop van een paard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende de aftrekbaarheid van de gestelde kosten niet aannemelijk gemaakt.
Het voorgaande betekent dat de aanslagen tot de juiste bedragen zijn opgelegd.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen en de belastingrentebeschikkingen in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.