Belastingrecht

8:54; beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
12 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 25/6612
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:9927
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

8:54; beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/6612


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [woonplaats] (België), belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Belanghebbende heeft op 26 maart 2025 een bericht gestuurd. Dit bericht is digitaal ontvangen bij de Belastingdienst. In de brief gaat belanghebbende nogmaals in bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2021 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.16.01. De brief is aangemerkt als een reactie op de uitspraak op bezwaar met dagtekening 19 december 2024. De inspecteur heeft het bericht aangemerkt als een beroepschrift en doorgezonden naar de rechtbank, omdat de rechtbank bevoegd is om het beroepschrift te behandelen.

2. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Toetsingskader

4. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 53,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.

Heeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?

5. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 23 december 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 2 maart 2026 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. De enveloppe waarin deze brief is verzonden, is ongeopend op de griffie retour ontvangen met de melding “niet afgehaald; non reclame”. Deze brief is aangetekend is aangetekend verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven adres. Daarop is de brief op 22 mei 2026 nogmaals naar dat adres gestuurd, nu per gewone post en met een laatste termijn van twee weken.

6. Belanghebbende heeft het griffierecht niet op tijd betaald.

Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?

7. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Tweede bezwaarschrift is ook een verzoek om ambtshalve vermindering

8. De inspecteur heeft het tweede bezwaarschrift (terecht) doorgestuurd aan de rechtbank als beroepschrift. Echter, de rechtbank heeft geconstateerd dat ook als het griffierecht was betaald, het beroep te laat was ingediend en de rechtbank vanwege de termijnoverschrijding van de beroepstermijn niet toe zou komen aan een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de aanslag IB/PVV 2021. De inspecteur had het bezwaarschrift daarom ook moeten aanmerken als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021. Belanghebbende verzoekt in het tweede bezwaarschrift ook om vermindering. De rechtbank zal de inspecteur daarom opdragen om dit alsnog te beoordelen. Dit betekent dat de inspecteur zal beoordelen of het tweede bezwaarschrift aanleiding is om de aanslag IB/PVV 2021 ambtshalve te verminderen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. De rechtbank draagt de inspecteur op om te beoordelen of aanleiding bestaat voor ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

 draagt de inspecteur op om het tweede bezwaarschrift als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 in behandeling te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Dekkers, griffier.

griffier rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.