Bestuursprocesrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juni 2026

Zaakgegevens

Op 2 juni 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
2 juni 2026
Datum publicatie
16 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/3901
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:5297
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/3901


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

(het UWV), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een (ex-) werknemer in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Zij heeft het beroep ingetrokken omdat het UWV op 4 september 2025 alsnog op haar aanvraag heeft beslist.

1.1.

Eiseres heeft bij haar intrekking verzocht om het UWV te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Daarop heeft het UWV de rechtbank meegedeeld geen inhoudelijke reactie te hebben op het verzoek.

1.2.

De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?

3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

Is het UWV aan verzoekster tegemoetgekomen?

4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.

4.1.

Op 7 augustus 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om een herbeoordeling van 11 juli 2025. Het UWV heeft op 4 september 2025 alsnog een besluit genomen. Hiermee is UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.

Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoekster vergoeden?

5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor 0,5 toegepast.

De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

6. De rechtbank wijst erop dat UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385 te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het UWV wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467 aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van

mr. H. Faqiri, griffier, op 2 juni 2026, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).