Bestuursrecht overig
mondelinge uitspraak, tijdelijk individueel leerlingenvervoer is niet passend bij de schooltijden van…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10201 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10201
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/5287
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10201
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
mondelinge uitspraak, tijdelijk individueel leerlingenvervoer is niet passend bij de schooltijden van verzoekster. Voorziening toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/5287
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het toegekende leerlingenvervoer voor de zoon van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor individueel leerlingenvervoer van haar [de zoon] . Het college heeft met besluit van 8 september 2026 aangepast vervoer in de vorm van groepsvervoer toegekend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en [persoon] , [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] namens het college.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat [de zoon] recht heeft op vervoer naar zijn [de school] . Het college heeft dit toegekend in de vorm van groepsvervoer. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat [de zoon] op basis van de verklaringen van de orthopedagoog van [verzoekster] en de gedragswetenschapper van [de school] is aangewezen op individueel vervoer.
De voorzieningenrechter constateert dat in het primaire besluit niet is uitgelegd aan welke voorwaarden voor individueel vervoer niet is voldaan en waarom niet. Daarnaast is het college niet inhoudelijk ingegaan op de door verzoekster overgelegde verklaringen. Ook de relevantie van een opbouwplan is niet nader toegelicht, waardoor niet te volgen is waarom dit een voorwaarde zou zijn voor het toekennen van individueel vervoer.
Het college heeft vervolgens een tijdelijke maatregel getroffen, waarbij aan [de zoon] wel individueel vervoer is toegekend. De voorzieningenrechter begrijpt deze maatregel zo, dat het college hiermee tijdelijk toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule uit artikel 28 van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Rucphen 2026 (Verordening). Voor dit oordeel over de toepasselijkheid van de hardheidsclausule ziet de voorzieningenrechter aanleiding nu uit het bestreden besluit blijkt dat [de zoon] niet voldoet aan de eisen voor de voorziening voor individueel vervoer. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet deze maatregel worden aangemerkt als een aanvulling op het primaire besluit. Daarmee maakt de tijdelijke maatregel naar het oordeel van de voorzieningenrechter op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht onderdeel uit van het primaire besluit.
Het spoedeisend belang bij de voorlopige voorziening is erin gelegen dat de tijdelijke toekenning van het individueel vervoer niet naar behoren wordt uitgevoerd. Hierdoor mist [de zoon] dagelijks onderwijstijd. De negatieve gevolgen hiervan voor [de zoon] worden nader onderbouwd in de aanvullende verklaringen van [de school] en [verzoekster] van
29 september 2026. Het college heeft zelf ook erkend dat de huidige situatie onwenselijk is.
De voorzieningenrechter heeft getoetst of de wijze waarop het vervoer is toegekend en wordt uitgevoerd in overeenstemming is met de Verordening. In artikel 13, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat aangepast vervoer plaatsvindt in aansluiting op de schooltijden van de school die de leerling bezoekt. In het geval van [de zoon] wijken de vervoerstijden echter af van de schooltijden, zodanig dat hij niet op tijd op school is en al vroegtijdig wordt opgehaald. Daarbij heeft vermoedelijk een rol gespeeld dat het primaire besluit is genomen na de aanvang van het schooljaar en dus na het vaststellen van de vervoersplanning. Het college heeft ten tijde van de toekenning van de vervoersvoorziening niet kenbaar onderzocht of [de zoon] door de desbetreffende vervoerder eerder op school gebracht kan worden of dat het vervoer op een andere manier kan worden ingericht. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat het primaire besluit, aangevuld met de tijdelijke toekenning van individueel vervoer tot aan de beslissing op bezwaar, met deze motivering niet in stand kan blijven.
In het kader van de belangenafweging heeft de voorzieningenrechter overwogen dat [de zoon] volgens [de school] en [verzoekster] gebaat is bij individueel vervoer. De huidige uitvoering van het (tijdelijke) individueel vervoer leidt tot nadelige gevolgen voor [de zoon] en zijn klas. Ook wordt hiermee niet voldaan aan de eisen van artikel 13, eerste lid, van de Verordening. De mogelijke alternatieven zijn door het college onvoldoende onderzocht. Daarnaast volgt uit het opbouwplan dat [de zoon] na zijn traumabehandeling mogelijk weer gebruik kan maken van groepsvervoer. Het college heeft bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende meegewogen dat het individuele vervoer in beginsel dus slechts van tijdelijke aard zal zijn. Daarbij is van belang dat uit de Verordening blijkt dat individueel vervoer in beginsel voor maximaal drie maanden wordt toegekend met telkens een belangenafweging of een verlenging moet plaatsvinden. Gelet hierop is, anders het college meent, het toekennen van individueel vervoer over een langere periode dan drie maanden wel degelijk mogelijk. Gelet op deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en draagt het college op om ervoor te zorgen dat [de zoon] individueel vervoerd wordt op een wijze die aansluit bij zijn schooltijden van 8:45 tot 14:20 uur. Deze voorlopige voorziening geldt tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
-
treft de voorlopige voorziening dat het college ervoor moet zorgen dat [de zoon] individueel vervoerd wordt op een wijze die aansluit bij zijn schooltijden van 8:45 tot 14:20 uur. Deze voorlopige voorziening geldt tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
-
bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026 door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: