Socialezekerheidsrecht

voorlopige voorziening afgewezen, onvoldoende gebleken van spoedeisend belang

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 maart 2026

Zaakgegevens

Op 10 maart 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
10 maart 2026
Datum publicatie
10 maart 2026
Zaaknummer
26/1024
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:1571
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

voorlopige voorziening afgewezen, onvoldoende gebleken van spoedeisend belang

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1024


uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake de afwijzing van haar aanvraag om kinderopvang op sociaal medische indicatie.

  2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.

5. In haar verzoekschrift heeft verzoekster gesteld dat zij graag weer bij haar partner wil gaan wonen en dat zij daarom belang heeft bij een oordeel van de voorzieningenrechter. De griffier heeft per brief van 20 februari 2026 aan verzoekster gevraagd om het spoedeisend belang binnen zeven dagen nader toe te lichten, mede gelet op het feit dat zij om haar moverende redenen al vanaf 24 september 2024 gescheiden leeft van haar partner en kinderen. In die brief is tevens meegedeeld dat bij het uitblijven van een tijdige en volledige reactie verzoekster het risico loopt dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster geen reactie heeft gegeven op de brief van 20 februari 2026. Omdat verzoekster geen nadere toelichting heeft gegeven, is

onvoldoende gebleken dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 6 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.