Arbeidsrecht
Ontbinding arbeidsovereenkomst na sluiten vaststellingsovereenkomst ter zitting.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 december 2022
ECLI:NL:RBZWB:2022:7838 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 15 december 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/arbeidsrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2022-7838
Zaakgegevens
Op 15 december 2022 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Tilburg
- Datum uitspraak
- 15 december 2022
- Datum publicatie
- 22 december 2022
- Zaaknummer
- 10142897 AZ VERZ 22-77
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2022:7838
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontbinding arbeidsovereenkomst na sluiten vaststellingsovereenkomst ter zitting.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
zaak/rolnr.: 10142897 AZ VERZ 22-77
beschikking d.d. 15 december 2022
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Brabant In- en Exterieurverzorging B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
verzoekende partij,
verder te noemen: de werkgever,
gemachtigden: mr. B.M.C. Stenden en mr. S.W. Kleijer, advocaten te Nijmegen,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verder te noemen: de werknemer,
gemachtigde: A.B.B. Beelaard, advocaat te Den Haag.
1 Het procesverloop
De werkgever heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Het verzoekschrift is op 13 oktober 2022 ter griffie ontvangen. De werknemer heeft een verweerschrift ingediend.
Op 13 december 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft de werkgever bij brief van 8 december 2022 nog stukken toegezonden. De gemachtigden van werkgever hebben voorts ter zitting hun pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
2 De beoordeling
De werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt de werkgever ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding en dat herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk is.
De werknemer heeft erkend dat inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook de werknemer ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing.
Nu de werknemer heeft erkend dat de arbeidsverhouding verstoord is, en partijen het erover eens zijn dat die verstoring onherstelbaar is en herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk moet worden geacht, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW, en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van de werknemer.
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een opzegtermijn van twee maanden. Daarvan uitgaande zal de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 9, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 februari 2023.
Partijen zijn het er ook over eens dat de werknemer aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 1.500,- bruto. De werkgever zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.
De ontbinding houdt geen verband met opzegverboden.
De werkgever heeft ter zitting te kennen gegeven dat geen gebruik zal worden gemaakt van de bevoegdheid om het verzoek in te trekken. De werkgever hoeft daarom ook geen gelegenheid te krijgen voor intrekking.
Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2023;
veroordeelt de werkgever om aan de werknemer een beëindigingsvergoeding te betalen van € 1.500,- bruto;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2022, in tegenwoordigheid van de griffier.