Civiel recht overig

“Eindvonnis na tussenvonnis met bewijsopdracht. Bewijs dat handtekening authentiek is, is niet geleverd…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 1 april 2020

Zaakgegevens

Op 1 april 2020 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
1 april 2020
Datum publicatie
14 mei 2020
Zaaknummer
7471123 CV EXPL 19-313
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2020:2161
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

“Eindvonnis na tussenvonnis met bewijsopdracht. Bewijs dat handtekening authentiek is, is niet geleverd. Gedaagde als getuige opgeroepen en deze heeft verklaard dat de handtekening onder de kredietovereenkomst niet de zijne is. Andere omstandigheden zoals betalingen op het krediet, bezwaar maken tegen BKR-registratie en het niet doen van aangifte van valsheid in geschrifte, zijn niet voldoende om daarmee vast te stellen dat gedaagde de kredietovereenkomst (toch) is aangegaan.”

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Breda

zaaknummer 7471123 CV EXPL 19-313

vonnis van 1 april 2020

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

opposant, gedeeltelijk kosteloos procederend onder nummer 4NI4038,

gemachtigde: mr. H.J. Oosterhagen, advocaat te Amsterdam, die zich bij brief van 21 januari 2020 heeft onttrokken als gemachtigde,

tegen

[gedaagde] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [adres] ,

geopposeerde,

gemachtigde: GGN Brabant B.V. te Tilburg.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] (de rechtsopvolger van [gedaagde] ) genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

a. de akte van [gedaagde] ;

b. het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 10 oktober 2019;

c. de brief van 13 oktober 2019 van [eiser] , waarin hij afziet van contra-enquête;

d. de conclusie na enquête van [gedaagde] , met producties;

e. de conclusie na enquête van [eiser] .

2 De verdere beoordeling

2.1

Bij tussenvonnis van 24 april 2019 heeft de kantonrechter [gedaagde] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of, en zo ja op welke manier, zij bewijs wenst te leveren van haar stelling dat [eiser] de kredietovereenkomst heeft ondertekend.

2.2

De kantonrechter heeft reeds het volgende bij voornoemd tussenvonnis overwogen: “Ingevolge artikel 159 lid 2 Rv levert een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou leveren, stellig wordt ontkend, geen bewijs op, zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Aangezien [eiser] stellig ontkent dat de handtekening op de onderhavige overeenkomst van hem afkomstig is, dient [gedaagde] , zijnde degene die de kredietovereenkomst als bewijsstuk gebruikt, de echtheid van de handtekening te bewijzen. Dat [eiser] , zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, meerdere betalingen heeft verricht op het krediet en bezwaar heeft gemaakt tegen de BKR registratie leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat de handtekening op de krediet-overeenkomst van [eiser] is.”

2.3

Naar het oordeel van de kantonrechter is [gedaagde] niet geslaagd in haar bewijsopdracht. Hiertoe overweegt de kantonrechter als volgt.

2.4

Om te slagen in het te leveren bewijs is vereist dat met redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat [eiser] zelf de handtekening onder de overeenkomst heeft gezet. Objectief onderzoek van een onafhankelijke deskundige had bij deze vaststelling voor de hand gelegen, maar [gedaagde] heeft afgezien van het leveren van bewijs door een handtekeningenonderzoek.

2.5

In plaats daarvan heeft [gedaagde] ervoor gekozen om [eiser] als getuige te horen en nadere bescheiden in het geding te brengen. Nu [eiser] onder ede heeft verklaard dat de handtekening onder de overeenkomst niet zijn handtekening is, levert dit geen bewijs voor [gedaagde] op. Voor zover [gedaagde] heeft beoogd te stellen dat er sprake is van bijkomende omstandigheden, dan verwijst de kantonrechter naar zijn (eerder gegeven) oordeel dat het verrichten van meerdere betalingen op het krediet, het bezwaar maken tegen de BKR registratie en het niet doen van aangifte van valsheid in geschrifte op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat de handtekening op de kredietovereenkomst van

[eiser] is.

2.6

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de kantonrechter het verzet dan ook gegrond verklaren. Dit betekent dat het verstekvonnis van de kantonrechter te Tilburg van

16 september 2009 zal worden vernietigd.

2.7

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze verzetprocedure. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 360,00 aan salaris voor de gemachtigde van [eiser] . Aangezien [eiser] met een toevoeging heeft geprocedeerd, komen de kosten voor de verzetdagvaarding niet voor zijn rekening en kunnen deze niet als onderdeel van de proceskosten ten laste van [gedaagde] worden gebracht. Wegens het namelijk ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling tot betaling van de door de griffier voorgeschoten explootkosten niet mogelijk.

3 De beslissing

De kantonrechter:

vernietigt het verstekvonnis van 16 september 2009 van de kantonrechter te Tilburg, gewezen onder zaaknummer 563370 CV EXPL 09-6719;

opnieuw rechtdoende

wijst de vordering van [gedaagde] af;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op een bedrag van € 360,00 als salaris voor de gemachtigde van [eiser] ;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.M. Rouwen, en in het openbaar uitgesproken op

1 april 2020.