Civiel recht overig
De inhoud van het geschil, als bedoeld in artikel 438 Rv, dient te worden bepaald aan de hand van de…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 januari 2015
ECLI:NL:RBZWB:2015:342 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 20 januari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbzwb-2015-342
Zaakgegevens
Op 20 januari 2015 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 20 januari 2015
- Datum publicatie
- 26 januari 2015
- Zaaknummer
- C/02/293493 / KG ZA 15-26
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2015:342
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De inhoud van het geschil, als bedoeld in artikel 438 Rv, dient te worden bepaald aan de hand van de ingestelde vordering. Uit de vordering blijkt dat het executiegeschil uitsluitend betrekking heeft op onroerende zaken die zijn gelegen in Blijham, gemeente Wedde. Nu de gemeente Wedde is gelegen in het arrondissement van de rechtbank Noord-Nederland, dient Eiser het onderhavige geschil aldaar aanhangig te maken.
Voor de zienswijze van eiser dat uit de omstandigheid dat enkele van de door gedaagde beslagen onroerende zaken zijn gelegen binnen het arrondissement van deze rechtbank de bevoegdheid kan worden afgeleid om te oordelen over een vordering die uitsluitend betrekking heeft op de executie van beslagen onroerende zaken die zijn gelegen in het arrondissement Noord-Nederland, en derhalve niet ook op in Oosterhout of Wernhout gelegen onroerende zaken, zijn geen aanknopingspunten gevonden in jurisprudentie noch in de Memorie van Toelichting bij artikel 438 Rv.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Handelsrecht
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/293493 / KG ZA 15-26
Vonnis in kort geding van 20 januari 2015
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats eiser],
eiser,
advocaat mr. J.M. Witsmeer,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde],
gedaagde,
in persoon verschenen.
Partijen zullen hierna [eiser] en[gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding met producties 1 tot en met 9,
-
het e-mailbericht van[gedaagde] van 19 januari 2015 met een aantal bijlagen,
-
het faxbericht van mr. Van der Wal van 19 januari 2015,
-
de mondelinge behandeling op 20 januari 2015.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Het geschil
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verbiedt om de openbare verkoop van de in het exploot van 17 december 2014 genoemde onroerende zaken, gelegen in [plaatsnaam 1], gemeente [plaatsnaam 1], te laten plaatsvinden zolang de bodemrechter in een door [eiser] aanhangig te maken bodemprocedure nog geen onherroepelijke uitspraak heeft gedaan op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 100.000,00, met veroordeling van[gedaagde] in de kosten van dit kort geding, de nakosten advocaat daaronder begrepen.[gedaagde]
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3 De beoordeling
[gedaagde] beroept zich voor alle weren op de relatieve onbevoegdheid van de voorzieningenrechter van deze rechtbank om van de onderhavige vordering kennis te nemen. Hiertoe voert zij aan dat de executieveiling enkel betrekking heeft op onroerende zaken die zijn gelegen te [plaatsnaam 1] in de provincie Groningen. Omdat de veiling geen betrekking heeft op één of meerdere onroerende zaken gelegen in het arrondissement van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, had [eiser] dan ook het onderhavige kort geding aanhangig dienen te maken bij de rechtbank Noord-Nederland locatie Groningen, aldus[gedaagde].
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank wèl relatief bevoegd is omdat het door[gedaagde] op 22 september 2014 gelegde executoriaal beslag betrekking heeft op een zevental onroerende zaken waarvan weliswaar vier gelegen zijn in [plaatsnaam 1], gemeente [plaatsnaam 1], maar drie daarvan zijn gelegen binnen het arrondissement Zeeland-West-Brabant. Hij stelt in dit verband dat artikel 438 Rv aan de eisende partij een keuzemogelijkheid biedt waaronder de mogelijkheid om te dagvaarden voor de rechtbank binnen welk rechtsgebied beslag is gelegd.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt:
Ingevolge artikel 438 Rv worden geschillen die in verband met een executie rijzen gebracht voor de rechtbank die naar de gewone regels bevoegd zou zijn of in welker rechtsgebied de inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken zaken bevinden of de executie zal geschieden. Naar oordeel van de voorzieningenrechter dient de inhoud van het geschil, als bedoeld in artikel 438 Rv, te worden bepaald aan de hand van de ingestelde vordering. Uit de vordering blijkt dat onderwerp van het onderhavige geschil is de gevorderde schorsing van de executie die tegen 22 januari 2015 is aangezegd. Uit de aanzegging van deze openbare verkoop, door [eiser] overgelegd als productie 6, blijkt dat die verkoop uitsluitend betrekking heeft op onroerende zaken die zijn gelegen in [plaatsnaam 1], gemeente [plaatsnaam 1]. Nu de gemeente [plaatsnaam 1] is gelegen in het arrondissement van de rechtbank Noord-Nederland, dient [eiser] het onderhavige geschil aldaar aanhangig te maken.
Voor de zienswijze van [eiser] dat uit de omstandigheid dat enkele van de door[gedaagde] beslagen onroerende zaken zijn gelegen binnen het arrondissement van deze rechtbank de bevoegdheid kan worden afgeleid om te oordelen over een vordering die uitsluitend betrekking heeft op de executie van beslagen onroerende zaken die zijn gelegen in het arrondissement Noord-Nederland, en derhalve niet ook op in [woonplaats eiser] of [plaatsnaam 2] gelegen onroerende zaken, zijn geen aanknopingspunten gevonden in jurisprudentie noch in de Memorie van Toelichting bij artikel 438 Rv.
De conclusie luidt dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd dient te verklaren om van de vordering kennis te nemen, nu die vordering ziet op de executoriale verkoop van onroerende zaken die niet zijn gelegen binnen het arrondissement van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 285,00 aan griffierecht.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter
verklaart zich onbevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van[gedaagde] tot op heden begroot op € 285,00,
verklaart dit vonnis met betrekking tot de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in aanwezigheid van mr. Van de Kreeke-Schütz in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2015.