Personen- en familierecht
Resterend verzoek voorlopige ondertoezichtstelling toegewezen. Vermoedens van mishandeling door vader van de…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 september 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10556 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/personen-en-familierecht/beschikking/ecli-nl-rbzwb-2026-10556
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/452748
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.H.P. Feiner
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10556
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Resterend verzoek voorlopige ondertoezichtstelling toegewezen. Vermoedens van mishandeling door vader van de oudere kinderen in het gezin.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/452748 / JE RK 26-1704
Datum uitspraak: 30 september 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. R.H.P. Feiner, kantoorhoudende in Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd in Etten-Leur.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
de mondeling gegeven beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van
25 september 2026, schriftelijk uitgewerkt op 29 september 2026, en alle daarin vermelde stukken; -
het e-mailbericht van mr. Feiner van 25 september 2026;
-
het e-mailbericht van mr. Feiner van 29 september 2026 met bijlagen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige door de Raad ingediende verzoek met de door de Raad ingediende verzoeken ten aanzien van [naam] , de halfzus van [minderjarige] , in de zaak met kenmerk C/02/452746 / JE RK 26-1703, zijn deze verzoekschriften gelijktijdig mondeling behandeld. In laatstgenoemde zaak is bij separate beschikking beslist.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de ouders.
Bij beschikking van 25 september 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI van 25 september 2026 tot 9 oktober 2026.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van drie maanden.
De kinderrechter heeft deels, zonder de belanghebbenden te horen, op dit verzoek beslist. Daarover moeten de belanghebbenden nog worden gehoord. Daarnaast ligt nog het resterende deel van het verzoek ter beoordeling voor.
4 De standpunten
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek, samengevat, het volgende aangevoerd. Er zijn zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige] (en zijn halfbroer en halfzussen). De halfbroer en halfzussen van [minderjarige] hebben aangegeven dat zij geslagen en geschopt zijn door de vader. Zij voelen zich onveilig in de thuissituatie. Er loopt een politieonderzoek. De uitkomst daarvan is nog niet bekend. Dat de halfbroer en halfzussen wel uit huis zijn geplaatst en [minderjarige] niet, is gelegen in de door de andere kinderen ervaren onveiligheid. Er waren geen signalen dat [minderjarige] ook werd mishandeld. Lichamelijk onderzoek bij [minderjarige] heeft nog niet kunnen plaatsvinden. Met de inzet van 24-uurs toezicht vanuit Centrale Zorg Groep (CZG) kon de fysieke veiligheid van [minderjarige] thuis worden gewaarborgd. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] was het niet in zijn belang om de hechting met de ouders te doorbreken. De Raad geeft daarbij aan dat de huidige inzet vanuit CZG niet ideaal is. CZG is ingezet om zo spoedig mogelijk de veiligheid van de kinderen te waarborgen. CZG is echter geen jeugdhulpinstantie die SKJ gecertificeerd is. Er wordt toezicht gehouden, maar er wordt niet met de ouders aan doelen gewerkt.
De Raad biedt excuses aan ten aanzien van het verloop van het proces. Vanwege een storing bij de Raad is het op schrift stellen van het mondelinge verzoek en het verstrekken van de stukken niet gelopen zoals gebruikelijk. Hierdoor is informatie laat bij de ouders terecht gekomen. De Raad begrijpt dat dit vervelend is geweest voor de ouders.
Door en namens de moeder en de vader is ingestemd met het resterende deel van het verzoek om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen. De moeder en de vader zijn het niet eens met de wijze waarop het voortraject en het afgeven van de spoedbeslissing is verlopen. Dit moet ex artikel 6 en 8 EVRM als geheel bij de procedure worden betrokken. Sinds 18 september 2026 zijn de halfzussen en halfbroer van [minderjarige] door Veilig Thuis uit huis geplaatst. De moeder heeft daar toen mee ingestemd, omdat haar werd verteld dat het de wens van de kinderen was om niet naar huis te komen. Dit bleek achteraf niet te kloppen en er is een verkeerde voorstelling van zaken gegeven. Ook was bekend dat de moeder werd bijgestaan door een advocaat. Er had eerst telefonisch contact opgenomen kunnen worden zonder ernstig en onmiddellijk gevaar voor de kinderen. Het criterium ex artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dan ook volstrekt ten onrechte toegepast.
[minderjarige] is een paar dagen opgevangen door de grootouders (vaderszijde) en verblijft met ingang van 22 september 2026 weer bij de ouders met de inzet van 24-uurs toezicht van CZG. De ouders willen dat het 24-uurs toezicht betrokken blijft naast de inzet van MST-CAN. De vader staat er ook voor open om de woning te verlaten. Het is wel belangrijk dat hij vanuit de thuissituatie kan deelnemen aan het MST-CAN-traject. De ouders hadden graag eerder hulpverlening willen hebben en zijn meewerkend.
De GI heeft naar aanleiding van de kennismaking met de ouders de indruk dat er sprake is van probleembesef. Dit maakt dat er kan worden gewerkt aan doelen om te komen tot het oplossen van de problemen. In de thuissituatie is 24-uurs begeleiding ingezet van CZG voor [minderjarige] . Dit kan volgens de begeleider van CZG worden uitgebreid naar het hele gezin. Ook zal er MST-CAN worden ingezet voor het bieden van opvoedondersteuning aan de ouders. Dit is de zwaarste vorm van ambulante hulpverlening, waarbij handvatten worden gegeven over hoe om te gaan met onder meer het gedrag van de kinderen. Dit kan mogelijk worden aangevuld met Ambulante Spoedhulp. De GI merkt dat er sprake is van een bepaalde onmacht naar de kinderen toe. Daar moet met de inzet van MST-CAN aan worden gewerkt. Wanneer dit wordt ingezet, moet ook de vader daar gefaseerd bij worden betrokken.
5 De beoordeling
Wettelijk kader
Uit artikel 1:257, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij beschikking van 25 september 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken. Het resterende deel van het verzoek van de Raad is aangehouden. Deze beslissing is genomen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De kinderrechter is van oordeel dat de spoedbeslissing op basis van de op dat moment beschikbare informatie op goede gronden is genomen.
Ten aanzien van het resterende deel van het verzoek overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, blijkt dat er veel zorgen zijn over de thuissituatie van [minderjarige] . De kinderrechter onderschrijft de zorgen van de Raad over de fysieke en emotionele veiligheid van de kinderen in het gezin. Deze zorgen zijn voornamelijk gelegen in de opvoedsituatie bij de ouders. Er bestaat een ernstig vermoeden van mishandeling van de halfbroer en halfzussen van [minderjarige] door de vader. De politie is in dat verband een onderzoek gestart, welk onderzoek nog niet is afgerond. [minderjarige] groeit op in dezelfde gezinssituatie. Hoewel er, gelet op de uitspraken die door zijn halfbroer en halfzussen zijn gedaan, geen concrete signalen bestaan dat ook [minderjarige] zou zijn mishandeld, is sprake van een zodanig zorgelijke thuissituatie dat ook de veiligheid van [minderjarige] in het geding is. Naast dat er nog geen nader lichamelijk onderzoek bij [minderjarige] heeft kunnen plaatsvinden, is hij mogelijk oor- en ooggetuige geweest van mishandeling van zijn halfbroer en halfzussen. Het baart de kinderrechter zorgen dat zowel de moeder als de vader de ernst van de zorgen niet volledig lijken in te zien. Dat dit gedrag voortkomt uit een pedagogisch onvermogen en een gevoel van machteloosheid in de opvoeding doet niet af aan de ernst van de signalen die door de oudere kinderen in het gezin worden geuit en hun gevoel van onveiligheid.
Het is de afgelopen jaren binnen het vrijwillig kader niet gelukt om passende hulp in te zetten om de problematiek binnen de thuissituatie op te lossen en de zorgen over de kinderen weg te nemen. Het vrijwillig kader is dan ook niet (langer) afdoende om de acute en ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Daarom zal de kinderrechter het (niet weersproken) resterende verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] toewijzen.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 25 december 2026.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 15 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.