Personen- en familierecht

Resterend verzoek voorlopige ondertoezichtstelling toegewezen; restant (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 september 2026

Zaakgegevens

Op 30 september 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
30 september 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/452737 / JE RK 26-1701
Procedure
Beschikking
Advocaat
mr. R.H.P. Feiner
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10560
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Resterend verzoek voorlopige ondertoezichtstelling toegewezen; restant (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen in verband met minder ingrijpende mogelijkheden om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. Door de kinderrechter geuite bedenkingen over het traject dat aan de spoedbeslissing vooraf is gegaan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/452737 / JE RK 26-1701

Datum uitspraak: 30 september 2026

(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zeeland-West-Brabant,

locatie Breda,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats 1] ,

advocaat: mr. R.H.P. Feiner, kantoorhoudende in Rotterdam,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats 2] ,

[de stiefvader] ,

hierna te noemen: de stiefvader,

wonende in [plaats 1] ,

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

gevestigd in Etten-Leur.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de mondeling gegeven beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van
    25 september 2026, schriftelijk uitgewerkt op 29 september 2026, en alle daarin vermelde stukken;

  • het e-mailbericht van mr. Feiner van 25 september 2026;

  • het e-mailbericht van mr. Feiner van 29 september 2026 met bijlagen.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • de stiefvader;

  • de vader;

- een vertegenwoordiger van de Raad;

- een vertegenwoordiger van de GI.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening over de verzoeken gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met kinderrechter mr. Sumner. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

2.2.

Bij beschikking van 25 september 2026 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 september 2026 tot 9 oktober 2026. Ook is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 september 2026 tot 2 oktober 2026.

2.3.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in een vakantiewoning met 24-uurs begeleiding van Centrale Zorg Groep (CZG).

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het vakantiehuisje met begeleiding van CZG te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De kinderrechter heeft deels, zonder de belanghebbenden te horen, op deze verzoeken beslist. Daarover moeten de belanghebbenden nog worden gehoord. Daarnaast ligt nog het resterende deel van de verzoeken ter beoordeling voor.

4 De standpunten

4.1.

De Raad heeft ter onderbouwing van de verzoeken, samengevat, het volgende aangevoerd. Er zijn zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (en hun halfzus en halfbroertje). De kinderen geven aan dat zij geslagen en geschopt zijn door de stiefvader. Zij voelen zich onveilig in de thuissituatie. Er loopt een politieonderzoek. De uitkomst daarvan is nog niet bekend. Uit het lichamelijk onderzoek van de kinderen is oud letsel naar voren gekomen. Daarbij komt dat er emotionele druk uitgeoefend kan worden door de moeder en de stiefvader, waardoor gevreesd wordt dat de kinderen niet meer vrijuit durven te praten. De Raad vindt het belangrijk dat zo spoedig mogelijk, met de inzet van passende hulpverlening onder regie van de GI, wordt gewerkt aan herstel van de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie en wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van de kinderen. Daarvoor moeten veiligheidsafspraken worden gemaakt waar de GI op toeziet. De Raad vindt het een goede optie dat de stiefvader tijdelijk de woning verlaat, wanneer de kinderen daar weer komen wonen. De GI heeft tijd nodig om een en ander te realiseren. MST-CAN bevindt zich nog in de opstartfase. De Raad vraagt zich wel af of dit toereikend is. Er kan ook nog gedacht worden aan de inzet van Ambulante Spoedhulp. De Raad geeft daarbij aan dat de plaatsing van de kinderen in het vakantiehuisje met begeleiding van CZG niet ideaal is. CZG is ingezet om zo spoedig mogelijk de veiligheid van de kinderen te waarborgen. CZG is echter geen jeugdhulpinstantie die SKJ geregistreerd is. Er wordt toezicht gehouden, maar er wordt niet met de moeder en de stiefvader aan doelen gewerkt. Ook de rol en de mogelijkheden van de vader zullen moeten worden meegenomen in het raadsonderzoek dat zal volgen.

De Raad biedt excuses aan voor het verloop van het proces. Vanwege een storing bij de Raad is het op schrift stellen van het mondelinge verzoek en het verstrekken van de stukken niet gelopen zoals gebruikelijk. Hierdoor is informatie laat bij de belanghebbenden terecht gekomen. De Raad begrijpt dat dit vervelend moet zijn geweest.

4.2.

Door en namens de moeder en de stiefvader is ingestemd met het resterende deel van het verzoek om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI. De moeder en de stiefvader voeren wel verweer tegen de voortzetting van de machtiging tot uithuisplaatsing en zijn het niet eens met de wijze waarop het voortraject en het afgeven van de spoedbeslissing zijn verlopen. Dit moet ingevolge de artikelen 6 en 8 EVRM als geheel bij de procedure worden betrokken. Sinds 18 september 2026 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en hun halfzus [de halfzus] door Veilig Thuis uit huis geplaatst. De moeder heeft daar toen mee ingestemd, omdat haar werd verteld dat het de wens van de kinderen was om niet naar huis te komen. Dit bleek achteraf niet te kloppen en er is een verkeerde voorstelling van zaken gegeven. Bovendien was er sprake van een geheime plaatsing en de moeder mocht niet bij de overleggen aanwezig zijn. Van een vrijwillige uithuisplaatsing was dan ook geen sprake. Dit moet worden gezien als onttrekking aan het ouderlijk gezag. Ook was bekend dat de moeder werd bijgestaan door een advocaat. Er had eerst telefonisch contact opgenomen kunnen worden zonder ernstig en onmiddellijk gevaar voor de kinderen. Het criterium ex artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dan ook volstrekt ten onrechte toegepast.
Het jongste halfbroertje van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is toen opgevangen door de grootouders ((stief)vaderszijde). Hij verblijft met ingang van 22 september 2026 weer bij de moeder en de stiefvader met de inzet van 24-uurs toezicht van CZG. De moeder wil dat ook de andere kinderen weer thuis komen wonen. Zij mist haar kinderen. Hierbij is de wens van de kinderen leidend voor de moeder. De moeder en de stiefvader zijn bereid om veiligheidsafspraken te maken met de GI. Een langere uithuisplaatsing van de kinderen is niet nodig. De moeder wil graag dat het 24-uurs toezicht betrokken blijft naast de inzet van MST-CAN. Het blijft voor de moeder lastig om te vertellen wat er in de thuissituatie gebeurt. De kinderen raken met elkaar in conflict en de moeder en stiefvader moeten hen dan uit elkaar halen. Het beeld dat de kinderen beschrijven blijft vaag en zij lijken daarover een andere beleving te hebben. Hier is de inzet van MST-CAN voor nodig. Met 24-uurs toezicht kan de intensiteit van de kinderen worden geobserveerd. De stiefvader staat er ook voor open om de woning voorlopig te verlaten. Het is wel belangrijk dat hij vanuit de thuissituatie kan deelnemen aan het MST-CAN-traject. De moeder en de stiefvader hadden graag eerder hulpverlening willen hebben en zijn meewerkend. Wanneer de kinderen bij de vader zouden worden ondergebracht heeft dit grote impact. De kinderen moeten niet zomaar uit elkaar en uit hun omgeving worden gehaald. De band tussen de (half)broertjes en (half)zusjes verdient een eigen bescherming ex artikel 8 EVRM. De rol van de vader zal wel verder bekeken moeten worden. Vanaf de thuisplaatsing kan de zorgregeling tussen de kinderen en de vader worden hervat.

4.3.

De vader heeft tijdens de zitting, samengevat, aangegeven dat hij het goed vindt dat er is ingegrepen in de thuissituatie bij de moeder en de stiefvader. De veiligheid van de kinderen stond op het spel. De vader heeft momenteel af en toe contact met de kinderen via een videobelverbinding. Dit is niet structureel. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing was er sprake van een zorgregeling waarbij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] elke twee weken in het weekend bij de vader verbleven. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben de vader verteld dat zij geschopt en geslagen werden door de stiefvader. De vader heeft hiervan melding gemaakt bij Veilig Thuis. De vader heeft begrepen dat er veiligheidsafspraken zijn gemaakt over het videobelcontact tussen de kinderen en de moeder. Daar houden de moeder en de stiefvader zich niet aan. De vader heeft er dan ook grote twijfels bij of de moeder en de stiefvader dit bij andere veiligheidsafspraken wel zullen doen. Het bedrijf van de stiefvader bevindt zich bovendien naast de woning. Dus het is de vraag of de kinderen niet alsnog met hem geconfronteerd zullen worden. De vader is ook bereid om de zorg voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te dragen. De vader begrijpt dat dit ook ingrijpend kan zijn voor de kinderen. De vader is pas laat betrokken bij de uithuisplaatsing, omdat de moeder bij Veilig Thuis heeft aangegeven dat de vader geen gezag heeft over de kinderen, terwijl dat wel zo is.

4.4.

De GI heeft naar aanleiding van de kennismaking met de moeder en de stiefvader de indruk dat er sprake is van probleembesef bij de moeder en de stiefvader. Dit maakt dat er kan worden gewerkt aan doelen om te komen tot het oplossen van de problemen. In de thuissituatie is 24-uurs begeleiding ingezet van CZG voor het jongste halfbroertje van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Dit kan volgens de begeleider van CZG worden uitgebreid naar het hele gezin. Ook zal er MST-CAN worden ingezet voor het bieden van opvoedondersteuning aan de moeder en de stiefvader. Dit is de zwaarste vorm van ambulante hulpverlening, waarbij handvatten worden gegeven over hoe om te gaan met onder meer het gedrag van de kinderen. Dit kan mogelijk worden aangevuld met Ambulante Spoedhulp. De GI merkt dat er sprake is van een bepaalde onmacht naar de kinderen toe. Daar moet met de inzet van MST-CAN aan worden gewerkt. Wanneer dit wordt ingezet, moet ook de stiefvader daar gefaseerd bij worden betrokken. De GI vindt de huidige situatie van de kinderen niet positief. Zij zitten met begeleiding van CZG in een vakantiehuisje. De begeleiders van CZG zijn niet SKJ geregistreerd. De GI vindt het belangrijk dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt, waarna er snel stappen kunnen worden gezet om te komen tot een thuisplaatsing van de kinderen. Ook de rol van de vader zal moeten worden onderzocht en er kan worden gekeken of de vader de moeder kan ontlasten in de zorg voor de kinderen.

4.5.

Tijdens de gesprekken met de kinderrechter hebben [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , samengevat, aangegeven dat zij en hun halfzus geslagen en/of geschopt zijn door de stiefvader. De moeder heeft dit wel eens gezien, maar is er niet altijd bij aanwezig geweest. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] waren bang en voelden zich onveilig. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] willen het liefst terug naar de moeder. Zij missen de moeder en hun halfbroertje en halfzus. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] begrijpen het echter ook wanneer dit niet meteen kan vanwege de onveiligheid.

5 De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.

Uit artikel 1:257, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.

5.2.

Op grond van artikel 1:265b, tweede lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Inhoudelijke beoordeling

5.3.

Bij beschikking van 25 september 2026 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken. Ook is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van één week. Het resterende deel van het verzoek van de Raad is aangehouden. Deze beslissing is genomen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De kinderrechter is van oordeel dat op basis van de op dat moment beschikbare informatie ten aanzien van de onveiligheid van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (en hun halfzus) in de thuissituatie bij de moeder en de stiefvader, op dat moment aan de gronden voor de maatregelen werd voldaan. Dit laat onverlet dat de kinderrechter grote vraagtekens plaatst bij het traject voorafgaand aan de spoedbeslissing, waarover hierna meer.

5.4.

Ten aanzien van het resterende deel van de verzoeken overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.5.

Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, blijkt dat er veel zorgen zijn over de thuissituatie van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De kinderrechter onderschrijft de zorgen van de Raad over de fysieke en emotionele veiligheid van de kinderen in het gezin. Deze zorgen zijn voornamelijk gelegen in de opvoedsituatie bij de moeder en de stiefvader. Er bestaat een ernstig vermoeden van mishandeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en hun halfzus door hun stiefvader. De politie is in dat verband een onderzoek gestart, welk onderzoek nog niet is afgerond. Door het mogelijke fysieke geweld zijn er zorgen over (eerder opgelopen) lichamelijk letsel bij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De mishandelingen hebben bovendien geleid tot een gevoel van onveiligheid bij de kinderen. Het baart de kinderrechter zorgen dat zowel de moeder als de stiefvader de ernst van de zorgen niet volledig lijken in te zien. Dat dit gedrag voortkomt uit een pedagogisch onvermogen en een gevoel van machteloosheid in de opvoeding doet niet af aan de ernst van de signalen die door de kinderen worden geuit en hun gevoel van onveiligheid.

5.6.

Het is de afgelopen jaren binnen het vrijwillig kader niet gelukt om passende hulp in te zetten om de problematiek binnen de thuissituatie op te lossen en de zorgen over de kinderen weg te nemen. Het vrijwillig kader is dan ook niet (langer) afdoende om de acute en ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] weg te nemen. Daarom zal de kinderrechter het (niet weersproken) resterende verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] toewijzen.

5.7.

De kinderrechter zal, op basis van hetgeen tijdens de zitting is besproken, het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing afwijzen. De kinderrechter stelt voorop dat een machtiging tot uithuisplaatsing een zware maatregel is die diep ingrijpt in het gezinsleven en slechts dient te worden ingezet wanneer er geen andere mogelijkheid is om de bedreigingen in de ontwikkeling van een minderjarige te doen wegnemen. Een uithuisplaatsing heeft te gelden als uiterste middel.
Tijdens de zitting is het de kinderrechter voldoende gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de veiligheid in de thuissituatie te waarborgen en een verdere uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorkomen. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat door en namens de moeder en de stiefvader is toegezegd dat zij hun medewerking verlenen aan de noodzakelijk geachte veiligheidsafspraken en de in te zetten hulpverlening. In dat kader is besproken dat de stiefvader bereid is om de woning te verlaten, zodat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (en hun halfzus) weer thuis kunnen komen wonen bij de moeder. In de thuissituatie bij de moeder en de stiefvader is er bovendien reeds ingezet op 24-uurs toezicht voor het jongste halfbroertje van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Dit toezicht blijft voorlopig betrokken en kan zo nodig worden uitgebreid. Ook zal er op korte termijn MST-CAN worden ingezet. De moeder en de stiefvader zijn hiervoor reeds aangemeld en er hebben intakegesprekken plaatsgevonden. In de tussentijd zal er vanuit de GI worden onderzocht of er een mogelijkheid bestaat tot inzet van Ambulante Spoedhulp.

5.8.

De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een terugkeer van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar de thuissituatie mogelijk is. Daarbij vindt de kinderrechter het van belang dat in ieder geval de volgende veiligheidsafspraken gelden:

  • de stiefvader verblijft elders en is niet in de woning aanwezig wanneer de kinderen daar zijn;

  • de inzet van 24-uurs toezicht vanuit CZG wordt voortgezet;

  • MST-CAN wordt zo spoedig mogelijk ingezet;

  • de stiefvader zal pas terugkeren in de thuissituatie wanneer de GI dit verantwoord vindt en wanneer de kinderen zich daar voldoende veilig bij voelen. De terugkeer van de stiefvader zal gefaseerd plaatsvinden.

Of, en zo ja welke, nadere veiligheidsafspraken noodzakelijk zijn, laat de kinderrechter verder aan de GI over.

5.9.

Tenslotte overweegt de kinderrechter dat zij sterke bedenkingen heeft bij het traject dat aan de spoedbeslissing van 25 september 2026 vooraf is gegaan. Het is naar het oordeel van de kinderrechter maar zeer de vraag of gesproken kan worden van een vrijwillige uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en hun halfzus [de halfzus] ; in ieder geval vanaf 21 september 2026. De kinderrechter heeft daarover zeer grote twijfels. Getuige de opname van het telefoongesprek tussen de moeder en twee medewerksters van Veilig Thuis op 21 september 2026 heeft de moeder duidelijk aangegeven dat ze de kinderen terug naar huis wil en dat zij het niet eens is met de gang van zaken. Vanuit Veilig Thuis is druk op de moeder uitgeoefend om toch in te stemmen en is haar medegedeeld dat de kinderen in ieder geval vóór 5 oktober 2026 en mogelijk ook daarna nog niet naar huis komen. Voorts is gebleken dat de verblijfplaats van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een aantal dagen geheim is gehouden voor de moeder en dat zij ook niet bij overleg aanwezig heeft mogen zijn. Het had in ieder geval op maandag 21 september 2026 bij Veilig Thuis bekend moeten zijn dat de moeder niet meer achter de uithuisplaatsing kon staan zoals deze eerder besproken was. Pas op vrijdagmiddag 25 september 2026 kort na 17.00 uur is hierop gehandeld door indiening van het mondelinge spoedverzoek door de Raad. Dit betekent dat de kinderen in ieder geval vanaf maandag tot vrijdag tegen de avond zonder toestemming van de ouder met gezag én zonder toestemming van de kinderrechter uit huis geplaatst zijn geweest. De kinderrechter is van oordeel dat de geschetste gang van zaken zeer zorgelijk en onacceptabel is. Het enkele feit dat er sprake was van een geheime plaatsing van drie van de vijf kinderen roept al zeer grote twijfels op over de vrijwilligheid van de uithuisplaatsing in het voortraject. Naar het oordeel van de kinderrechter lijkt er dan ook sprake geweest te zijn van onttrekking van de kinderen aan het ouderlijk gezag.
De kinderrechter acht het voorts zeer zorgelijk dat de kinderen in een vakantiehuisje zijn ondergebracht met 24-uurs toezicht van CZG, waarbij de betreffende medewerkers niet SKJ gecertificeerd waren. Dit acht de kinderrechter geen passende plek voor kinderen die jeugdhulpverlening nodig hebben. Bovendien voldoet een vakantiehuisje met toezicht van niet SKJ gecertificeerde begeleiders niet aan de afgegeven machtiging voor een plaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

Brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 3]

5.10.

[minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben de kinderrechter tijdens het kindgesprek gevraagd om een brief te sturen met uitleg over de beslissing. De kinderrechter vindt dit belangrijk, zodat het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 3] duidelijk is wat er is besloten en wat er de komende periode gaat gebeuren. In deze brieven lezen [minderjarige 1] en [minderjarige 3] het volgende.

“Beste [minderjarige 1] / Beste [minderjarige 3] ,

Op 30 september 2026 heeft mijn collega, mr. Sumner, met jou gesproken over het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om jou voorlopig onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen in het vakantiehuisje. Daar verbleven jullie toen ook al. Jij hebt toen verteld dat je het liefst terug naar je moeder zou willen. Ik vind het knap dat jij hebt verteld wat er is gebeurd en wat jij zelf graag wil. Daarvoor wil ik je een groot compliment geven.

Diezelfde middag heb ik hierover gepraat met jouw moeder en haar advocaat, jouw vader, jouw stiefvader, een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming en jullie jeugdbeschermer. Ik heb toen besloten om de voorlopige ondertoezichtstelling te verlengen tot 25 december 2026. Dat betekent dat de jeugdbeschermer in ieder geval tot die datum bij jullie betrokken zal blijven en jullie zal helpen. Verder heb ik besloten dat jullie op donderdag 1 oktober 2026 weer bij jullie moeder gaan wonen. Jullie stiefvader zal dan tijdelijk niet thuis wonen en er zal hulpverlening bij jullie thuis komen. Samen met de jeugdbeschermer zal dan worden gekeken wanneer jullie stiefvader ook weer bij jullie kan komen wonen. Dit kan pas als de hulpverlening en de jeugdbeschermer dit een goed idee vinden en als jullie je daar weer prettig bij voelen.

Ik hoop dat het voor jou duidelijk is wat er nu gaat gebeuren en ik wens jullie het allerbeste de komende tijd.

Met vriendelijke groet,


mr. M. Pellikaan

kinderrechter”

5.11.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 25 december 2026;

6.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 door mr. M. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 15 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.

Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).