Personen- en familierecht

VOTS en spoed UHP toegewezen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 september 2026

Zaakgegevens

Op 25 september 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
25 september 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/452746 / JE RK 26-1703
Procedure
Rekestprocedure
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10344
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

VOTS en spoed UHP toegewezen

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/452746 / JE RK 26-1703

Datum uitspraak: 25 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

Zeeland–West-Brabant, Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats] .

De kinderrechter merkt als informanten aan:

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI,

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

  • het mondelinge verzoek van de Raad op 25 september 2026;

  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 28 september 2026. Gelet op een computerstoring bij de Raad zijn de stukken in een afwijkende vorm opgemaakte en ingediend;

  • tevens heeft de kinderrechter kennis genomen van de mails van mr. Feiner van 22 en 24 september 2026.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft in een pleeggezin (binnen het familienetwerk).

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4 De beoordeling

4.1.

De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [minderjarige] woont bij de moeder en de stiefvader. De Raad heeft zorgen over zowel de lichamelijke als emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Haar halfbroertje en halfzusjes geven aan dat er sprake is van fysiek geweld door hun moeder en stiefvader. De moeder en de stiefvader geven aan dat zij zich soms machteloos voelen in de opvoeding. Zij geven aan soms fors fysiek in te grijpen, wanneer de kinderen in conflict met elkaar raken. De moeder en de stiefvader geven bij de Raad aan dat zij dat niet zien als kindermishandeling. Vanwege het nog lopende strafrechtelijke onderzoek, zijn de verklaringen van de kinderen nog niet volledig besproken. Gelet op het voorgaande heeft de moeder met Veilig Thuis afgesproken dat de kinderen uit huis zouden gaan. [minderjarige] woont sinds 18 september 2026 bij een vriendin van de moeder. Haar halfbroertje en halfzusjes zijn uit huis geplaatst in een vakantiewoning op een vakantiepark onder toezicht en begeleiding van de Centrale Zorggroep. De moeder heeft op 25 september 2026 bij de Raad aangegeven dat als de kinderen die avond zouden aangeven dat zij naar huis toe wilden, de moeder hen dan zou ophalen.

4.2.

De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.

4.3.

Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [minderjarige] is feitelijk al uit huis geplaatst en het is in haar belang dat het huidige veilige verblijf in de vakantiewoning wordt gecontinueerd en gewaarborgd.

4.4.

De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] , omdat de moeder op 25 september 2026 aan heeft gegeven de kinderen op te zullen halen wanneer zij weer naar huis zouden willen. Nu [minderjarige] feitelijk al sinds 18 september 2026 uit huis is geplaatst stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van twee weken, maar machtigt de kinderrechter de GI maar voor de beperkte duur van één week om [minderjarige] uit huis te plaatsen. Daarbij weegt de kinderrechter mee dat ter discussie staat of sprake was van vrijwilligheid van de uithuisplaatsing van [minderjarige] vóór het verzoek door de Raad. Daarnaast is er momenteel 24/7 toezicht door de Centrale Zorggroep in de woning van de moeder en de stiefvader en verblijft het jongste halfbroertje van [minderjarige] daar nog altijd. Dit maakt dat de kinderrechter het noodzakelijk vindt om op zeer korte termijn alle partijen te kunnen horen over de verzoeken.

4.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4.6.

De Raad, [minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 25 september 2026 tot 9 oktober 2026;

5.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 september 2026 tot 2 oktober 2026;

5.3.

verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;

5.5.

roept de Raad en de moeder op voor de zitting van mr. mr. M. Pellikaan op 30 september 2026 om 13:45 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;

5.6.

vraagt de griffier de GI op te roepen voor de zitting en [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026 door mr. S. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van R.A. Weterings als griffier, en op schrift gesteld op 29 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.

Artikel 1:257 BW. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).