Personen- en familierecht
machtiging gesloten jeugdhulp 4 maanden. resterende deel wordt aangehouden tot nader te bepalen zitting.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 januari 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:1281 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 27 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/personen-en-familierecht/rekestprocedure/ecli-nl-rbzwb-2026-1281
Zaakgegevens
Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 27 januari 2026
- Datum publicatie
- 27 februari 2026
- Zaaknummer
- C/02/444010 / JE RK 26-72
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1281
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
machtiging gesloten jeugdhulp 4 maanden. resterende deel wordt aangehouden tot nader te bepalen zitting.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444010 / JE RK 26-72
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Beschikking machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HULST,
hierna te noemen het college,
zetelende in Hulst,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. M.V. de Nooijer uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
De gemachtigde van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hulst, [zorgbedrijf]
hierna te noemen [zorgbedrijf] ,
kantoorhoudende te [plaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 januari 2026;
-
de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper van 17 januari 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 23 januari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de minderjarige [minderjarige] is in het bijzijn van mr. De Nooijer voorafgaand aan de zitting apart (via een digitale verbinding via Teams vanuit [JJI] ) gehoord op het verzoek,
- de moeder,
- de vader,
- de heer [naam 1] , vertegenwoordiger van het college;
- de heer [naam 2] , [zorgbedrijf] .
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij zijn moeder, maar verblijft op dit moment in [JJI] .
3 Het verzoek
Het college verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
Uit de instemmingsverklaring van de ouders van 8 januari 2026 volgt dat zij instemmen met het verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
De onafhankelijk gedragswetenschapper, de heer [naam 3] , heeft op 17 januari 2026 schriftelijk ingestemd met een verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
4 De standpunten
Het college handhaaft tijdens de zitting verzoek gesloten jeugdhulp en verwijst voor de onderbouwing van het verzoek naar het verzoekschrift. De situatie rondom [minderjarige] is ernstig en complex en het is dan ook noodzakelijk dat bij een gesloten plaatsing van [minderjarige] het traject van [zorgorganisatie] en MST wordt ingezet zodat behandeling kan plaatsvinden. Dat traject biedt volgens het college de beste kans om [minderjarige] weer perspectief te geven op een terugkeer naar huis. Het college betreurt het dat de moeder en [minderjarige] in de afgelopen jaren onvoldoende passende ondersteuning hebben gekregen. Het college is akkoord met een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden met aanhouding van het resterende deel van het verzoek zoals tijdens de zitting door de advocaat van [minderjarige] wordt verzocht. Dit omdat wordt verwacht dat binnen drie maanden de trajecten van [zorgorganisatie] en MST kunnen starten en dan ook duidelijkheid ontstaat over de ontwikkelingen van [minderjarige] .
[minderjarige] geeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aan dat hij nu in voorlopige hechtenis zit voor een overval. Hij heeft een grote fout gemaakt waar hij veel spijt van heeft. Hij geeft aan dat hij onder druk is gezet door andere jongeren en dat hij daardoor verkeerde keuzes heeft gemaakt. De overval is voor hem een dieptepunt geweest en hij wil dit nooit meer meemaken. De situatie in de JJI vindt hij zwaar en moeilijk. Volgens [minderjarige] voelt hij zich daar erg opgesloten en hij wil daar zo snel mogelijk weg, het liefste terug naar huis naar zijn moeder. [minderjarige] wil uiteindelijk zijn school afmaken en is daar ook in de JJI al mee bezig. [minderjarige] ziet de verzochte gesloten plaatsing bij [zorginstelling] niet als een straf maar als een kans om zijn leven weer op de rit te krijgen en een stap richting huis. [minderjarige] staat achter het traject bij [zorginstelling] en wil zich houden aan de afspraken. Hij begrijpt dat er stappen nodig zijn voordat hij weer thuis kan wonen. [minderjarige] wil echt werken aan zichzelf en hoopt dat hij via [zorgorganisatie] en MST weer veilig naar huis kan terug gaan.
De advocaat van [minderjarige] geeft tijdens de zitting aan dat [minderjarige] gemotiveerd is om mee te werken aan de nodige hulpverlening en dat hij duidelijk heeft aangegeven achter het verzoek gesloten plaatsing bij [zorginstelling] te staan. De advocaat wijst er voor de volledigheid op dat de Raad het risico op negatieve beïnvloeding in de JJI hoog heeft ingeschat en dat een plaatsing in de jeugdhulp daarom dringend nodig is. Volgens de advocaat is een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden erg lang zeker gezien het [zorgorganisatie] -traject dat maar ongeveer zes tot acht weken tijd in beslag zal nemen. De advocaat verzoekt namens [minderjarige] dan ook prima het verzoek voor drie maanden toe te wijzen onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Na deze periode kan opnieuw tijdens een zitting worden beoordeeld hoe het met [minderjarige] gaat en hoe het MST-traject verloopt. Subsidiair kan de advocaat zich namens [minderjarige] wel vinden in een duur van zes maanden. De advocaat merkt tot slot nog op dat het van belang is voor [minderjarige] dat er een snelle verkorte schriftelijke beslissing/bevestiging per e-mail volgt zodat het vervoer van [minderjarige] vanuit de [JJI] naar [zorginstelling] direct geregeld kan worden. [minderjarige] zit nu namelijk in voorlopige hechtenis en deze wordt geschorst als het verzoek gesloten jeugdhulp wordt toegewezen.
De moeder verklaart tijdens de zitting volledig achter het verzoek van het college te staan en het traject dat zal worden ingezet. Zij geeft aan dat zij al lange tijd zag dat het mis ging met [minderjarige] maar dat zij geen grip meer had op zijn gedrag. De moeder heeft herhaaldelijk om hulp gevraagd, meldingen gedaan bij instanties en zelfs de politie ingeschakeld maar voelde zich niet gehoord en stond er uiteindelijk alleen voor. Volgens de moeder werd de thuissituatie onveilig voor haar en haar jongste dochter. De aanhouding door de politie van [minderjarige] was voor haar een enorme schok maar tegelijkertijd ook een bevestiging dat haar zorgen terecht waren. De moeder geeft aan mee te willen werken aan alle hulp, overleggen en voorwaarden. Zij benadrukt dat echte behandeling nodig is en dat MST geen kort traject moet worden omdat de problematiek van [minderjarige] niet in een paar maanden is opgelost. De moeder hoopt dat [minderjarige] nu eindelijk de hulp krijgt die hij al jaren nodig heeft.
De vader geeft tijdens de zitting aan dat hij de afgelopen periode weinig contact met [minderjarige] heeft gehad en dat het contact al langer beperkt was. De vader schrikt er van hoe [minderjarige] er op dit moment uitziet en vindt de situatie rondom [minderjarige] zeer ernstig. De vader begrijpt dat professionals hebben beoordeeld dat een gesloten plaatsing in [zorginstelling] nodig is en hij is dan ook akkoord met het verzoek. De vader benadrukt dat de gepleegde feiten niet bij [minderjarige] passen en dat hij gelooft dat zijn zoon onder invloed en druk van anderen is meegetrokken in deze nare situatie. De vader vindt het dan ook belangrijk dat [minderjarige] nu hulp krijgt en ziet de gesloten plaatsing als iets wat nodig is ook al is het zwaar voor alle betrokkenen.
[zorgbedrijf] geeft tijdens de zitting aan dat zij sinds oktober 2025 betrokken zijn geraakt bij het gezin van [minderjarige] en dat de situatie in korte tijd volledig is geëscaleerd. Door alle gebeurtenissen heeft er nauwelijks nog tijd gezeten tussen de eerste gesprekken en de plaatsing van [minderjarige] in de JJI. [zorgbedrijf] ziet het [zorgorganisatie] -traject bij [zorginstelling] als zeer passend en noodzakelijk. Volgens [zorgbedrijf] zal MST naar verwachting iets later starten, waarschijnlijk rond maart 2026. Tot die tijd kan aanvullende begeleiding worden ingezet, zoals traumabehandeling of andere therapieën in afstemming met [zorginstelling] . [zorgbedrijf] benadrukt dat er nog een intake volgt waarin wordt bepaald welke behandelroute het meest passend is en ziet de machtiging gesloten jeugdhulp als een noodzakelijk kader om dit zorgvuldig en veilig op te bouwen.
5 De beoordeling
Wettelijk kader
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
De beoordeling
De kinderrechter stelt op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting vast dat er bij [minderjarige] sprake is van een zodanige ernstige en actuele bedreiging van zijn ontwikkeling dat die maakt dat ingrijpen noodzakelijk is. Deze bedreiging blijkt uit een samenloop van factoren waaronder langdurige en hardnekkige gedragsproblemen, structurele onttrekking aan het ouderlijk gezag en hulpverlening, escalaties binnen de thuissituatie en een toenemende betrokkenheid bij ernstige strafbare feiten. Uit de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting naar voren is gekomen volgt dat [minderjarige] zich gedurende langere tijd heeft begeven in risicovolle sociale netwerken en zich onttrok aan toezicht. Hij hield zich niet aan afspraken, verbleef regelmatig zonder toestemming buitenshuis en was moeilijk aan te sturen door zijn moeder. Binnen de thuissituatie ontstonden spanningen en onveiligheid waarbij sprake was van verbaal agressief en intimiderend gedrag richting de moeder. De moeder heeft zich hierdoor niet altijd veilig gevoeld en ook het jongere zusje van [minderjarige] werd blootgesteld aan deze onveilige situatie.
Het is de kinderrechter verder gebleken dat de zorgen rondom [minderjarige] begin december 2025 ernstig zijn toegenomen. Op 7 december 2025 vond een forse escalatie plaats in de thuissituatie waarna [minderjarige] in een crisisgroep werd geplaatst. Slechts enkele dagen later, op 10 december 2025, is [minderjarige] door de politie aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een ernstig strafbaar feit, te weten een gewelddadig vermogensdelict (overval). In dat kader is hij in voorlopige hechtenis genomen. Bij een doorzoeking bij [minderjarige] thuis is een scherp automatisch vuurwapen met bijbehorende munitie aangetroffen. Deze feiten hebben geleid tot een overplaatsing naar de [JJI] waar hij sindsdien verblijft. De combinatie van strafrechtelijke betrokkenheid, het aantreffen van een vuurwapen en de eerdere onveiligheid in de thuissituatie maken dat sprake is van een ernstig en direct veiligheidsrisico voor [minderjarige] zelf en zijn omgeving. Daarbij vindt de kinderrechter dat er een reële kans bestaat dat [minderjarige] zich zonder een gesloten kader, opnieuw zal onttrekken aan zorg en toezicht of opnieuw in risicovol en strafbaar gedrag zal vervallen.
Gelet op deze omstandigheden en op de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper is de kinderrechter van oordeel dat een gesloten plaatsing noodzakelijk is. [minderjarige] heeft dringend behoefte aan een veilige, beschermde omgeving waar hij niet kan weglopen, waarin hij tot rust kan komen en waar gekeken kan worden naar de achterliggende oorzaken van zijn gedrag. Dit zodat verdere behandeling van [minderjarige] kan plaatsvinden. De kinderrechter vindt het positief dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] tijdens zijn verblijf in [JJI] goed is gebleven ondanks de eerdere moeilijke thuissituatie. De moeder blijft bereid [minderjarige] te ondersteunen.
Tegelijkertijd vindt de kinderrechter het van belang dat het perspectief van [minderjarige] en zijn moeder is gericht op behandeling en terugkeer naar huis. Tijdens het civiel trajectberaad is de inzet van MST (Multisysteem Therapie) in het kader van het traject [zorgorganisatie] als passend genoemd. Deze behandeling is echter nog niet opgestart omdat [minderjarige] nog niet in een gesloten accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verblijft. De kinderrechter vindt het aannemelijk dat een periode van drie maanden onvoldoende is om MST op te starten, te laten landen bij [minderjarige] en de moeder en de eerste effecten daarvan op veiligheid en gedrag te kunnen beoordelen.
Vanwege het voorgaande zal de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp verlenen voor de duur van vier maanden. De verzochte machtiging wordt dan ook verleend tot 27 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Het resterende deel van het verzoek zal op een nader te bepalen datum [maand] 2026 worden ingepland. Op die zitting zullen de ontwikkelingen van [minderjarige] worden besproken. Aan het college wordt verzocht om uiterlijk tien dagen voor de nieuwe zittingsdatum een inhoudelijke rapportage van MST in te dienen. Ook dient het college een standpunt in te nemen over het resterende deel van het verzoek. Het college dient dit standpunt te onderbouwen met een concreet plan van aanpak voor [minderjarige] . Indien het college het resterende verzoek handhaaft, dient er een nieuwe verklaring van een gedragswetenschapper te worden overgelegd die [minderjarige] kort daarvoor heeft onderzocht.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier maanden, te weten met ingang van 27 januari 2026 en tot 27 mei 2026;
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de nader te bepalen zitting [maand] 2026 bij de kinderrechter, welke wordt gehouden bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan de Kousteensedijk 2 te 4331 JE Middelburg;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 10 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.