Personen- en familierecht

resterend verzoek machtiging gesloten jeugdhulp, afwijzen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 januari 2026

Zaakgegevens

Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
27 januari 2026
Datum publicatie
27 februari 2026
Zaaknummer
C/02/441139 / JE RK 25-1897
Procedure
Rekestprocedure
Advocaat
mr. J.C. van den Doel te Zierikzee.
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:1282
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

resterend verzoek machtiging gesloten jeugdhulp, afwijzen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/441139 / JE RK 25-1897

Datum uitspraak: 27 januari 2026

Nadere beschikking machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE VLISSINGEN, zetelende te Vlissingen,

hierna te noemen: het college,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

advocaat: mr. J.C. van den Doel te Zierikzee.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 14 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;

- het evaluatieplan van [zorginstelling] van 15 januari 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:

- [minderjarige] , die vooraf ook apart is gehoord, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder;

- een vertegenwoordigster van het college.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het gezag over [minderjarige] .

2.2.

Bij beschikking van 25 februari 2025 heeft de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 25 februari 2025 en tot 25 augustus 2025, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte plan van aanpak en met aanpassing van die voorwaarden zoals onder 5.3 van die beschikking is weergegeven zijn gesteld.

2.3.

Bij beschikking van 15 augustus 2025 heeft de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 15 augustus 2025 en tot 15 november 2025, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte hulpverleningsplan zijn gesteld.

2.4.

Op 4 november 2025 is de voorwaardelijke machtiging omgezet in een machtiging gesloten jeugdzorg. Momenteel verblijft [minderjarige] op de gesloten groep van [zorginstelling] in [plaats] .

2.5.

Bij beschikking van 14 november 2025 heeft de kinderrechter een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden verleend tot 14 februari 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

3 Het verzoek

3.1.

Het college verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

3.2.

De moeder stemt in met het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [minderjarige] voor de duur van zes maanden. Dat blijkt uit de overgelegde instemmingsverklaring van 15 oktober 2025.

3.3.

De gekwalificeerde gedragswetenschapper, de heer [naam] , heeft schriftelijk ingestemd met het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [minderjarige] voor de duur van drie maanden onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek, nadat hij [minderjarige] op 12 november 2025 in persoon heeft onderzocht. Dat blijkt uit de overlegde schriftelijke verklaring van 12 november 2025.

3.4.

Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode tot 14 mei 2026.

4 De nadere standpunten

4.1.

Het college heeft tijdens de zitting opgemerkt dat er sprake is geweest van een misverstand rondom het voorliggende verzoek. Het college stelt zich op het standpunt dat het gelet op de positieve ontwikkeling van [minderjarige] niet langer noodzakelijk is om het resterende deel van de machtiging gesloten jeugdhulp voort te zetten. Het college had verwacht dat tijdens de zitting het verzoek kon worden omgezet in een verzoek voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. Het college moet echter nog wel de voorwaarden met [minderjarige] bespreken zodat deze op dit moment ook nog niet duidelijk zijn voor alle betrokkenen. Uit de evaluatie van [zorginstelling] blijkt dat [minderjarige] goed functioneert, gemotiveerd is en geschikt wordt geacht voor uitstroom naar een open groep. Dit met het perspectief op begeleid zelfstandig wonen. Het college geeft aan dat er vanwege het voorgaande met spoed een nieuw verzoek (voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp) zal worden ingediend, in ieder geval voor afloop van de termijn. Het college begrijpt nu dat een dergelijk verzoek thans niet voorligt zodat dit nu niet kan worden beoordeeld door de kinderrechter. Het college kan zich daarom vinden in afwijzing van het resterende verzoek. Tot slot merkt het college nog op dat er voor [minderjarige] geen problemen ontstaan bij [zorginstelling] als er nog geen machtiging is verleend voor [minderjarige] na 14 februari 2026.

4.2.

[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter voorafgaand aan de zitting en tijdens de zitting aangegeven dat het goed met hem gaat. Hij werkt veel, heeft een vaste baan en ervaart in de praktijk al veel vrijheden. Volgens [minderjarige] functioneert hij feitelijk al alsof er sprake is van een open plaatsing. Hij geeft aan gemotiveerd te zijn om deze positieve lijn vast te houden en staat open voor een plaatsing in een open groep, al dan niet met voorwaarden. Deze voorwaarden moeten voor hem wel duidelijk zijn zodat hij duidelijke kaders heeft voor plaatsing in een open groep. [minderjarige] gaat er van uit dat hij akkoord zal zijn met de voorwaarden zoals deze zullen worden gesteld door het college. [minderjarige] merkt op dat hij van het college en [zorginstelling] de boodschap heeft gekregen dat hij na de zitting zal doorstromen naar een open groep bij [zorginstelling] . Hij ziet dan ook geen noodzaak meer voor voortzetting van gesloten jeugdhulp. [minderjarige] baalt er verder van dat hij op zitting moet verschijnen om te spreken over het resterende deel van het verzoek terwijl hij dacht dat het zou gaan over een voorwaardelijke machtiging.

4.3.

De advocaat van [minderjarige] verzoekt tijdens de zitting om afwijzing van het resterende deel van het verzoek. [minderjarige] heeft een aantoonbare vooruitgang heeft geboekt, houdt zich aan de afspraken en hij is gemotiveerd om toe te werken naar verdere zelfstandigheid. Volgens de advocaat ligt er geen nieuw verzoek voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp van het college voor ter beoordeling. Daarnaast is er ook geen actuele verklaring van een gedragswetenschapper overgelegd. Volgens de advocaat is daarmee niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor voortzetting van de gesloten plaatsing. Afwijzing van het resterende verzoek leidt volgens de advocaat niet tot nadelige gevolgen voor [minderjarige] aangezien de huidige machtiging nog loopt tot 14 februari 2026 en de ingezette positieve ontwikkeling kan worden voortgezet.

4.4.

De moeder van [minderjarige] heeft tijdens zitting bevestigd dat zij ziet dat het beter gaat met [minderjarige] en dat hij stappen vooruit zet. Zij begrijpt dat de situatie voor [minderjarige] verwarrend en belastend is geweest. De moeder staat achter het plan om [minderjarige] te laten uitstromen naar een open groep en ondersteunt een vervolg in een minder ingrijpende setting als dit zorgvuldig wordt vormgegeven. Zij kan zich vinden in afwijzing van het resterende verzoek tot verlenging van de gesloten plaatsing.

5 De nadere beoordeling

5.1.

De kinderrechterstelt vast dat het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging gesloten jeugdhulp nog ter beoordeling voorligt. Uit hetgeen tijdens de zitting is besproken en uit het evaluatiebehandelplan van [zorginstelling] blijkt dat het goed gaat met [minderjarige] . De kinderrechter constateert dat [minderjarige] een positieve ontwikkeling laat zien, veel werkt en gemotiveerd is voor verdere stappen richting meer zelfstandigheid. Zowel het college als [zorginstelling] hebben uitgesproken dat het de bedoeling is dat [minderjarige] na afloop van de machtiging gesloten jeugdhulp per 14 februari 2026 uitstroomt naar een open groep.

5.2.

De kinderrechter constateert dat er geen nieuw verzoek tot een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voorligt en dat er ook geen recente verklaring van een gedragswetenschapper is overgelegd die recent met [minderjarige] heeft gesproken waaruit de noodzaak van voortzetting van de gesloten plaatsing blijkt. Daarmee ontbreekt een wettelijke grondslag voor toewijzing van het resterende verzoek. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat voortzetting van de gesloten jeugdhulp niet langer noodzakelijk is en zal het resterende deel van het verzoek worden afgewezen. De kinderrechter merkt tenslotte op dat zij het voor [minderjarige] heel vervelend vindt dat er zeer binnenkort waarschijnlijk weer een rechtzitting zal plaatsvinden over de voorgenomen voorwaardelijke machtiging, terwijl dat met een tijdige indiening van een dergelijk verzoek had kunnen worden voorkomen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst het resterende deel van het verzoek van het college af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 5 februari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.