Personen- en familierecht
Vaststelling kinderalimentatie minderjarige verblijvend in gezinshuis.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 mei 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:4959 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 6 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/personen-en-familierecht/rekestprocedure/ecli-nl-rbzwb-2026-4959
Zaakgegevens
Op 6 mei 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 6 mei 2026
- Datum publicatie
- 6 juni 2026
- Zaaknummer
- C/02/438259 / FA RK 25-3903
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4959
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vaststelling kinderalimentatie minderjarige verblijvend in gezinshuis.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/438259 / FA RK 25-3903
Datum uitspraak: 6 mei 2026
Beschikking over vaststelling kinderalimentatie
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet,
en
[de man] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. P.F.M. Gulickx.
1 Het procesverloop
1.1 De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het op 21 juli 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 11 van de vrouw;
- het op 16 oktober 2025 ontvangen verweerschrift van de man;
- de brief van mr. Gulickx van 25 februari 2026 met bijlagen 1 en 2;
- de brieven van mr. Koop-Van Vliet van 4 maart 2026 met bijlagen 12 tot en met 15 en 27 maart 2026 met als bijlage een alimentatieberekening.
1.2 De zaak is besproken op de zitting van 2 april 2026. Daarbij waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat.
2 De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd op [datum 1] 2011 in de gemeente Moerdijk. In het huwelijk is op 23 mei 2018 de scheiding van tafel en bed tot stand gekomen. Vervolgens is op [datum 2] 2021 de ontbinding van het huwelijk uitgesproken. Deze ontbinding is geregistreerd bij de Burgerlijke Stand op [datum 3] 2021.
Tijdens het huwelijk van partijen is op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] geboren [minderjarige] (roepnaam: [minderjarige] ). De man is niet de biologische vader van [minderjarige] .
Op [datum 1] 2024 heeft deze rechtbank bepaald dat de vrouw voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] is belast.
Op 14 november 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 19 november 2025 tot 19 mei 2026. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is verlengd over diezelfde periode.
Op basis van de afgegeven machtiging verblijft [minderjarige] in gezinshuis “ [gezinshuis] ” van [accommodatie] .
3 Het verzoek
De vrouw verzoekt, samengevat, vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] van € 415,= per maand met ingang van primair 30 mei 2025 en subsidiair de datum van indiening van het verzoekschrift.
4 De beoordeling
De vrouw geeft aan dat [minderjarige] in een gezinshuis van [accommodatie] verblijft. Zijn kosten worden voor een deel door zowel de overheid als door [accommodatie] betaald. De overige kosten moeten de ouders zelf betalen. De vrouw heeft onvoldoende inkomen om de overige kosten van [minderjarige] alleen te dragen.
De man vindt het niet redelijk dat de vrouw een verzoek tot kinderalimentatie indient. Hij is niet de biologische vader van [minderjarige] en hij heeft ook geen contact met hem. Primair stelt de man dat hij op dit moment niet gehouden is een bijdrage te betalen, omdat [minderjarige] niet bij de vrouw woont. Subsidiair stelt de man dat een eventuele door hem te betalen bijdrage aan het gezinshuis moet worden betaald.
De rechtbank overweegt dat de onderhoudsplicht van een ouder niet vervalt wanneer een minderjarig kind onder toezicht staat of als het kind ergens anders gaat wonen. Om die reden wordt voorbij gegaan aan het primaire verweer van de man. Voor wat betreft het subsidiaire verweer overweegt de rechtbank dat er geen grondslag bestaat op basis waarvan de man een eventuele door hem te betalen bijdrage voor [minderjarige] aan het gezinshuis zou moeten voldoen. In deze zaak gaat het om kosten van [minderjarige] die ten laste komen van de ouders. Ook aan het subsidiaire verweer wordt voorbij gegaan.
Behoefte van [minderjarige]
De vrouw heeft de behoefte van [minderjarige] becijferd op een bedrag van € 415,= per maand. Voor de onderbouwing verwijst zij naar de door haar gemaakte begroting en de ingediende bewijsstukken.
De man heeft de hoogte van de behoefte van [minderjarige] gemotiveerd betwist. Hij stelt onder andere dat de uitgaven die de vrouw voor [minderjarige] voldoet volledig gedekt worden door de kinderbijslag en het kindgebonden budget.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals overwogen, verblijft [minderjarige] op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Als sprake is van een uithuisplaatsing wordt de behoefte van een minderjarige begrensd door de kosten die de verzorgende ouder daadwerkelijk maakt. Op deze kosten moeten de kinderbijslag en het kindgebonden budget in mindering worden gebracht. Op de zitting heeft de vrouw gezegd dat zij een bedrag van € 499,= per maand aan kindgebonden budget ontvangt en een bedrag van € 410,= per kwartaal (afgerond € 137,= per maand) aan kinderbijslag. De vrouw ontvangt daarmee maandelijks een bedrag van € 636,= om in de kosten van [minderjarige] te voorzien. Dit is dan ook voldoende om volledig in de door haar gestelde behoefte van [minderjarige] te voorzien. Dit maakt dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dit houdt in dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie af;
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.