Personen- en familierecht

Machtiging gesloten jeugdhulp. Tussentijds toetsmoment

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 juni 2026

Zaakgegevens

Op 5 juni 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
5 juni 2026
Datum publicatie
6 juli 2026
Zaaknummer
C/02/448088 / JE RK 26-817
Procedure
Rekestprocedure
Advocaat
mr. P.F.M. Gulickx uit Breda, mr. R.T.A.G Keller uit Tilburg
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:6033
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Machtiging gesloten jeugdhulp. Tussentijds toetsmoment

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448088 / JE RK 26-817

Datum uitspraak: 5 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] (Libië),

hierna te noemen: [minderjarige] ,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx uit Breda.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[minderjarige] , voornoemd,

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats 1] ,

advocaat: mr. R.T.A.G. Keller uit Tilburg,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats 2] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van de kinderrechter van 27 mei 2026, op schrift gesteld op 4 juni 2026 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

De voortzetting van de zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • twee vertegenwoordigers van de GI;

  • de advocaat van [minderjarige] ;

  • de vader;

- de moeder met haar advocaat.

Aan mevrouw [persoon] , vriendin/ondersteuner van de moeder, is bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen.

2 De nadere beoordeling

2.1.

Aan de orde is nog het (resterende) verzoek van de GI om een machtiging te verlenen [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

2.2.

Bij mondelinge beslissing van 27 mei 2026, op schrift gesteld op 4 juni 2026, heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 mei 2026 tot
6 juni 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden in afwachting van de behandeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling door de meervoudige kamer van deze rechtbank op 3 juni 2026.

2.3.

Bij mondeling gegeven beslissing van de meervoudige kamer van 3 juni 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd vanaf 6 juni 2026 tot 6 juni 2027.

2.4.

Aansluitend op de behandeling door en de beslissing van de meervoudige kamer heeft nog een korte voortzetting van de behandeling van het hiervoor onder rechtsoverweging 2.1. genoemde verzoek plaatsgevonden.

2.5.

De advocaat van [minderjarige] heeft herhaald dat [minderjarige] kan begrijpen dat het onderhavige verzoek is gedaan, maar dat de verzochte termijn te lang is. [minderjarige] wil heel graag terug naar zijn moeder, maar voorstelbaar is dat dat niet direct kan. Verzocht wordt om de machtiging voor maximaal drie maanden toe te wijzen. [minderjarige] wil hierna graag weer bij zijn moeder verblijven en weer naar school toe gaan.

2.6.

De GI heeft haar standpunt gehandhaafd en is van mening dat het verzoek voor de volledige duur moet worden toegewezen Toewijzing voor kortere duur zal in de visie van de GI tot onrust leiden. [minderjarige] heeft behandeling nodig en de GI heeft zorgen hoe [minderjarige] zich staande gaat houden in de maatschappij. Dit zal niet opgelost zijn wanneer hij bij de moeder geplaatst wordt. Anderzijds ziet de GI ook dat [minderjarige] bijna 17 jaar oud is en dat er een plan richting meerderjarigheid zal moeten komen.

2.7.

De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat de moeder -anders dan de GI stelt- wel in staat is om [minderjarige] te sturen. Op grond van alle bevindingen kan gekozen worden om in te zetten op wat [minderjarige] de meeste stabiliteit kan bieden, maar er moet ook rekening gehouden worden met de negatieve impact op de ontwikkeling van [minderjarige] als het traject van terugplaatsing bij de moeder wordt verlaten. Het gaat alleen maar bergafwaarts met [minderjarige] sinds hij weg bij de moeder is en het is niet de verwachting dat dat zal verbeteren.

2.8.

De kinderrechter overweegt als volgt.
Bij beschikking van 27 mei 2026 is geoordeeld dat voldaan is aan de in artikel 6.1.2. van de Jeugdwet genoemde criteria voor het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp en is een machtiging verleend tot 6 juni 2026, nu de ondertoezichtstelling tot die datum liep. De omstandigheden zijn sindsdien niet gewijzigd, zodat de kinderrechter van oordeel is dat de machtiging gesloten jeugdhulp verder moet voortduren. Er zijn forse zorgen over [minderjarige] . Op dit moment is er geen andere minder ingrijpende mogelijkheid dan een gesloten plaatsing om zijn veiligheid en die van anderen te waarborgen.

2.9.

Betrokkenen verschillen van mening over de duur van de gesloten plaatsing. Bij de beoordeling hiervan neemt de kinderrechter allereerst de ernst van de problematiek en de forse zorgen die er over [minderjarige] zijn in aanmerking. Voorts neemt de kinderrechter in aanmerking dat [minderjarige] veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt en dat [minderjarige] veel boosheid en frustratie in zich heeft, mede als gevolg van de initiële uithuisplaatsing. Hij vindt dat hij onterecht bij zijn moeder is weggehaald en begrijpt niet waarom hij niet bij zijn moeder mag wonen. Hiervoor dient aandacht te zijn, alsmede dient door een gedragswetenschapper bezien te worden in hoeverre de door de GI ingezette lijn gezien die boosheid en frustratie over de uithuisplaatsing voor [minderjarige] de juiste is. Het is de vraag of deze lijn niet juist een averechts effect heeft op zijn ontwikkeling. Indien dit laatste het geval is, dient tevens bezien te worden op welke wijze [minderjarige] ondersteund kan worden.
2.10. Wel duidelijk is dat [minderjarige] gezien de complexe problematiek op dit moment meer van ouders als opvoeders vraagt dan dat zij hem kunnen bieden. [minderjarige] laat zich niet meer aansturen en dreigt steeds verder af te glijden. Hij heeft de strakke kaders en nabijheid van een gesloten groep nodig om hierin verandering te kunnen aanbrengen. Tevens is het nodig dat hij afstand neemt van mensen die een negatieve invloed op hem hebben en hem verleiden tot risicovol en grensoverschrijdend gedrag.

2.11.

Voorts betrekt de kinderrechter bij haar oordeel over de duur van de gesloten plaatsing dat een machtiging gesloten jeugdhulp de meest ingrijpende en vergaande maatregel is welke uitsluitend als ultimum remedium mag worden ingezet. Er is tijd nodig voor stabilisatie en behandeling, maar er dient ook een plan te komen voor de komende tijd richting de meerderjarigheid van [minderjarige] .
Alles afwegend verleent de kinderrechter de verzochte machtiging voor de duur van vier maanden en zal zij de beoordeling van het resterende verzoek aanhouden tot de hierna genoemde pro forma datum. Aldus is sprake van een tussentijds toetsmoment.
Op deze manier kan de kinderrechter de ontwikkeling van [minderjarige] en de door de GI genomen vervolgstappen blijven volgen.

De kinderrechter verwacht dat de GI uiterlijk op de hierna in het dictum genoemde pro forma datum een schriftelijk verslag zal uitbrengen, onder gelijktijdige verzending daarvan aan de advocaat van [minderjarige] en de advocaat van de moeder, alsmede aan de vader over:

- de actuele stand van zaken betreffende de hulpverlening; het verloop van de hulpverlening vanaf heden met daarbij een tijdspad en een overzicht van gemaakte afspraken;

- de zienswijze van een gedragswetenschapper over de vraag in hoeverre de door de GI ingezette lijn voor [minderjarige] gezien zijn boosheid en frustratie over de uithuisplaatsing de juiste is. Heeft deze lijn niet juist een averechts effect op zijn ontwikkeling en -indien dat het geval is- op welke wijze kan [minderjarige] ondersteund worden;

- het verloop van het contact tussen [minderjarige] en de ouders en de afspraken die hieromtrent met de ouders zijn gemaakt;

- de stand van zaken betreffende school / dagbesteding van [minderjarige] ;

- een (opzet voor een) plan richting meerderjarigheid van [minderjarige] ;

- het standpunt van de GI ten aanzien van het resterende deel van het verzoek.

Voor zover de GI het resterende deel van het verzoek handhaaft, wordt de GI verzocht uiterlijk één week voor de datum van de mondelinge behandeling een actuele instemmingsverklaring van een onafhankelijk gedragswetenschapper (bij voorkeur dezelfde gedragswetenschapper als die [minderjarige] al eerder heeft onderzocht) aan de kinderrechter toe te zenden.

2.12.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

De kinderrechter:

3.1.

verleent een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 6 juni 2026 tot 27 september 2026;

3.2.

houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI aan tot
27 augustus 2026 PRO FORMA, in afwachting van het verslag van de GI en het standpunt over het resterende deel van het verzoek en -indien de GI het resterende deel van het verzoek handhaaft- de (instemmende) verklaring van de gedragswetenschapper, een en ander zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 2.11;

3.3.

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Pellikaan, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.