Personen- en familierecht
Aanhouden zorgregeling iav verloop OTS - voorlopige begeleide omgang mj met beide ouders
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6201 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 9 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/personen-en-familierecht/rekestprocedure/ecli-nl-rbzwb-2026-6201
Zaakgegevens
Op 9 juni 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Datum publicatie
- 10 juli 2026
- Zaaknummer
- C/02/441963 / FA RK 25-5891
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.G.J. van Kerkhof in Gilze
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6201
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aanhouden zorgregeling iav verloop OTS - voorlopige begeleide omgang mj met beide ouders
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/441963 / FA RK 25-5891
beschikking d.d. 9 juni 2026
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof in Gilze,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] .
Ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, hierna: [minderjarige] .
Als belanghebbende in de onderhavige zaak wordt aangemerkt:
- Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Eindhoven.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechter over het verzoek te adviseren
1 Het verdere procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 9 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
- het op 19 maart 2026 ingekomen rapport en advies van de Raad.
Het verzoek is gelijktijdig met de verzoeken van de Raad tot een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] bij oma (mz) met zaaknummer C/02/446154 / JE RK 26-459 behandeld tijdens mondelinge behandeling van 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de vrouw, bijgestaan door mr. De Houck (advocaat vrouw in JE RK zaak);
-
oma moederszijde (mz);
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2 De verdere beoordeling
In geschil is de zorgregeling tussen de man en de minderjarige [minderjarige] . De rechtbank verwijst naar de beschikking van 9 januari 2026 waarin de Raad is verzocht om, in aanvulling op het beschermingsonderzoek dat de Raad al zou starten naar aanleiding van het verzoek daartoe van Veilig Thuis, ook onderzoek te doen naar de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij
de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe moet die regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden
en op welke termijn?
De Raad heeft op 19 maart 2026 rapport en advies uitgebracht. De Raad verzoekt - samengevat en voor zover hier thans van belang – om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor een periode van twaalf maanden. Verder verzoekt de Raad om de GI te machtigen de [minderjarige] uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten oma (mz), voor de duur van zes maanden aangezien deze plaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn tijdens de mondelinge behandeling op 27 mei 2026 door de kinderrechter mondeling uitgesproken voor de duur van respectievelijk 12 en 6 maanden.
De Raad adviseert in zijn rapport de beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan te houden voor de duur van 9 maanden, in afwachting van de resultaten van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling.
De rechtbank is van oordeel dat de uitkomsten en het verloop van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling eerst dienen te worden afgewacht voordat kan worden beslist op het nog voorliggende verzoek ten aanzien de zorgregeling. Door partijen is hiermee ingestemd. Ter zitting is met partijen besproken dat het van belang is dat op hele korte termijn, voorlopig begeleide, contacten van [minderjarige] met zowel haar vader als haar moeder (met wie [minderjarige] na een incident in april 2026 ook geen contact meer heeft) van start gaan. In beginsel dient het te gaan om (duurzame en veilige) korte contactmomenten van ongeveer een half uur, maximaal één uur en dan bij voorkeur tweemaal per week, maar minimaal eenmaal per week. Aan de GI, die in het kader van de ondertoezichtstelling bij [minderjarige] betrokken is, wordt overgelaten om de zorgregeling eventueel tussentijds te wijzigen.
De rechtbank zal - overeenkomstig het advies van de Raad - de zaak ten aanzien van de zorgregeling aanhouden voor de duur van negen maanden en verwijst deze naar de familiekamerrol van dinsdag 2 maart 2027, teneinde de GI in de gelegenheid te stellen te rapporteren en adviseren omtrent het verloop van de ondertoezichtstelling en de contacten tussen de vader en [minderjarige] (en ook tussen de moeder en [minderjarige] ) alsmede de resultaten van de hulpverlening. Vervolgens zullen partijen en de Raad in de gelegenheid worden gesteld binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en advies van de GI, alsmede zich uit te laten omtrent het door hen gewenst verdere procesverloop.
Iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling wordt aangehouden.
3 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat er voorlopig contact zal zijn tussen [minderjarige] en de vader bestaande uit begeleide korte contactmomenten van ongeveer een half uur, maximaal één uur en dan bij voorkeur tweemaal per week, maar minimaal eenmaal per week, waarbij een eventuele uitbreiding van de contacten bij de GI wordt belegd;
verwijst de zaak ten aanzien van de zorgregeling naar de familiekamerrol van dinsdag 2 maart 2027, met het verzoek aan de GI alsdan te rapporteren;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien de zorgregeling aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, rechter, tevens kinderrechter, en in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.