Personen- en familierecht

Vervangende toestemming paspoort

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/447825 / FA RK 26-2299
Procedure
Rekestprocedure
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7919
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervangende toestemming paspoort

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/447825 / FA RK 26-2299

datum uitspraak: 28 juli 2026

beschikking over vervangende toestemming paspoort


in de zaak van

[de man] ,

hierna: de man,

wonende in [woonplaats],

tegen

[de vrouw],

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats],

over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] (Ethiopië) op [geboortedag 1] 2011, hierna: [minderjarige 1],

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2016, hierna: [minderjarige 2].

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1 Het procesverloop

1.1

In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 9 april 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het bericht van 8 mei 2026 van de man;

- het bericht van [minderjarige 1] namens de man van 30 juni 2026.

1.2

Het verzoek is mondeling behandeld op 20 juli 2026. Bij die behandeling is gekomen de man, bijgestaan door [minderjarige 1], zodat zij voor haar vader kan tolken aangezien het niet is gelukt een tolk te regelen. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad. Hoewel correct opgeroepen, is de vrouw niet verschenen.

1.3

Voor deze mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige 1] gesproken over het verzoek. Ook [minderjarige 2] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vindt, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest.

2.2

Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.

2.3

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de man.

2.4

Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3 Het verzoek

3.1

De man verzoekt hem, uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming te verlenen om een identiteitsbewijs/paspoort aan te vragen voor [minderjarige 1] en voor [minderjarige 2].

3.2

De vrouw heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, geen verweer gevoerd.

3.3

Op het standpunt van de man en het advies van de Raad wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet (hierna Pw) wordt bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Blijkens het tweede lid van voormeld artikel kan, indien bij de gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen beide personen beproeft. Ingevolge het vijfde lid van artikel 34 Pw geeft de rechter onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt

4.2

Door de Raad is, kort samengevat, naar voren gebracht dat het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belangrijk is dat zij een geldig identiteitsbewijs hebben. Omdat de vrouw geen vervangende toestemming geeft, adviseert de Raad de rechtbank vervangende toestemming te verlenen, zodat de man een identiteitsbewijs voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan kan vragen.

4.3

De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de identiteitsbewijzen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 16 juni 2026 verlopen zijn. De man heeft geprobeerd om toestemming van de vrouw te verkrijgen, zodat hij identiteitsbewijzen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan kan vragen. Dit is tot op heden niet gelukt. Echter hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een geldig legitimatiebewijs nodig om zich te kunnen identificeren. Nu [minderjarige 1] heeft verteld dat ze volgend jaar met school naar Londen gaat en ook graag haar oom in Londen zou willen bezoeken, heeft ze een paspoort nodig. Nu blijkt dat er geen verweer wordt gevoerd zal de rechtbank het verzoek tot vervangende toestemming voor de aanvraag van een identiteitsbewijs, te weten een paspoort, toewijzen voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2].

Uitvoerbaar bij voorraad

4.4

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

verleent aan [de man], geboren te [geboorteplaats 3] (Eritrea) op [geboortedag 3] 1973, toestemming, welke de toestemming van de vrouw vervangt, tot het aanvragen van een paspoort voor de minderjarigen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] (Ethiopië) op [geboortedag 1] 2011 en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2016;

5.2

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 in aanwezigheid van drs. Swint, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.