Verbintenissenrecht
Vordering tot ontruiming bedrijfsruimte wegens huurachterstand toegewezen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6831 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 8 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbzwb-2026-6831
Zaakgegevens
Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Datum publicatie
- 24 juli 2026
- Zaaknummer
- 12234973 VV EXPL 26-39 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6831
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vordering tot ontruiming bedrijfsruimte wegens huurachterstand toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12234973 \ VV EXPL 26-39
Vonnis in kort geding van 8 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
wonende te [plaats 1] (nb ),
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. M.C.E. Wirken,
tegen
1 [gedaagde partij 1] ,
2. de besloten vennootschap [gedaagde partij 2] B.V.,
wonende en gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] en afzonderlijk [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ,
[gedaagde partij 1] procederend in persoon, mede namens [gedaagde partij 2] verschenen.
1 De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om vorderingen van [eisende partij] tot ontruiming van de aan [gedaagde partijen] verhuurde bedrijfsruimte, betaling van huurachterstand van € 10.000,00 en een maandelijkse gebruiksvergoeding tot de ontruiming. [gedaagde partijen] betwist de vordering tot ontruiming omdat hij geen vergunning heeft gekregen van de gemeente voor uitoefening van een restaurant in het gehuurde en daarom geen inkomsten heeft. [gedaagde partijen] verzoekt om uitstel van betaling omdat hij dit jaar een positieve uitspraak van de Raad van State verwacht, waarna de gemeente de achterstand gaat betalen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eisende partij] toe. Hierna zal worden uitgelegd waarom.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juni 2026 met producties 1 tot en met 7;
- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3 De feiten
[eisende partij] heeft eerder met de voormalige huurders [persoon 1] en [persoon 2] (hierna: [persoon 1] en [persoon 2] ) een huurovereenkomst gesloten voor bedrijfsruimte gelegen aan [adres] .
Wegens een huurachterstand is [eisende partij] een procedure gestart tegen [persoon 1] en [persoon 2] bij de kantonrechter te Breda. [gedaagde partij 1] en de besloten vennootschap [gedaagde partij 2] BV (die nu failliet is) zijn ook in die procedure betrokken omdat zij verwikkeld waren in de huurovereenkomst.
Tijdens de mondelinge behandeling van 9 september 2025 is een regeling getroffen die is vastgelegd in een proces-verbaal. In het proces-verbaal is vastgelegd dat de huurovereenkomst tussen [eisende partij] en [persoon 1] en [persoon 2] wordt ontbonden en dat [gedaagde partij 1] € 100.000,00 aan huurachterstand en € 5.000,00 aan proceskosten zal betalen. Daarnaast is overeengekomen dat [eisende partij] met [gedaagde partijen] een huurovereenkomst sluit voor de bedrijfsruimte aan [adres] voor zes maanden voor € 2.500,00 per maand.
[eisende partij] en [gedaagde partijen] hebben een huurovereenkomst getekend voor de bedrijfsruimte aan [adres] voor de duur van zes maanden, van 9 september 2025 tot en met 8 maart 2026, en een huurprijs van € 2.500,00 per maand. Op de huurovereenkomst zijn algemene bepalingen van toepassing verklaard.
Bij brief van 24 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eisende partij] [gedaagde partij 1] aangeschreven tot betaling van huurachterstand en inlevering van de sleutels per 8 maart 2026 omdat de huurovereenkomst niet wordt verlengd door [eisende partij] . [gedaagde partij 1] is niet tot betaling en niet tot inlevering van de sleutels overgegaan.
4 Het geschil
[eisende partij] vordert dat [gedaagde partijen] wordt veroordeeld:
I. om binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis, de bedrijfsruimte gelegen aan [adres] te ontruimen en leeg en bezemschoon onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking aan [eisende partij] te stellen;
II. tot betaling van de achterstallige huur van € 10.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele betaling;
III. een maandelijkse gebruiksvergoeding ter hoogte van de huurprijs van € 2.500,00 per maand te betalen, te rekenen vanaf 8 maart 2026 tot de dag waarop [eisende partij] weer de beschikking over het gehuurde verkrijgt, een ingegane maand voor een volle gerekend;
IV. in de kosten van de procedure.
[eisende partij] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde partijen] is tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door een huurachterstand van € 10.000,00 te laten ontstaan tot 8 maart 2026. Daarnaast is [gedaagde partijen] ten onrechte niet tot ontruiming van het gehuurde overgegaan na de geëindigde huur per 8 maart 2026. [eisende partij] heeft recht en belang bij ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand en de maandelijkse gebruiksvergoeding. Het spoedeisend belang van [eisende partij] bij de vordering tot ontruiming vloeit voort uit de aard ervan en omdat de huurachterstand nauw verwant is met de hoofdvordering is er ook voor de huurachterstand sprake van spoedeisend belang.
[gedaagde partijen] voert als verweer het volgende aan. De gemeente Oosterhout heeft ten onrechte geen vergunning verleend voor het restaurant en de gemeente negeert daarom het rechtssysteem. [gedaagde partij 1] heeft zich aangemeld bij de Raad van State en verwacht dat er dit jaar een positieve uitspraak komt van de Raad van State waarna hij verwacht het restaurant te kunnen openen, dan inkomsten te hebben en dat de gemeente dan de achterstand gaat betalen. [gedaagde partij 1] heeft een baan, maar momenteel niet de financiële middelen om de achterstand en lopende betalingsverplichtingen aan [eisende partij] te voldoen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Vordering tot ontruiming
Het spoedeisend belang van [eisende partij] bij de vordering tot ontruiming vloeit voort uit de aard van de zaak. [gedaagde partijen] heeft het spoedeisende belang overigens ook niet weersproken.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Partijen hebben een tijdelijke huurovereenkomst voor zes maanden gesloten, namelijk tot en met 8 maart 2026 (productie 2 dagvaarding). [eisende partij] verblijft daarom na de per 9 maart 2026 geëindigde huurovereenkomst zonder recht of titel in het gehuurde. Omdat er geen huurovereenkomst meer bestaat, heeft [eisende partij] de bevoegdheid om zijn eigendom op te eisen door ontruiming te vorderen. Daarbij komt dat de huurachterstand van € 10.000,00 een ernstige tekortkoming is die in een bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal rechtvaardigen. Het belang van [eisende partij] bij ontruiming weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde partijen] bij behoud van het gehuurde. De huurovereenkomst is namelijk geëindigd en er is verder onvoldoende uitzicht op betaling van de vordering. [gedaagde partijen] verwijst naar een te verwachten uitspraak van de Raad van State, maar er heeft volgens [gedaagde partijen] nog geen zitting plaatsgevonden bij de Raad van State en volstrekt onduidelijk is wat de uitkomst van de uitspraak van de Raad van State zal zijn. De vordering tot ontruiming zal daarom worden toegewezen binnen de termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis zoals gevorderd is en ook gebruikelijk is.
Geldvorderingen
Voorop gesteld wordt dat voor geldvorderingen in kort geding slechts plaats is als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Bij de afweging van de belangen van partijen wordt mede betrokken het risico dat niet kan worden terugbetaald, in het geval de veroordeling in kort geding geen stand houdt.
[eisende partij] vordert betaling van een bedrag van € 10.000,00 aan huurachterstand, hetgeen betaling van een geldsom is. [gedaagde partijen] erkent de verschuldigdheid van dit bedrag en omdat niet gesteld of gebleken is dat er een restitutierisico is, heeft [eisende partij] voldoende spoedeisend belang bij toewijzing van het bedrag van € 10.000,00 aan huurachterstand. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen.
De door [eisende partij] gevorderde maandelijkse gebruiksvergoeding van € 2.500,00 per maand, die onweersproken is, zal ook worden toegewezen tot de dag waarop [eisende partij] weer de beschikking krijgt over het gehuurde.
Proceskosten
[gedaagde partijen] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
156,74 |
|
|
- griffierecht |
€ |
265,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
577,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.142,74 |
6 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde partijen] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken eigendom van [eisende partij] zijn, en leeg en bezemschoon onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eisende partij] te stellen,
veroordeelt [gedaagde partijen] om te betalen aan [eisende partij] :
a. a) een bedrag van € 10.000,00 aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van volledige voldoening,
b) een bedrag van € 2.500,00 per maand aan gebruiksvergoeding ter hoogte van de geldende huurprijs, vanaf 9 maart 2026 tot de dag waarop [eisende partij] weer de beschikking over het gehuurde verkrijgt, een ingegane maand voor een volle gerekend,
veroordeelt [gedaagde partijen] in de proceskosten van € 1.142,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boeder en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.