Materieel strafrecht

Onttrekking aan het opzicht én aan het gezag, overmacht (verworpen), artikel 5a WVW gevaar voor anderen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 september 2026

Zaakgegevens

Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
16 september 2026
Datum publicatie
16 september 2026
Zaaknummer
02-213048-25
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:8975
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Onttrekking aan het opzicht én aan het gezag, overmacht (verworpen), artikel 5a WVW gevaar voor anderen

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummers: 02-213048-25 en 02-189392-25 (gevoegd ter terechtzitting)

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 september 2026

[verdachte] ,

geboren te [plaats] op [geboortedag 1] 1981,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

raadsman mr. B. Vermeirssen, advocaat te Kattendijke.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak met parketnummer 02-189392-25 op 22 september 2025 naar deze kamer verwezen.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder de voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlasteleggingen

De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van half juni 2025 tot en met begin oktober 2025:

- Parketnummer 02-213048-25:

  1. zijn zoon heeft onttrokken aan het bevoegde gezag voor een periode van ruim twee weken;

  2. zich heel gevaarlijk heeft gedragen op de weg, ten laste gelegd in twee juridische varianten;

  3. medewerkers van de jeugdzorginstelling waar zijn zoon verbleef heeft bedreigd;

  4. een deur van het politiebureau en een portier van een politieauto heeft vernield

  5. [slachtoffer 1] op straat bij de hals heeft gepakt en heeft bedreigd, ten laste gelegd in twee juridische varianten;

  6. [slachtoffer 2] heeft beledigd in het openbaar;

- Parketnummer 02-189392-25

De nieuwe partner van zijn ex-vrouw heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 en 6 van parketnummer 02-213048-25 heeft gepleegd, alsmede de onder parketnummer 02-189392-25 ten laste gelegde mishandeling.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van parketnummer 02-213048-25 niet voor alle feiten tot een bewezenverklaring kan komen en bepleit vrijspraak van het volgende:

  • Feit 1, omdat geen sprake was van opzet op het onttrekken aan het gezag of opzicht; verdachte of moeder haalden hun zoon wel vaker op en dat was nooit een probleem. Ook is vrijspraak bepleit voor het onderdeel betreffende de onttrekking aan het gezag (van moeder).

  • Feit 2 primair, nu er geen sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander; eerder voor verdachte zelf.

  • Feit 4, voor zowel de schuifdeur van het bureau als het portier van de auto bestaat te veel twijfel. Ten aanzien van de schade aan het portier is onder andere naar voren gebracht dat het kenteken in de aangifte en het kenteken van de politieauto op de foto’s bij de aangifte niet overeenkomen, zodat niet duidelijk is van welke vernieling aangifte wordt gedaan.

  • Feit 5, zowel primair als subsidiair, omdat er te veel twijfel bestaat over hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen en omdat de getuige niet betrouwbaar is.

  • Feit 6, wegens onvoldoende bewijs.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Parketnummer 02-213048-25

- Feit 1

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte op 24 juni 2025 zijn zoon heeft opgehaald bij de opvanglocatie in [plaats 1] waar hij op basis van de beschikking van de kinderrechter

van 30 mei 2025 verbleef. Daarbij waren alle spullen van de zoon meegenomen. Hierna heeft de opvanglocatie de zoon niet meer gezien. Op bankafschriften van de zoon is te zien dat er met zijn pinpas op 28 juni 2025 is gepind in [plaats 2] in België.

In de beschikking van de kinderrechter van 25 juni 2025 op het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp is opgenomen dat uit het verzoek van de GI volgt dat verdachte naar de instelling is gekomen op 24 juni 2025 en dat hij [zoon verdachte] met al zijn spullen heeft meegenomen naar een onbekende locatie, en dat verdachte de volgende dag telefonisch contact opnam met de GI en heeft gezegd dat hij niet ging zeggen waar zijn zoon was.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op de hoogte was van de beslissing van de kinderrechter. Hij heeft zijn zoon opgehaald bij de instelling om, naar eigen zeggen, met hem op vakantie te gaan. Hij heeft bij de instelling gemeld dat ze weggingen. Dat was volgens verdachte akkoord, want hij haalde zijn zoon wel vaker op en er kon ook gemeld worden als je op vakantie ging. Er werd dan gevraagd wanneer de zoon weer terug zou komen. Ze zijn na het ophalen naar België gegaan voor een vakantie.

Wat er ook zij van de verklaring van verdachte over de (impliciete) toestemming om met zijn zoon bij de opvanglocatie te vertrekken, de omstandigheden dat bij vertrek vrijwel alle spullen werden meegenomen, dat hij de volgende dag niet wilde zeggen waar zijn zoon was en dat verdachte zijn zoon niet heeft teruggebracht bij de opvanglocatie vormen het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zijn zoon opzettelijk heeft onttrokken aan het wettig opzicht dat op basis van de genoemde beslissing van de kinderrechter werd uitgeoefend door de opvanglocatie.

De volgende vraag is of verdachte hiermee zijn zoon ook heeft onttrokken aan het gezag van moeder. Zij had ten tijde van de uithuisplaatsing ook het gezag over haar zoon en kon dat door het handelen van verdachte niet meer uitoefenen. Zo is verdachte bijvoorbeeld met hun zoon vertrokken naar het buitenland, waar ook toestemming van haar voor nodig was. Uit de aangifte van moeder blijkt dat zij deze toestemming niet gegeven heeft. Het verweer van de verdediging dat verdachte zijn zoon niet heeft onttrokken aan het gezag door moeder omdat de zoon na de uithuisplaatsing in een opvang verbleef, wordt daarom verworpen.

- Feit 2

Primair

Over de rit vanaf het adres waar [zoon verdachte] was aangetroffen naar het politiebureau hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] processen-verbaal van bevindingen opgemaakt. Zij reden weg bij de woning in [plaats 3] omstreeks 00:27 uur op 9 juli 2026. [verbalisant 1] was de bestuurder. [verbalisant 2] zat naast [zoon verdachte] . De rechtbank begrijpt op de achterbank van het politievoertuig. Op enig moment zagen de verbalisanten dat verdachte heel dichtbij hen kwam rijden op zijn motor. Zij hebben het rijgedrag van verdachte gedurende deze rit op zijn motor beschreven. Uit deze processen-verbaal blijkt niet van andere weggebruikers. Beoordeeld dient daarom te worden of sprake was van het in het primaire feit ten laste gelegde gevaar ten aanzien van de inzittenden van de politieauto, te weten genoemde verbalisanten en de zoon van verdachte. Uit de processen-verbaal komt naar voren dat op de provinciale wegen richting Terneuzen verdachte met zijn motor snel het politievoertuig is genaderd en daar naast is gaan rijden. Vervolgens heeft hij tegen het politievoertuig getrapt. Dat vormde aanleiding voor verbalisant [verbalisant 1] om de optische en geluidsignalen aan te zetten en de snelheid te verhogen tot 180 kilometer per uur. Ook verdachte versnelde en bleef naast het politievoertuig rijden. Op enig moment in de stad Terneuzen zagen zij verdachte niet meer achter zich rijden. De rechtbank is van oordeel dat dit rijgedrag van verdachte in elk geval gevaarlijk was voor zichzelf, nu een motorrijder hierdoor ten val kan komen en een grotere kans op ernstig letsel loopt dan inzittenden van een auto. Afgezien van de zeer hoge snelheid bevatten de processen-verbaal geen aanwijzingen dat het beschreven rijgedrag voor de inzittenden van het politievoertuig, of voor eventuele andere verkeersdeelnemers op dat moment, op enig moment concreet tot een zodanig risicovolle situatie heeft geleid dat er daardoor gevaar voor de dood of voor zwaar lichamelijk letsel ontstond. De rechtbank heeft daar op basis van het dossier dan ook te weinig aanknopingspunten voor.

Nadat het politievoertuig waarin de zoon van verdachte werd vervoerd al bij het politiebureau was aangekomen werd door een andere politie-eenheid, die bestond uit verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , gezien dat verdachte op zijn motor door Terneuzen reed. [verbalisant 4] heeft beschreven dat verdachte in Terneuzen de rotonde waar de Scheldeboulevard, de Churchilllaan, de Willem de Zwijgerlaan en de Van Steenbergenlaan elkaar kruisen, in de tegengestelde richting op reed en daarna afsloeg en met hoge snelheid naar het politiebureau is gereden. [verbalisant 3] heeft over het rijgedrag van verdachte op diezelfde rotonde beschreven dat hij niet de rotonde nam, maar via het fietspad linksaf sloeg Verder beschrijven zij allebei dat verdachte hard reed, maar er is geen indicatie van die snelheid gegeven. Geen van beide verbalisanten maakt melding van andere verkeersdeelnemers. Ook blijkt uit hun verslaglegging niet dat verdachte achter of naast hun politievoertuig reed, maar vóór hen. Voor de verkeersgedragingen in Terneuzen is daarom evenmin duidelijk op welk moment daar een concreet gevaar voor anderen dan verdachte zelf bestond.

Gelet op het voorgaande bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat door de verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde feit.

Subsidiair

De rechtbank acht het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wel wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de onder het laatste gedachtestreepje opgenomen verkeersgedraging. Het gaat dan om de wijze waarop verdachte vanaf de Willem de Zwijgerlaan linksaf de Van Steenbergenlaan in reed. Zoals hierboven opgenomen zijn de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hierover onderling verschillend. Nu beide verbalisanten onderling tegenstrijdig hebben verklaard over de verkeersgedraging van verdachte op dat punt, en verdachte deze verkeersgedraging heeft ontkend, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van deze verkeersgedraging.

- Feit 4

De toegangsdeur van het politiebureau

Uit de aangifte en de werkbon van de reparatie volgt dat de deur was ontzet en niet meer goed sloot op 9 juli 2025. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat de linker schuifdeur deels naar achteren bewoog toen verdachte met zijn handen tegen de deur kwam. Deze bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank voldoende en ook overtuigend om tot een bewezenverklaring te komen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de schade aan de toegangsdeur eerder of later is ontstaan.

Het portier van het politievoertuig

In het proces-verbaal van aangifte van 10 juli 2025 van deze vernieling is opgenomen dat de schade is toegebracht aan een Mercedes met het kenteken [kenteken 1] . Op foto 1 in de bijbehorende fotomap is een politievoertuig van het merk Mercedes te zien met het kenteken [kenteken 2] . Op foto’s 2 tot en met 5 is te zien dat het voertuig schade heeft onder de handgreep van het portier aan de bestuurderszijde.

In het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] op

10 juli 2025 over feit 2 is opgenomen dat het politievoertuig waarin zij op 9 juli 2025 reed het kenteken [kenteken 2] had. Dat komt overeen met het kenteken op de hierboven genoemde foto 1.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat in de aangifte per abuis een onjuist kenteken is opgenomen, en dat het politievoertuig dat in de fotomap is te zien het voertuig is waarin verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reden toen zij de zoon van verdachte naar het politiebureau brachten.

De rechtbank overweegt verder dat verbalisant [verbalisant 2] heeft gezien dat verdachte een trapbeweging maakte naar het politievoertuig toen verdachte met zijn motor naast dat voertuig reed, en dat er een harde klap te horen was door het contact. Ook verbalisant [verbalisant 1] heeft een harde bonk gehoord. Hierna heeft verbalisant [verbalisant 1] haar snelheid verhoogd en de optische en geluidsignalen aangezet. De suggestie van de verdediging dat de verbalisanten de bonk of klap niet gehoord kunnen hebben vanwege deze (geluid)signalen volgt de rechtbank daarom niet. Hetzelfde geldt voor de suggestie dat de zoon van verdachte in het politievoertuig kan hebben geschopt of gebonkt. De verbalisanten maken daar in hun processen-verbaal in het geheel geen melding van, zodat ook deze suggestie onaannemelijk wordt geacht.

Uit de processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] volgt echter dat het trappen tegen en daarmee het beschadigen van het portier van het politievoertuig plaatsvond op de N290 ter hoogte van [plaats 6], gemeente [plaats]. In de tenlastelegging is als pleegplaats alleen opgenomen Terneuzen, zodat de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het feit voor wat betreft de toegangsdeur wettig en overtuigend bewezen, en spreekt de rechtbank verdachte vrij van de beschadiging van het portier van het politievoertuig.

- Feit 5

De rechtbank ziet in het dossier geen grond ter onderbouwing van de stelling van de verdediging dat getuige [getuige] niet betrouwbaar is. De rechtbank ziet verder in de discrepantie tussen de aangifte en de verklaring van deze getuige over de positie van de fiets van verdachte tijdens dit voorval onvoldoende aanleiding om te twijfelen over de betrouwbaarheid van de aangifte, dan wel van de verklaring van de getuige.

Volgens de verdediging verschillen de aangifte en de verklaring van de getuige verder over de manier waarop verdachte aangeefster bij haar keel heeft gepakt. Aangeefster spreekt van het vastpakken met de hand(en) terwijl de getuige heeft verklaard dat verdachte aangeefster met de arm om haar nek pakte. Dit laatste is niet terug te vinden in zowel de verklaring bij de politie als bij de verklaring bij de rechter-commissaris. In beide verklaringen heeft de getuige het over het vastpakken bij de keel van aangeefster met de (rechter)hand. Nu op dit punt geen discrepantie bestaat kan dit ook geen aanleiding zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte of de verklaringen van de getuige.

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

- Feit 6

De rechtbank spreekt verdachte vrij van dit feit wegens het ontbreken van wettig bewijs. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die de aangifte voldoende ondersteunen.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

- Parketnummer 02-213048-25

1
in de periode van 24 juni 2025 tot en met 9 juli 2025 te [plaats 1] , opzettelijk
een minderjarige, [zoon verdachte] , geboren op [geboortedag 2] -2010,
heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en aan
het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende.

2 subsidiair
op 9 juli 2025 te [plaats 6], gemeente [plaats], als bestuurder van een voertuig (motor), daarmee rijdende
op de weg, N290,
- met hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan een politievoertuig heeft
achtervolgt, en
- met hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan naast voornoemd politievoertuig
heeft gereden en vervolgens tegen het politievoertuig heeft getrapt, en
- meermalen een dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden, en
- tegen de rijrichting in heeft gereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die kon worden veroorzaakt.

3
in de periode van 9 juli 2025 tot en met 11 juli 2025 in Nederland,
medewerker(s) van [zorgorganisatie] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,
door die medewerker(s) dreigend de woorden toe te voegen "...desnoods brand ik
van [plaats 4] tot en met [plaats 5] alles en iedereen plat, splijt ik alle schedels open
die ik onderweg tegenkom..." en "...ik zweer je ik kom erachter wie jouw kinderen
zijn of kleinkinderen, of familie of interesseert me niet wie het is maar dan pak ik ze
stuk voor stuk, net zolang tot ik mijn kind terug heb. Is dat duidelijk?" en "maar op een dag ga ik jouw smoelwerk herkennen, en ik kom er hoe dan ook een keer achter en dan staan jullie echt op mijn lijst, of dat het in deze eeuw gaat gebeuren of in de volgende
eeuw maar ik pak jullie allemaal, stuk voor stuk, iedereen die hier aan meewerkt."
en "ik ga mijn zoon vinden/ophalen ongeacht hoeveel slachtoffers ik moet
maken!" en "Ik ga alles in de hens steken...Het maakt me niet uit hoeveel
slachtoffers hierbij vallen!" .

4
op 9 juli 2025 te Terneuzen opzettelijk en wederrechtelijk
een (toegangs)deur die aan de Nationale Politie toebehoorde heeft beschadigd.

5
op 28 september 2025 te [plaats 4] [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] bij haar hals vast te pakken en vervolgens te duwen.

- Parketnummer 02-189392-25

op 14 juni 2025 te [plaats 4] [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3]
- meermaals met een helm tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan, en
- die [slachtoffer 3] bij de keel te grijpen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 naar voren gebracht dat sprake was van overmacht in de zin van een noodtoestand. Verdachte hoorde van zijn zoon dat hij slecht werd behandeld in [speciaal onderwijs] in [plaats 1] . Zo werd hij, anders dan in de rechterlijke beslissing was opgenomen, niet behandeld en kreeg hij geen scholing. Wel werd hij meermaals per dag met veel geweld gefixeerd, aldus verdachte. Verdachte stond voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen: enerzijds de dan gestelde plicht om zijn kind in de opvang te laten, en anderzijds de plicht om goed voor zijn kind te zorgen over wie hij toen nog het gezag had.

Tevens werd door deze omstandigheden zo’n grote psychische druk gelegd op verdachte dat hij daar geen weerstand aan kon bieden en zijn kind heeft opgehaald.

5.2.

Het standpunt van de officier van justitie

Er was geen sprake van overmacht, maar van eigenrichting.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat de feiten en omstandigheden die aan dit verweer ten grondslag zijn gelegd niet overeenkomen met hetgeen naar voren is gebracht in het kader van het bewijsverweer ten aanzien van feit 1. Wat hier ook van zij, de feiten waardoor de overmachtssituatie zou zijn ontstaan, zijn niet voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank het verweer verwerpt.

Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voor de volgens hem te bewijzen feiten aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, waarbij als bijzondere voorwaarden worden gesteld contactverboden met de aangeefsters van de feiten 5 en 6 van parketnummer 02-213048-25.

Voor wat betreft feit 2 van het genoemde parketnummer heeft de officier van justitie een rijontzegging gevorderd van zes maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingehouden is geweest.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit bij oplegging van een gevangenisstraf het onvoorwaardelijke deel gelijk te houden met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Hetzelfde geldt in geval van oplegging van een rijontzegging. Zonder rijbewijs verliest hij zijn werk en daarmee zijn inkomen, wat weer gevolgen zal hebben voor zijn huisvesting en die van zijn zoon. Na een hectische periode hebben verdachte en zijn zoon baat bij rust.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich vorig jaar in een periode van ongeveer drieënhalve maand schuldig gemaakt aan de bewezen verklaarde feiten, gepleegd tegen de achtergrond van een problematische scheiding, de omgang met zijn oudste zoon en getroebleerde verhoudingen met betrokken (jeugdzorg)instanties. Zo heeft verdachte zijn oudste zoon opgehaald uit een jeugdzorginstelling waar deze zoon moest verblijven, en niet teruggebracht. Toen zijn zoon na ongeveer twee weken door de politie op een adres werd aangetroffen en naar het politiebureau werd vervoerd is verdachte op zijn motor gestapt en heeft hij de achtervolging ingezet. Hij is vervolgens op een gevaarlijke manier en met hoge snelheid bij het politievoertuig gaan rijden en heeft – al rijdend - tegen het bestuurdersportier getrapt. Vervolgens heeft hij, aangekomen bij het politiebureau, de toegangsdeur beschadigd.

Daarnaast heeft hij medewerkers bedreigd van een jeugdzorginstelling waar zijn zoon verbleef, en heeft hij de nieuwe partner van zijn ex-vrouw en een vriendin van haar mishandeld.

Deze feiten getuigen van een vergaand gebrek aan respect voor rechterlijke beslissingen en autoriteit en voor de psychische en lichamelijke integriteit van de betrokken aangevers. Daarbij komt dat in de beide gevallen van mishandeling een jong kind daarvan getuige was. In het geval van de nieuwe partner van verdachtes ex-vrouw vond de mishandeling plaats voor de ogen van notabene verdachtes jongste zoontje, die naast zijn stiefvader stond. Op de camerabeelden van het incident is te zien dat hij erg overstuur is door het gewelddadige gedrag van zijn eigen vader. Dat verdachte zijn emoties op dat moment niet onder controle heeft gehouden, rekent de rechtbank hem zwaar aan. Hetzelfde geldt voor de andere mishandeling. De lichamelijk en verstandelijk beperkte dochter van aangeefster moest toezien hoe haar moeder werd aangevallen door verdachte, wat voor haar een angstige ervaring moet zijn geweest.

Uit het strafblad van verdachte van 5 augustus 2026 komt naar voren dat verdachte in 2021 ook al eens is veroordeeld voor een mishandeling. De rechtbank zal hiermee in negatieve zin rekening houden in de bepaling van de strafmaat.

Reclassering Nederland heeft in het adviesrapport van 11 augustus 2026, onder verwijzing naar het op 27 mei 2026 opgemaakte rapport, het volgende naar voren gebracht. Verdachte zegt de overheid en overheidsinstanties te wantrouwen en hij wil geen bemoeienis en begeleiding van de reclassering, de Maatschappelijke en Juridische Dienstverlening en Forensische Zorg Zeeland. Hulpverlening door deze instanties, die in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis was opgelegd, is daarom stopgezet. Het herhalingsgevaar wordt ingeschat op gemiddeld. De reclassering heeft geadviseerd een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Dit laatste omdat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.

Door en namens verdachte is ter terechtzitting naar voren gebracht dat er sinds de beslissing van de kinderrechter van 12 augustus 2026 rust is gekomen in de situatie voor zowel verdachte als zijn zoon. De kinderrechter heeft toen immers beslist dat de zoon bij verdachte mocht wonen. Hij woont daar sinds de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte in augustus 2026 en dat gaat goed. Deze gang van zaken zou ervoor hebben gezorgd dat de boosheid bij verdachte gezakt is. Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij na de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis excuses heeft aangeboden aan alle partijen.

Naar het oordeel van de rechtbank is oplegging van een gevangenisstraf, gelet op de aard en de ernst van de feiten, passend en geboden. De situatie die eerder aanleiding vormde voor de door verdachte gepleegde strafbare feiten lijkt in rustiger vaarwater te zijn gekomen. Gelet op de inhoud van de genoemde beslissing van de kinderrechter is een situatie bereikt waarin de huisvestingssituatie van de oudste zoon naar tevredenheid is van zowel verdachte en zijn zoon, als de ex-vrouw van verdachte. Als verdachte nu terug zou moeten naar de gevangenis zou dat de hele situatie en de daarmee gemoeide belangen weer kunnen doorkruisen. De rechtbank zal daarom het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijkstellen aan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht.

De situatie is nog maar recent stabiel. Mocht er in de komende tijd sprake zijn van een verstoring van de situatie zoals die nu is, dan is het zeker niet ondenkbaar dat verdachte uit boosheid en frustratie vergelijkbare feiten zou kunnen plegen als thans bewezenverklaard. Om verdachte hiervan te weerhouden zal de rechtbank ook nog een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding voor de door de officier van justitie gevorderde langere proeftijd en contactverboden.

Om de ernst van de feiten te benadrukken zal de rechtbank daarnaast een taakstraf opleggen van 80 uur.

In verband met feit 2 subsidiair legt de rechtbank een (deels voorwaardelijke) rijontzegging op. Het rijbewijs van verdachte is eerder in deze procedure al ingehouden geweest voor een maand. Gelet op het belang van verdachte bij het behoud van zijn baan, waarmee is verbonden het behoud van zijn woning en daarmee huisvesting voor hem en zijn zoon, zal de rechtbank het onvoorwaardelijke deel gelijkstellen aan de tijd dat het rijbewijs al was ingehouden. Gelet op de straffen betreffende de bewezen verklaarde misdrijven ziet de rechtbank geen aanleiding om naast de rijontzegging nog een aparte straf op te leggen voor deze overtreding.

7 Het beslag

De verdediging heeft teruggave van het in beslag genomen geldbedrag verzocht. De rechtbank overweegt dat op dit geldbedrag conservatoir beslag rust ten behoeve van een benadeelde partij. De rechtbank kan daarom niet tot teruggave van dit geldbedrag beslissen, omdat met dit conservatoir beslag het geldbedrag gereserveerd blijft voor de uitbetaling van een eventueel toegewezen vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 3] . Gelet op de beslissing hieronder zal het conservatoir beslag daar ook daadwerkelijk voor aangewend worden.

8 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 529,99 voor het feit onder parketnummer 02-189392-25. Dit betreft een deel materiële schade van € 29,99 en een deel immateriële schade van € 500,-.

8.1.

Het standpunt van de verdediging

De vordering voor wat betreft de materiële schade is niet betwist. Voor het immateriële deel is verzocht de vordering te matigen.

8.2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

- Materiële schade

Deze schade is niet betwist en staat in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom in zijn geheel toewijzen.

- Immateriële schade

De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.?
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten een snijwond op het hoofd. Blijkens de bij de vordering gevoegde medische informatie is deze wond gelijmd.

Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Bij letselschade moet daarbij worden gedacht aan de aard en de ernst (waaronder de duur en de intensiteit) van het letsel, de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer.

Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Gelet op dit laatste en op de medische informatie acht de rechtbank toewijzing van de gevorderde immateriële schade billijk tot een bedrag van € 300,-. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

- Conclusie

De rechtbank wijst de vordering toe tot een totaalbedrag van € 329,99.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 14 juni 2025.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 62, 279, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair en 6 ten laste gelegde feiten van parketnummer 02-213048-25;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- Parketnummer 02-213048-25

feit 1: onttrekking van een minderjarige aan het

wettig gezag en aan het bevoegd opzicht;

feit 2 subsidiair: overtreding van artikel 5 van de

Wegenverkeerswet 1995;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het

leven gericht en met zware mishandeling;

feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed

dat aan een ander toebehoort, beschadigen;

feit 5: eenvoudige mishandeling;

- Parketnummer 02-189392-25 eenvoudige mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen, waarvan

38 (achtendertig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair van parketnummer 02-213048-25

- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 subsidiair van parketnummer 02-213048-25 tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 90 (negentig) dagen maanden, waarvan 59 (negenenvijftig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;

Benadeelde partij

T.a.v. parketnummer 02-189392-25

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 329,99 (driehonderdnegenentwintig euro en negenennegentig cent), waarvan € 29,99 (negenentwintig euro en negenennegentig cent) aan materiële schade en € 300,- (driehonderd euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf

14 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 3] , € 329,99 (driehonderdnegenentwintig euro en negenennegentig cent) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 3 (drie) dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Donders, voorzitter,

en mr. L.W. Louwerse en mr. B. Akdikan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 september 2026.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlasteleggingen

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

- Parketnummer 02-213048-25

1
hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2025 tot en met 9 juli 2025 te [plaats 1] en/of
[plaats 3] , gemeente [plaats], en/of [plaats 4] ,
althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal
opzettelijk
een minderjarige, [zoon verdachte] , geboren op [geboortedag 2] -2010,
heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan
het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende;
( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2
hij op of omstreeks 9 juli 2025 te [plaats 6], gemeente [plaats], en/of Terneuzen, in
elk geval in Nederland,
als bestuurder van een voertuig (motor), daarmee rijdende op de weg, zich
opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden
geschonden door:
- met hoge snelheid een politievoertuig te achtervolgen, en/of
- met hoge snelheid naast voornoemd politievoertuig te rijden en/of vervolgens
tegen het politievoertuig te trappen, en/of
- meermalen een dubbele doorgetrokken streep te overschrijden, en/of
- tegen de rijrichting in te rijden, en/of
- over een fietspad te rijden,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 juli 2025 te [plaats 6], gemeente [plaats] en/of Terneuzen, in
elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (motor), daarmee rijdende
op de weg, N290 en/of de Willem de Zwijgerlaan en/of de Van Steenbergenlaan
en/of de Rosegracht,
- met hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan een politievoertuig heeft
achtervolgt, en/of
- met hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan naast voornoemd politievoertuig
heeft gerijden en/of vervolgens tegen het politievoertuig heeft getrapt, en/of
- meermalen een dubbele doorgetrokken streep heeft overschrijden, en/of
- tegen de rijrichting in heeft gereden, en/of
- over een fietspad heeft gereden,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

3
hij meermalen, althans eenmaaml, in of omstreeks de periode van 9 juli 2025 tot en
met 11 juli 2025 te [plaats 5] , gemeente [plaats 5] , en/of [plaats 4] , in elk geval in
Nederland,
medewerker(s) van [zorgorganisatie] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die medewerker(s) dreigend de woorden toe te voegen "...desnoods brand ik
van [plaats 4] tot en met [plaats 5] alles en iedereen plat, splijt ik alle schedels open
die ik onderweg tegenkom..." en/of "...ik zweer je ik kom erachter wie jouw kinderen
zijn of kleinkinderen, of familie of interesseert me niet wie het is maar dan pak ik ze
stuk voor stuk, net
zolang tot ik mijn kind terug heb. Is dat duidelijk?" en/of "maar op een dag ga ik
jouw smoelwerk herkennen, en ik kom er hoe dan ook een keer achter en dan staan
jullie echt op mijn lijst, of dat het in deze eeuw gaat gebeuren of in de volgende
eeuw maar ik pak jullie allemaal, stuk voor stuk, iedereen die hier aan meewerkt."
en/of "ik ga mijn zoon vinden/ophalen ongeacht hoeveel slachtoffers ik moet
maken!" en/of "Ik ga alles in de hens steken...Het maakt me niet uit hoeveel
slachtoffers
hierbij vallen!" en/of "Je lijkt me een geschikte vent maar je werkt mee aan
dit systeem en ik hoop voor je gezondheid dat ik je niet tegenkom!", althans
woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

4
hij op of omstreeks 9 juli 2025 te Terneuzen
opzettelijk en wederrechtelijk
een (toegangs)deur en/of een portier (van een dienstvoertuig), in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Nationale Politie,
toebehoorde
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

5
hij op of omstreeks 28 september 2025 te [plaats 4]
[slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] bij haar nek/hals vast te
pakken en/of vervolgens te duwen;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:

hij in of omstreeks 28 september 2025 te [plaats 4]
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 2] bij de nek/hals vast te pakken en/of dreigend de woorden toe te
voegen "Jij vieze vuile kankerhoer, ik zou niet nog een keer een melding maken
want dan maak ik je kapot.", althans daden en/of woorden van gelijke dreigende
aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

6
hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te [plaats 4]
opzettelijk [slachtoffer 2] , in het openbaar mondeling,
heeft beledigd, door de middelvinger naar haar op te steken en/of haar de woorden
toe te voegen: kankerhoer, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of
strekking;
( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

- Parketnummer 02-189392-25

hij, op of omstreeks 14 juni 2025 te [plaats 4] [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3]
- meermaals, althans eenmaal, met een helm tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan, en/of
- die [slachtoffer 3] bij de keel te grijpen.

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )