Strafrecht overig
Minderjarige verdachte veroordeeld voor (medeplegen) brandstichting aan de woning door middel van het…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 november 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10715 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10715
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 3 november 2026
- Zaaknummer
- 02-000930-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10715
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Minderjarige verdachte veroordeeld voor (medeplegen) brandstichting aan de woning door middel van het plaatsen van vuurwerkbommen. Vordering benadeelde partij deels toegewezen.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-000930-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 november 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [locatie]
raadsvrouw mr. A. Koop-van Vliet, advocaat te Breda.
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 20 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 12 oktober 2024 in [plaats] samen met een of meer anderen een ontploffing heeft veroorzaakt in/bij een woning.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.
Het oordeel van de rechtbank
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Aangezien verdachte ten aanzien van het feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid Sv. De rechtbank acht het feit en overtuigend bewezen, gelet op:
-
de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie op 2 januari 2025 en ter terechtzitting op 20 oktober 2026;
-
het proces-verbaal van aangifte door [aangever] op 13 oktober 2024;
-
het proces-verbaal van bevindingen van de politie van [verbalisant] d.d. 13 oktober 2024 betreffende schade woning;
-
het proces-verbaal van bevindingen door de politie van [verbalisant] betreffende fotobijlagen woning.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 12 oktober 2024 te [plaats] , gemeente Altena,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht door:
meerdere cobra’s, met daaraan meerdere
bevestigde flessen wasbenzine, aan te steken en tegen de voorzijde van een woning (aan
[adres] ) te
zetten ten gevolge waarvan een ontploffing een brand in/ aan een woning
(gelegen aan [adres] ) is ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een woning (aan [adres]
, en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
[persoon] en overige in de woning aanwezige personen,
te duchten was;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank indien zij tot een bewezenverklaring komt het beroep op afwezigheid van alle schuld te honoreren en verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Verdachte heeft, gelet op de omstandigheden waaronder het feit zich heeft voorgedaan, al het redelijkerwijs mogelijke gedaan om te voorkomen dat het feit zou ontstaan. Toen de situatie zich desondanks voordeed, heeft hij bovendien de maximaal te betrachten zorg betracht om te voorkomen dat de gevolgen ernstiger zouden worden. Van verdachte kon onder die omstandigheden redelijkerwijs niet meer worden gevergd.
Dan wel doet de verdediging - naar de rechtbank begrijpt- een beroep op psychische overmacht nu verdachte werd blootgesteld aan een van buiten komende drang die zodanig was dat hij hiertegen tegen geen weerstand kon bieden dan wel hoefde te bieden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat ondanks de betrachten de zorg, het feit uiteindelijk niet is voorkomen – sterker nog – dat verdachte er een eigen bijdrage aan heeft geleverd. Van een zodanige van buiten komende drang is evenmin sprake, nu uit de verklaring van verdachte blijkt dat op voorhand al duidelijk was dat de medeverdachte iets van plan was. Verdachte is hierin mee gegaan zonder hij hiertoe – onder bedreiging – gedwongen werd. Voor zover de verdediging een beroep doet op psychische overmacht kan de officier van justitie dit niet volgen.
Het oordeel van de rechtbank
Voor zover de verdediging beoogt een beroep de doen op psychische overmacht als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is dit beroep onvoldoende onderbouwd. De raadsvrouw lijkt enkel de vraag op te werpen of er sprake is van psychische overmacht. Het beroep voldoet daarmee niet aan de daaraan te stellen zware eisen zoals vastgelegd in het beoordelingskader van de Hoge Raad (ECLI:HR:2004:AR2067 en ECLI:NL:HR:2011:BR1146) en wordt verworpen.
Voor zover de verdediging een beroep doet op het feit dat verdachte de maximaal te vergen zorg heeft betracht is niet gebleken dat hiervan sprake is. Deze ongeschreven schulduitsluitingsgrond wordt in de jurisprudentie en literatuur nauwelijks genoemd. Waar deze genoemd wordt (bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:1993:AB7899) gaat dit om situaties waarbij sprake is van een sterk gereguleerde omgeving, bijvoorbeeld in het beroeps- en bedrijfsleven. Bij een geslaagd beroep is sprake van een verdachte die zich aan alle regels heeft gehouden en alle van hem te vergen maatregelen heeft getroffen. Daarvan is in het geval van verdachte geen sprake. Verdachte heeft zich juist niet aan alle regels gehouden, maar heeft zelf een combinatie van cobra’s met flessen wasbenzine tegen de gevel van een woning gelegd, wetend dat deze zou worden aangestoken. Van afwezigheid van alle schuld is dan ook geen sprake. Ook dit beroep wordt verworpen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 62 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van één jaar, met daaraan de algemene voorwaarde verbonden. Daarnaast vordert de officier van justitie om aan verdachte op te leggen een werkstraf van 120 uren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging af te zien van het opleggen van (deels) voorwaardelijke jeugddetentie. Gelet op het aandeel van verdachte in het geheel, zijn persoonlijke omstandigheden en zijn positieve proceshouding, heeft de verdediging verzocht een taakstraf op te leggen van 120 uren, waarvan 60 uur voorwaardelijk. Daarnaast heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
Verdachte heeft zich samen met een ander of anderen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij een woning. Verdachte was één van de uitvoerders. Hij is samen met een ander naar de woning toegegaan en heeft één van de twee vuurwerkbommen voor de woning gelegd. Vervolgens zijn de twee vuurwerkbommen aangestoken. Door de kracht van de explosie en de daaropvolgende brand is forse schade ontstaan op de benedenverdieping van de woning.
Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft vaak tot doel om personen te intimideren. Het is een groot en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke feiten raken niet alleen aan de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank acht deze vorm van brandstichting een zeer ernstig feit. Niet alleen vanwege de schade die wordt aangericht aan en in de woning waarbij er spullen worden vernield, maar ook doordat het gevoel van veiligheid van de bewoners blijvend en in vergaande mate wordt aangetast, zoals namens aangeefster in haar slachtofferverklaring ter terechtzitting zeer treffend is verwoord. Zij en haar gezin hebben tot op de dag van vandaag last van angsten en gevoelens van onveiligheid. Het heeft bovendien een grote impact op het gehele gezin gehad, nu zij het gevoel hebben dat buurtbewoners denken dat het gezin in het criminele circuit verkeert.
Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij erger wilde voorkomen, maar dit heeft hem er niet van weerhouden het pakket alsnog neer te leggen, met alle gevolgen van dien. Van verdachte had mogen verwacht dat hij, in plaats van het pakket neer te leggen, anders had gehandeld en zich had onthouden van zijn handelen. Dat hij naar eigen zeggen erger wilde voorkomen, doet daar niet aan af. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.
De persoon van de verdachte
Verdachte heeft een blanco strafblad. Hij heeft vanaf het begin af aan openheid van zaken gegeven over zijn aandeel in het strafbare feit. Ook heeft verdachte zijn spijt betuigd en excuses aangeboden aan het slachtoffer tijdens een mediationgesprek en deze spijtbetuiging is op de rechtbank en op het slachtoffer oprecht overgekomen.
Verdachte, ten tijde van het feit 17 jaar oud, heeft 2 dagen in voorarrest gezeten en heeft zich in het kader van een schorsing van zijn voorlopige hechtenis tot aan de zitting aan verschillende bijzondere voorwaarden moeten houden, waaronder een huisarrest en het volgen van aanwijzingen door de jeugdreclassering. Hij heeft zich hier goed aan gehouden. Verdachte heeft op dit moment zijn leven op orde. Hij heeft een full-time baan, een vriendin en doet vrijwilligerswerk. De rechtbank neemt dit in haar overweging in het voordeel van de verdachte mee.
Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 12 oktober 2026 volgt – onder meer – dat het recidiverisico laag wordt ingeschat. De Raad heeft geen zorgen over verschillende domeinen. De Raad heeft vanwege de ernst van het feit en de maatschappelijke impact een voorwaardelijke jeugddetentie overwogen, maar acht dit niet passend nu verdachte zich positief heeft ingezet en hij zich al langere tijd aan de bijzondere vooraarden houdt, waaronder een huisarrest en begeleiding van de jeugdreclassering. Daarnaast is sprake van het overschrijden van de redelijke termijn, binnen welke termijn verdachte zich positief heeft ontwikkeld. Nu de Raad wel een maatschappelijk signaal wil afgeven en verdachte de consequenties van zijn gedrag willen laten ervaren, adviseert de Raad een deels voorwaardelijke werkstraf en ziet vanwege het lage recidiverisico geen aanleiding om bijzondere voorwaarden hieraan te verbinden, noch voor het opleggen van (verder) toezicht van de jeugdreclassering.
De jeugdreclassering heeft ter zitting hierop aangevuld dat er sprake is van een goede samenwerking met de verdachte. Hij houdt zich aan alle regels en afspraken. Er is veelvuldig met hem gesproken over het feit. Verdachte is doordrongen van de ernst ervan en begrijpt inmiddels hoe hij voortaan anders moet handelen. De jeugdreclassering ziet – met de Raad – geen reden om aan te nemen dat er gevaar voor herhaling is.
De strafoplegging
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van verdachte. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat voor een feit als het onderhavige in beginsel niets anders passend is dan een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Niet alleen omdat de ernst van het feit dit vraagt, maar juist om een preventieve werking te laten uitgaan naar anderen. De rechtbank houdt bij de straftoemeting in strafverminderende zin rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de deels voorwaardelijke jeugddetentie zoals door de officier van justitie is geëist passend en geboden is. De rechtbank zal aan verdachte dan ook opleggen een jeugddetentie van 62 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van één jaar.
Teneinde de ernst van het feit te benadrukken, legt de rechtbank naast een voorwaardelijke jeugddetentie ook een onvoorwaardelijke straf in de vorm van een werkstraf op van 80 uren te vervangen door 40 dagen vervangende jeugddetentie. Hier komt de rechtbank wel tot een lagere werkstraf dan geëist, omdat de rechtbank rekening houdt met het betaalde- en vrijwilligerswerk dat verdachte inmiddels verricht, hetgeen de maatschappij ook ten goede komt.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7 De vorderingen van de benadeelde partijen
De rechtbank overweegt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon (vgl. Hoge Raad 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465).
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
[persoon]
De benadeelde partij [persoon] vordert voor het feit een schadevergoeding van
€ 7.605,00 bestaande uit € 105,00 materiële schade en € 7.500,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Materieel
Het materiële schadebedrag van € 105,- bestaat uit therapiekosten. Dat de gemaakte kosten aan energetische therapie gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen blijkt niet voldoende uit de bij het verzoek tot schadevergoeding overgelegde bescheiden. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op deze materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Immaterieel
De benadeelde partij is ’s avonds laat, in haar eigen woning, geconfronteerd met een enorme explosie, doordat tegen haar voordeur, binnen enkele meters van de plek waar zij zat, vuurwerkbommen tot ontploffing zijn gebracht, waarna er brand aan de voordeur en in de hal van de woning is ontstaan. Op dat moment waren ook haar twee kinderen thuis en ontstond een enorm beangstigende en chaotische situatie. Dit heeft een enorme impact gehad op de benadeelde partij waar zij tot op de dag van vandaag last van heeft. Nog steeds heeft zij angst dat dit opnieuw zal gebeuren. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor benoemd, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon dient te worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 3.500,00 billijk.
De rechtbank zal dat bedrag daarom toewijzen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen.
[benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert voor het feit een schadevergoeding van € 5.051,99 bestaande uit € 51,99 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Materieel
De materiële schade van € 51,99 bestaat uit aanschafkosten van een beveiligingscamera. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en komen de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegekend.
Immaterieel
De benadeelde partij heeft gesteld dat hij thuis kwam vlak nadat de ontploffing had plaatsgevonden en brand in en aan zijn woning was ontstaan. De benadeelde partij trof zijn gezin aldaar angstig en in paniek aan. Deze situatie heeft bij de benadeelde partij geleid tot boosheid, verdriet en spanningen thuis. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het een grote impact op de benadeelde partij moet hebben gehad om zijn gezin in een dergelijke situatie aan te treffen, is de rechtbank van oordeel dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij niet zo voor de hand liggen dat zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de benadeelde partij op het moment van de ontploffing zelf niet thuis was. Ook de directe gevolgen voor zijn vrouw en kinderen die op het moment van de ontploffing wel thuis waren, en waarmee de benadeelde partij werd geconfronteerd, maken dit oordeel niet anders. Nu psychisch letsel evenmin kan worden vastgesteld, komt de rechtbank niet tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding aan de benadeelde partij. De rechtbank zal de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering, zodat de benadeelde dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen.
[benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert voor het feit een schadevergoeding van
€ 7.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde is ’s avonds laat, in zijn woning, geconfronteerd met een enorme explosie, doordat tegen de voordeur vuurwerkbommen tot ontploffing zijn gebracht, waarna er brand aan de voordeur en in de hal van de woning is ontstaan. De benadeelde partij bevond zich op dat moment in zijn slaapkamer welke zich boven de voordeur bevindt. Direct na de knallen is de benadeelde partij naar beneden gerend en trof hij zijn moeder in paniek aan, terwijl zij de brand probeerde te blussen. Deze situatie heeft een enorme impact op hem gehad. Hij heeft er angsten aan over gehouden en de ontploffing is nog steeds een emotioneel beladen onderwerp voor hem. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor benoemd, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon dient te worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 3.500,- billijk.
De rechtbank zal dat bedrag daarom toewijzen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen.
[benadeelde 3]
De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert voor het feit een schadevergoeding van €5.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde is ’s avonds laat, in haar woning, geconfronteerd met een enorme explosie, doordat tegen de voordeur vuurwerkbommen tot ontploffing zijn gebracht, waarna er brand aan de voordeur en in de hal van de woning is ontstaan. De benadeelde partij bevond zich op dat moment in de woning en trof haar moeder na de explosie in paniek aan terwijl zij de brand probeerde te blussen. Deze situatie heeft een enorme impact op haar gehad. Zij is tot op de dag van vandaag schrikachtig en gevoelens van angst en onveiligheid overheersen. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor benoemd, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 3.500,- billijk.
De rechtbank zal dat bedrag daarom toewijzen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen.
Schadevergoedingsmaatregel, wettelijke rente en hoofdelijkheid
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen bedragen toewijzen vanaf 12 oktober 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit feit samen met een of meer anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht allen aansprakelijk zijn voor de gehele schade. De rechtbank zal daarom de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald en andersom.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77x, 77y, 77z, 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
Strafoplegging
-veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 62 (tweeënzestig) dagen waarvan 60 (zestig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 (één) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;
- bepaalt dat de voorwaardelijke jeugddetentie niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 (tachtig) uren te vervangen door 40 (veertig) dagen jeugddetentie;
Benadeelde partijen
[persoon]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [persoon] van
€ 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon] , € 3.500,00 aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1]
van € 51,99 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 1] € 51,99 aan materiële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2]
van € 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 2] € 3.500,00 aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 3]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3]
van € 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 3] € 3.500,00 aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Tempel, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en mr. J van Riet, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van L.P.C. Akkermans-Bruijs, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 november 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te [plaats] , gemeente Altena,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht door:
een of meerdere cobra’s, althans zwaar vuurwerk, met een daaraan een of meerdere
bevestigde flessen wasbenzine, althans een brandbare/ brandversnellende stof, in
elk geval (een) stof(fen)/voorwerp(en) en/of een combinatie van
stoffen/voorwerpen die tot ontploffing kunnen komen,
met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding te
brengen en tegen de (voor)deur aan de voorzijde van een woning (aan
[adres] ) te gooien en/of tegen/bij die (voor)deur/woning te
plaatsen/zetten
ten gevolge waarvan een ontploffing en/of een brand in/bij/aan een woning
(gelegen aan [adres] ) is ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een woning (aan de [adres]
14) en/of de zich in de woning en/of zich in de nabijheid van die woning
bevindende goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
[persoon] en/of overige in of rondom de woning aanwezige perso(o)n(en),
te duchten was;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van
Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )