Strafrecht overig

Gedeeltelijke terugverwijzing gerechtshof na eerste aanleg. Vrijspraak verdenking aanranding. Aangeefster…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
02-091888-23
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10716
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gedeeltelijke terugverwijzing gerechtshof na eerste aanleg. Vrijspraak verdenking aanranding. Aangeefster heeft wisselend verklaard. Onvoldoende steunbewijs voor tenlastgelegde handelingen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-091888-23

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 november 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,

ingeschreven in de basisregistratie personen op [locatie] ,

raadsman mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is, na terugverwijzing van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 30 mei 2025, inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 20 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Met inachtneming van deze wijziging komt de verdenking er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 februari 2022 tot en met 1 juli 2022 ontucht heeft gepleegd met [aangeefster] .

De volledige tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen.

3 De voorvragen

3.1

De dagvaarding is geldig.

De dagvaarding is geldig.

3.2.

De rechtbank is bevoegd.

De rechtbank is bevoegd.

3.3.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

De raadsman heeft bepleit dat ondanks de overweging van het gerechtshof en artikel 432 Sv, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat vervolging nog steeds in strijd is met het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat het gerechtshof onder verwerping van dit verweer reeds heeft beslist tot terugverwijzing van de strafzaak met betrekking tot feit 2. Gelet op die beslissing is er voor de rechtbank geen ruimte om het verzoek van de verdediging tot een niet-ontvankelijkheidsverklaring van het Openbaar Ministerie op hetzelfde verweer alsnog te beoordelen. De

rechtbank laat dit verzoek daarom buiten bespreking.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlaste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert dit op het informatief gesprek met [aangeefster] , haar geboorteakte, het Whatsappgesprek met [persoon] , het studioverhoor van [aangeefster] , het verhoor bij de rechter-commissaris, de aangifte door jeugdzorg en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] bij de politie.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlaste gelegde feit, nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen bij gebrek aan zowel steunbewijs als overtuigend bewijs.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijs in zedenzaken

In zedenzaken spelen de feiten zich doorgaans tussen twee personen af, buiten het zicht van anderen. In de kern gaat het vaak om het woord van de aangeefster tegen het woord van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak. De belastende verklaring van aangeefster over wat er zich heeft afgespeeld tussen haar en de verdachte staat immers tegenover de ontkennende verklaring van verdachte.

De rechtbank stelt voorop dat volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling betreft de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. De rechtbank mag daarom niet tot een bewezen- verklaring komen wanneer de door de aangeefster genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan evenwel worden afgeleid dat bij zedenzaken, waar het dus veelal gaat om het woord van de aangeefster tegen dat van de verdachte, niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, maar dat het afdoende is indien de verklaring van de aangeefster op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen die verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.

Het voorgaande betekent ook dat de rechtbank in de eerste plaats de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster zal moeten beoordelen en daarnaast zal moeten bepalen of voor de beweringen van aangeefster voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.

De rechtbank neemt in aanmerking dat bepaalde onderdelen zoals die zijn tenlastegelegd terugkeren in de afgelegde verklaringen van aangeefster in het informatieve gesprek en in de daaropvolgende verklaringen. Ook verklaren [getuige 1] en [getuige 2] bij de politie over wat aangeefster hen heeft verteld over de gebeurtenissen op belangrijke punten gelijkluidend. Tot slot is er het whatsapp gesprek tussen aangeefster en de moeder van verdachte (‘ [persoon] ’), waarbij aangeefster op vragen van [persoon] aangeeft dat verdachte haar inderdaad gevingerd heeft. De rechtbank constateert echter dat ten aanzien van het door aangeefster beschreven onderdeel “vingeren” zij wisselend heeft verklaard, met name over de exacte handelingen die zouden hebben plaatsgevonden en hoe vaak. Daarbij komt dat de verklaringen op dit punt niet nader worden ondersteund door andere, voldoende zelfstandige bewijsmiddelen. Daar waar [getuige 1] een eigen waarneming heeft gedaan (het geven van een ‘tets’ op de kont door verdachte aan aangeefster), is die eigen waarneming niet voldoende om daaraan een ontuchtig karakter te geven, of om daaruit het steunbewijs voor de overige tenlastegelegde handelingen te kunnen opmaken.

Gelet op de wisselende verklaringen over de exacte handelingen van het vingeren en het ontbreken van voldoende onafhankelijk steunbewijs, acht de rechtbank het bewijs voor het tenlastegelegde onvoldoende.

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet anders dan tot het oordeel komen dat er onvoldoende bewijs is voor het feit. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan en zal verdachte daarvan vrijspreken.

5 De vordering(en) van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 6.000,00 aan immateriële schade.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

6 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [aangeefster] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. S. Tempel en mr. J van Riet, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van L.P.C. Akkermans-Bruijs, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 3 november 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2022 tot en
met 1 juli 2022 te [plaats] , in elk geval in Nederland,
met [aangeefster] , geboren op [datum] 2008, die toen de leeftijd van
zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
-het betasten van haar billen en/of
-het knijpen in haar borsten en/of
-het zoenen van haar en/of
-het maken van neukbewegingen tegen haar lichaam en/of
-het vingeren in haar vagina althans het brengen van zijn vingers tussen haar schaamlippen;
( art 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht )