Strafrecht overig

Veroordeling voor het opzettelijk in voorraad hebben van zo'n 50 kilogram ketamine, zonder over een daarvoor…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
02-194680-26
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10561
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor het opzettelijk in voorraad hebben van zo'n 50 kilogram ketamine, zonder over een daarvoor benodigde registratie te beschikken. Oplegging van 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats:

Parketnummer: 02-194680-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 november 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] (Spanje),

wonende aan [woonadres] (België),

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [plaats] ,

raadsman mr. B. Çiçek, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 7 juli 2026 opzettelijk ongeveer 50 kilogram ketamine in voorraad heeft gehad, buiten Nederland heeft gebracht, dan wel in die werkzame stof een groothandel heeft gedreven.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde opzettelijk in voorraad hebben van ketamine. Ten aanzien van het ten laste gelegde buiten Nederland brengen van die ketamine, dan wel het drijven van een groothandel in die werkzame stof, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich voor het in voorraad hebben van ketamine aan het oordeel van de rechtbank, met de opmerking dat bij verdachte geen sprake was van vol opzet, maar van voorwaardelijk opzet. Voor het overige sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

Op 7 juli 2026 rijdt een Volkswagen Polo met het Belgische kenteken [kenteken] op de A16 rechts ter hoogte van Hazeldonk. Deze auto wordt door de politie van de weg gehaald en staande gehouden bij een tankstation bij Hazeldonk. Verdachte is op dat moment de bestuurder en enige inzittende van de auto. Op de achterbank van de auto staat een doos. Ook in de kofferbak van de auto staat een doos, welke zichtbaar wordt nadat verdachte de kofferbak opent. Verdachte opent vrijwillig de doos in de kofferbak en hierin zit een blauwe ton. In deze blauwe ton zit een zwarte plastic tas, met daarin verschillende doorzichtige zakken met een witte substantie. In de doos op de achterbank van de auto zit eveneens een blauwe ton, met soortgelijke inhoud. De inhoud van de twee tonnen is getest door Eurofins TMFI. Uit de testresultaten blijkt dat beide tonnen (vrijwel) zuivere ketamine bevatten, zijnde een werkzame stof in de zin van de Geneesmiddelenwet. Het netto gewicht betreft in totaal 50,38 kilogram.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de dozen vervoerde om een vriend een plezier te doen. Hij is naar een parkeerplaats in Utrecht gereden. Daar zijn de dozen door een voor hem onbekende persoon in zijn auto gelegd. Hij heeft de dozen niet opengemaakt en wist niet wat erin zat. De dozen moesten richting België. De vriend voor wie hij dit deed, houdt zich bezig met nepkleding en verdachte dacht dat er nepkleding in de dozen zat.

Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat hij € 200,- zou krijgen voor het vervoeren van de dozen en dat hij deze bij een tankstation bij Hazeldonk moest afgeven aan iemand die naar hem toe zou komen, die hij niet kende. Wie de vriend is voor wie hij dit deed, wil hij niet vertellen uit veiligheidsoverwegingen.

In voorraad hebben van ketamine

De rechtbank is van oordeel dat bij verdachte geen sprake is geweest van vol opzet op het in voorraad hebben van de ketamine, omdat het dossier daarvoor geen aanknopingspunten bevat, maar dat wel sprake is van voorwaardelijk opzet. Uitgaande van de, overigens niet verifieerbare, verklaring van verdachte zou hij voor een vriend tegen betaling van € 200,- twee dozen hebben vervoerd, waarbij hij in de veronderstelling verkeerde dat hierin illegale goederen zaten, te weten nepkleding. De persoon die de dozen in zijn auto zette, kende hij blijkbaar niet en bovendien wist hij niet aan wie hij deze dozen moest afgeven. Onder dergelijke omstandigheden had het op de weg van verdachte gelegen om onderzoek te doen naar wat er daadwerkelijk in de dozen zat. Dit geldt temeer nu verdachte in 2021 en 2025 in België is veroordeeld voor delicten gerelateerd aan de productie van, dan wel de handel in, verdovende middelen en hij zich dus al eerder in ‘deze hoek’ van het criminele circuit heeft begeven. Door dit onderzoek niet te doen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij verdovende middelen zou vervoeren, zoals in dit geval ketamine.

Uitvoeren van ketamine en/of groothandel drijven in die werkzame stof

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het buiten Nederland brengen van ketamine, dan wel het drijven van een groothandel in die werkzame stof. Verdachte zal daarom van die ten laste gelegde handelingen worden vrijgesproken.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 juli 2026 te Breda opzettelijk zonder registratie werkzame stoffen, te weten ongeveer 50 kilogram ketamine, in voorraad heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt te volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk in voorraad hebben van ongeveer 50 kilogram ketamine, zonder over de daarvoor benodigde registratie te beschikken. Ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassing ervan weliswaar onder de Geneesmiddelenwet, maar wordt vaak als drug gebruikt. Ketamine is qua werking vergelijkbaar met harddrugs en is een verslavend middel. Het is algemeen bekend dat drugs en illegaal gebruikte geneesmiddelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en het risico bestaat dat gebruikers hieraan verslaafd raken, met destructieve gevolgen voor hun leven. De handel in dergelijke middelen gaat bovendien veelal gepaard met diverse vormen van zware en georganiseerde criminaliteit, waarbij de drugshandel een belangrijke schakel vormt in de keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ontwrichten. Verdachte heeft met zijn strafbare handelen bijgedragen aan deze nadelige gevolgen.

Uit het strafblad in België van verdachte van 23 juli 2026 blijkt dat hij in 2021 en 2025 is veroordeeld tot werkstraffen voor delicten gerelateerd aan de productie van, dan wel de handel in, verdovende middelen. Er is dus sprake van recidive.

Gelet op de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat alleen een langdurige gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie is. Als de vergelijking wordt getrokken met het aanwezig hebben van ongeveer 50 kilogram harddrugs, is op basis van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting een gevangenisstraf van minimaal 36 maanden het uitgangspunt. De rechtbank sluit niet volledig bij deze oriëntatiepunten aan, omdat de wetgever er tot op heden voor heeft gekozen om het bezit van ketamine, zonder benodigde registratie, niet in de Opiumwet strafbaar te stellen. Daarnaast heeft verdachte niet eerder gedetineerd gezeten. Daar staat tegenover dat verdachte ondanks twee eerdere veroordelingen en dus als ‘gewaarschuwd man’ toch weer in de fout is gegaan. Om te voorkomen dat dit in de toekomst nogmaals gebeurt, acht de rechtbank het noodzakelijk om ook een voorwaardelijk strafdeel op te leggen en daarmee een hogere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf. Deze tenuitvoerlegging zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Riet, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en
mr. S. Tempel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 november 2026.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 7 juli 2026 te Breda

al dan niet opzettelijk

zonder registratie

een of meer werkzame stoffen, te weten ongeveer 50 kilogram ketamine

in voorraad heeft gehad, anderszins buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht

dan wel in die werkzame stoffen een groothandel heeft gedreven.

( art 38 lid 1 Geneesmiddelenwet )