Strafrecht overig
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Wraking · Strafrecht overig
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 september 2022
ECLI:NL:RBZWB:2022:5953 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 26 september 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/wraking/ecli-nl-rbzwb-2022-5953
Zaakgegevens
Op 26 september 2022 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 26 september 2022
- Datum publicatie
- 14 oktober 2022
- Zaaknummer
- C/02/400989 HA RK 22-171
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5953
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
wraking
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Wrakingskamer
Locatie: Breda
zaaknummer: C/02/400989 HA RK 22-171
Beslissing van 26 september 2022 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[naam verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum]
wonende te [straat + huisnummer] , [plaats] ( [land] ),
verder te noemen: verzoeker,
gemachtigde: mr. M. van Stratum, advocaat te ‘s-Gravenhage.
1 Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
-
de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de zaak met parketnummer 02-99700-11:
-
de vonnissen van 8 februari 2022 (van de medeverdachten) in de zaken met nummer 02/993007-14, 02/996017-12 en 02/997001-11;
-
het proces-verbaal van de zitting van 1 september 2022, waar door verzoeker een wrakingsverzoek is gedaan;
-
de schriftelijke reactie van mr. De Boer van 8 september 2022;
-
de schriftelijke reactie van mr. Sterk van 9 september 2022;
-
de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek van 12 september 2022;
-
de ter zitting overhandigde pleitaantekeningen van mr. Van Stratum en de pleitaantekeningen van mr. E.D.I. Martens (officier van justitie).
2 Het verzoek
Het verzoek strekt tot wraking van mr. [voorletters] Sterk en mr. [voorletters] de Boer, in de zitting van 1 september 2022 optredend als respectievelijk voorzitter en lid van de meervoudige kamer - van welke kamer mr Diepenhorst als derde rechter deel uitmaakte - in de zaak met parketnummer 02/99700-11, op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in zijn wrakingsverzoek.
De rechters berusten niet in het verzoek tot wraking.
3 De feiten
In de hoofdzaak wordt verzoeker verdacht van verduistering en valsheid in geschrift.
In het proces-verbaal van 25 januari 2022 is onder meer het volgende opgenomen: “Raadsman: (…) De zaken van de medeverdachten kunnen overigens gewoon afgedaan worden. In deze zaak hebben zich geen benadeelde partijen of slachtoffers gemeld, de redelijke termijn is al geschonden en ik zal er geen punt van maken als deze samenstelling (griffier: mrs. Sterk, Diepenhorst en De Boer) ook de zaak van cliënt gaat behandelen.(…)”;
In het vonnis van 8 februari 2022 in zaaknummer 02/993007-14 is – voor zover relevant – het volgende opgenomen: “(…)De door de officier van justitie benoemde handelingen van verdachte (pagina 36 en 37 van het requisitoir) duiden eerder op terugkerende praktische hand- en spandiensten of simpelweg opvolgen van de opdrachten en verzoeken van vader [naam] .(…)”
In het vonnis van 8 februari 2022 in zaaknummer 02/996017-12 is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“(…)Duidelijk is dat in deze zaak de redelijke termijn in extreme mate is overschreden. De door de verdediging benoemde bijkomende omstandigheden kunnen afzonderlijk noch in samenhang bezien met de overschrijding van de redelijke termijn leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. (…)
De door de officier van justitie benoemde handelingen van verdachte (pagina 37 en 38 van het requisitoir) duiden eerder op ofwel terugkerende praktische hand- en spandiensten, dan wel het in opdracht van [naam] onnadenkend meewerken aan of zich laten lenen voor bepaalde zaken. (…)”
In het vonnis van 8 februari 2022 in zaaknummer 02/997001-11 is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“Duidelijk is dat in deze zaak de redelijke termijn in extreme mate is overschreden, ervan uitgaande dat deze is aangevangen op de door de verdediging genoemde datum van 17 oktober 2012, de dag van de doorzoeking van zijn woning.. De door de verdediging benoemde bijkomende omstandigheden kunnen afzonderlijk noch in samenhang bezien met de overschrijding van de redelijke termijn leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. (…)
De door de officier van justitie benoemde handelingen van verdachte (pagina 36 van het requisitoir) duiden eerder op terugkerende hand- en spandiensten of een simpelweg opvolgen van de opdrachten en verzoeken van vader [naam] . (…)”
In het vonnis van 3 juni 2022 gewezen door mrs. Sterk, Diepenhorst en Dekker is onder meer het volgende opgenomen: “(…)Verdachte heeft op zitting vragen hierover beantwoord, maar (medische) stukken over de huidige gezondheidssituatie van verdachte zijn niet overgelegd. Wat zijn medische situatie precies is, waar hij aan lijdt, hoe lang dit al duurt en wat het uitzicht is op (volledig) herstel is niet duidelijk geworden en in ieder geval niet met medische verklaringen onderbouwd. Daar komt bij dat verdachte desgevraagd aangaf een kippenfarm te runnen in [land] , zodat de rechtbank niet duidelijk is geworden hoe zich dat laat rijmen met zijn gestelde gezondheidstoestand of zijn gestelde betalingsonmacht. Het voorgaande maakt dat de rechtbank het afdoeningsvoorstel niet substantieel heeft kunnen toetsen op meerdere punten. Dit komt onder meer vanwege het gebrek aan objectieve gegevens. Maar ook omdat voor de rechtbank onduidelijk is of, en zo ja in welke mate en met welke afwegingen, door partijen daadwerkelijk rekening is gehouden met in ieder geval twee in het voorstel genoemde omstandigheden. (…)”
4 De gronden van het wrakingsverzoek
Door verzoeker is, kort weergegeven, aangevoerd dat er zwaarwegende aanwijzingen zijn van vooringenomenheid en partijdigheid en dat dat gevoel subjectief gerechtvaardigd is mede in het licht van artikel 6 EVRM. Die omstandigheden bestaan eruit dat de rechters in deze zaak al eerder een oordeel hebben geveld op essentiële punten. Op 25 januari 2022 zijn de zaken van de drie medeverdachten behandeld op zitting en op 8 februari 2022 is in deze zaken vonnis uitgesproken. Dezelfde samenstelling van de meervoudige strafkamer (mrs. Sterk, Diepenhorst en De Boer) heeft in de vonnissen van 8 februari 2022 van de drie medeverdachten reeds een oordeel geveld over de feiten en de hiërarchie doordat de rechtbank feitelijke vaststellingen heeft gedaan aan de hand van de door de officier van justitie voorgestelde bewijsconstructie. Daarnaast is in diezelfde vonnissen door de rechtbank ambtshalve een oordeel geveld over de ontvankelijkheid van de officier van justitie in het licht van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM. Tot slot is in het vonnis van 3 juni 2022 door de rechtbank een oordeel gegeven over de gemaakte procesafspraken tussen verzoeker en de officier van justitie, met name in het kader van hetgeen over de gezondheidssituatie van verzoeker is opgenomen en de eventuele betalingsonmacht van verzoeker.
5 Het standpunt van de rechters
Allereerst voeren de rechters aan dat artikel 513 lid 1 Sv vereist dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. De wrakingsgronden, gebaseerd op de vonnissen van de medeverdachten van 8 februari 2022 voldoen niet aan dit vereiste. Op 25 januari 2022 zijn de zaken van de medeverdachten op zitting behandeld. De zaak van verzoeker is aangehouden wegens ziekte van verzoeker. Op 23 mei 2022 is de zaak van verzoeker hervat. De raadsman heeft ingestemd met hervatting van het onderzoek in de stand van 25 januari 2022. Op dat moment waren de vonnissen van de medeverdachten al bekend bij verzoeker. Bovendien dateren deze vonnissen van ver voor 23 mei 2022. Deze vonnissen kunnen dan ook niet meer op 1 september 2022 ten grondslag worden gelegd aan een wrakingsverzoek.
Inhoudelijk voeren de rechters het volgende aan. Wat de grond betreft die ziet op de vierde alinea onder “4.3 Het oordeel van de rechtbank” in de vonnissen van 8 februari 2022 van de medeverdachten, voeren de rechters aan dat de betreffende passage waar verzoeker naar verwijst geen vaststelling van feiten bevat en dat evenmin in die vonnissen is beoordeeld dat de door de officier van justitie benoemde handelingen een juiste weergave zijn van de inhoud van het strafdossier. In het vonnis is slechts een verdenking tegen verzoeker besproken. Die verdenking is er ook nu nog, dus er is niet vooruitgelopen op een inhoudelijke behandeling. Volgens vaste jurisprudentie is dat mogelijk anders als geoordeeld is over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van verzoeker. Echter is daar in de vonnissen van 8 februari 2022 geen sprake van.
Wat de grond betreft die ziet op de ontvankelijkheid van de officier van justitie voeren de rechters aan door verzoeker weliswaar naar voren is gebracht dat mogelijk een beroep zal worden gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, maar dat verweer is nog niet daadwerkelijk gevoerd in de strafzaak van verzoeker. Als dit verweer wordt gevoerd door verzoeker dan zal dat op zijn merites, aan de hand van de aangevoerde feiten en omstandigheden worden beoordeeld. Er kan dan ook op dit punt geen sprake zijn van vooringenomenheid. Bovendien ontkomen de rechters niet aan het beantwoorden van de voorvragen van 348 Sv.
Het tussenvonnis van 3 juni 2022 bevat geen oordeel over een van de vragen van 348 en 350 Sv, maar bevat het oordeel dat de rechtbank de afdoeningsafspraak niet kan toetsen en dat zij dat daarom verwerpt.
6 Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie, mr. Martens, neemt primair het standpunt in dat het wrakingsverzoek niet tijdig is gedaan, omdat verzoeker ten tijde van contact over de procesafspraken bekend was met de inhoud van de eindvonnissen van 8 februari 2022 van de drie medeverdachten. Tijdens de zitting van 23 mei 2022 is door verzoeker niet verzocht om een verschoning van de rechtbank noch is een wrakingsverzoek gedaan, terwijl op dat moment ook dezelfde voorzitter in de combinatie zat. Verzoeker heeft met het instemmen met de procesafspraken feitelijk bewust een aanmerkelijke kans aanvaard dat de rechtbank bij het meegaan in de procesafspraken ook zal komen tot een veroordeling. Subsidiair neemt de officier van justitie het standpunt in dat geen sprake is van vooringenomenheid van de rechters, omdat door hen geen oordeel is gegeven over het opzet van verzoeker in de eindvonnissen van 8 februari 2022. Bovendien is het niet-ontvankelijkheidsverweer niet door verzoeker gevoerd ter zitting en strookt dat ook niet met het daarna instemmen met procesafspraken. Tot slot ziet de officier van justitie het vonnis van 3 juni 2022 met de afwijzing van de procesafspraken om de reden dat het de rechtbank onduidelijk is wat de beweegredenen zijn om tot deze afspraken te komen als verzoeker de feiten niet wil bekennen en verder geen openheid van zaken wil geven over zijn huidige situatie als een zorgvuldige afweging ter bescherming van verzoeker en niet als vooringenomen.
7 De beoordeling
Beoordelingskader
Op grond van artikel 512 Sv kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelt wraken op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de gronden
Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit geen van de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden, ook niet in onderlinge samenhang bezien, een zwaarwegende omstandigheid als bedoeld in 7.2 worden afgeleid. De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt.
Voordat tot inhoudelijke behandeling van het verzoek kan worden overgegaan, dient te worden beoordeeld of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan. Het verzoek moet op grond van artikel 513 lid 1 Sv worden gedaan, zodra de daaraan ten grondslag gelegde feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Allereerst dient de wrakingskamer dus te beoordelen of verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek voor zover hij zijn verzoek heeft ontleend aan de inhoud van de eindvonnissen van
8 februari 2022 van de drie medeverdachten. Uit de overgelegde stukken volgt immers dat verzoeker en zijn raadsman kort na de gewezen eindvonnissen van 8 februari 2022 overleg hebben gehad en dat zij ook kort na deze eindvonnissen van de inhoud hiervan op de hoogte waren. Op het moment dat de officier van justitie de eindvonnissen aan de raadsman wilde verstrekken gaf de raadsman te kennen dat hij deze al in zijn bezit had, zo is door de officier van justitie onweersproken ter zitting gesteld. Dit betekent dat de raadsman (en dus verzoeker) ruim voor 23 mei 2022, de datum van de zitting omtrent het afdoeningsvoorstel, bekend was met de inhoud van de eindvonnissen van 8 februari 2022 van de medeverdachten. Ook op 23 mei 2022 is geen wrakingsverzoek ingediend door verzoeker. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker voor zover hij zijn wrakingsgronden ontleend aan de vonnissen van 8 februari, hij de kans heeft laten lopen om tijdig een wrakingsverzoek in te dienen. Immers de feiten en omstandigheden waren kort na 8 februari 2022 bij verzoeker bekend en in ieder geval ruim voor de zitting van 23 mei 2022.
De wrakingskamer is gelet op het voorgaande dus van oordeel dat verzoeker
niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek voor zover het verzoek is gebaseerd op de gronden die uit hiervoor genoemde eindvonnissen van 8 februari 2022 volgen, namelijk dat een oordeel is gegeven door de rechters over de bewijsconstructie, de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en daarmee ook de tijdigheid.
Voor zover de gronden zijn ontleend aan de (tussen-)vonnissen van 3 juni 2022 overweegt de wrakingskamer als volgt. In de eerste plaats wijst de wrakingskamer erop dat mr. De Boer geen lid was van de meervoudige kamer die het vonnis van 3 juni 2022 gewezen heeft. Voor zover de wrakingsgronden ontleend zijn aan het vonnis van 3 juni 2022 zien die gronden dus alleen op mr. Sterk. Daarmee is verzoeker ten aanzien van die gronden in zijn verzoek jegens mr. De Boer niet-ontvankelijk. Verzoeker heeft aangevoerd dat de rechtbank in voornoemd vonnis al een oordeel heeft gegeven over zijn gezondheid en zijn financiële situatie en daarmee over het afdoeningsvoorstel. De wrakingskamer is van oordeel dat in het vonnis van 3 juni 2022 geen oordeel is gegeven over de gezondheid en de financiële situatie van verzoeker waaruit vooringenomenheid van mr. Sterk blijkt. Door de rechters zijn de procesafspraken afgewezen omdat “de rechtbank het afdoeningsvoorstel niet substantieel heeft kunnen toetsen op meerdere punten. Dit komt onder meer vanwege het gebrek aan objectieve gegevens.” De wrakingskamer volgt het standpunt van mr. Sterk dat het voorgaande niets zegt over een van de vragen van 348 en 350 Sv.
Gelet op al het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat mr. Sterk ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker in het wrakingsverzoek voor zover het is ontleend aan de inhoud van de eindvonnissen van 8 februari 2022 van de drie medeverdachten en voor zover dat verzoek, voor zover ontleend aan de andere gronden en ziet op mr. De Boer niet-ontvankelijk moet worden verklaard en voor het overige ongegrond moet worden verklaard.
8 De beslissing
De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking voor zover het verzoek ziet op gronden die ontleend zijn aan de eindvonnissen van 8 februari 2022 van de drie medeverdachten;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking voor zover het verzoek ziet op gronden die ontleend zijn aan het vonnis van 3 juni 2022 en tevens ziet op mr. De Boer;
- verklaart het verzoek tot wraking voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer 02/997000-11 zal worden
voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 26 september 2022 door mr. Peters, voorzitter en
mrs. Van der Weide en Broeders, leden van de wrakingskamer, en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Rockx, griffier. De griffier is buiten staat deze beslissing te ondertekenen. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.