Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 6 maart 2014
Gevangenisstraf en werkstraf voor verdachten ontploffing Ritthem
Een 47-jarige man die in 2011 samen met een medeverdachte een ontploffing heeft veroorzaakt op het strand van Ritthem krijgt een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 266 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 120 uur.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de man de opzet had op het teweeg brengen van een ontploffing. De kans was aanmerkelijk dat bij het verbranden van een hoeveelheid van vijfentwintig tot dertig kilo explosieve lading die in drie bouwemmers was gepropt en aangestampt zou kunnen ontploffen.
MedeverdachteDe medeverdachte heeft dezelfde straf opgelegd gekregen. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de man en de medeverdachte.
OntploffingDe man is, evenals de medeverdachte, gefascineerd door het verzamelen van voorwerpen uit de Tweede Wereldoorlog. Hij ging, al dan niet samen met de medeverdachte, regelmatig naar dergelijke voorwerpen zoeken en graven in Nederland en in het buitenland. De man verwijderde thuis de explosieve lading uit de gevonden granaten. De verwijderde ladingen deed hij, samen met afval dat van de werkbank af kwam, in bouwemmers. Toen de man drie bouwemmers vol had, wilde hij hier van af. Hij had bedacht dat dit kon door het te verbranden. De man veroorzaakte echter samen met de medeverdachte een ontploffing, waarbij een caisson in Ritthem ernstig is beschadigd.
StrafopleggingBij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de ontploffing in de wijde omgeving te horen was en in die omgeving tot indringende gevoelens van angst en onveiligheid heeft geleid. Er werd aanvankelijk zelfs gedacht aan een terroristische aanslag, ook in relatie tot de nabijgelegen kerncentrale in Borssele. Daarnaast zijn personen in verband met de gebeurtenis gedetineerd geweest, terwijl zij - naar later is gebleken - in het geheel niet bij de ontploffing betrokken waren.
De rechtbank komt tot een lagere strafoplegging dan geëist omdat de rechtbank niet alle feiten bewezen acht waar de officier van justitie van is uitgegaan.
De officier van justitie had een werkstraf geëist van 240 uur en een gevangenisstraf van 360 dagen waarvan 266 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Uitspraken in dit bericht
Bron: rechtspraak.nl (de oorspronkelijke pagina is niet meer online)