Bestuursrecht overig
Bij besluit van 28 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee het…
Raad van State, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6229 · Raad van State · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6229
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202304545/1/R3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6229
Samenvatting
Bij besluit van 28 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee het verzoek van [appellant sub 2] om handhavend op te treden tegen zonder omgevingsvergunning opgerichte bouwwerken voor het houden van paarden aan de [locatie 1] in Rockanje (het perceel) gedeeltelijk toegewezen. [appellanten sub 1] wonen aan de [locatie 1] in Rockanje. Zij houden op dit perceel paarden aan huis en daarvoor hebben zij een paardenstal, een paardenbak met een uitloopbak en mestbak gerealiseerd. [appellant sub 2] woont naast het perceel aan de [locatie 2]. Zij heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen deze bouwwerken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de paardenstal zonder omgevingsvergunning mocht worden opgericht, zodat dit geen overtreding oplevert waartegen het college handhavend kan optreden. Voor de oprichting van de paardenbak met uitloopbak en de mestbak was wel een omgevingsvergunning nodig, die niet was aangevraagd en verleend. Het college heeft [appellanten sub 1] in de gelegenheid gesteld om die omgevingsvergunning alsnog aan te vragen. [appellanten sub 1] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt en het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
Uitspraak
202304545/1/R3.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend in Rockanje, gemeente Voorne aan Zee,
2. [appellant sub 2], wonend in Rockanje, gemeente Voorne aan Zee,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2023 in zaken nrs. 21/2570 en 21/4991 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee (voorheen: Westvoorne).
Procesverloop
Verzoek om handhaving
Bij besluit van 28 september 2020 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] om handhavend op te treden tegen zonder omgevingsvergunning opgerichte bouwwerken voor het houden van paarden aan de [locatie 1] in Rockanje (het perceel) gedeeltelijk toegewezen.
Bij besluit van 7 april 2021 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Omgevingsvergunning
Bij besluit van 5 januari 2021 heeft het college aan [appellant sub 1B] omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een mestbak en paardenbak met uitloopbak op het perceel.
Bij besluit van 19 augustus 2021 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Beroep en hoger beroep
Bij uitspraak van 7 juni 2023 heeft de rechtbank, voor zover het gaat om de omgevingsvergunning, het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 19 augustus 2021 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover het ziet op het besluitonderdeel aangaande de paardenbak en de uitloopbak en het besluit van 5 januari 2021 herroepen voor zover het ziet op het besluitonderdeel aangaande de paardenbak en de uitloopbak (lees voor de paardenbak en uitloopbak ook: de mestbak). Voor zover het gaat om het verzoek om handhaving heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 7 april 2021 ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het ziet op het handhavingsverzoek met betrekking tot de mestbak, dat besluit in zoverre vernietigd en het college opgedragen om in zoverre een nieuw besluit te nemen, en het beroep tegen de andere besluitonderdelen (paardenbak en uitloopbak) ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1] hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2], [appellanten sub 1] en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.
Nieuwe besluitvorming
Bij besluit van 28 september 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant sub 2], voor zover het gaat om de afwijzing van het verzoek om handhaving tegen de mestbak, alsnog gegrond verklaard.
Bij besluit van 29 februari 2024 heeft het college [appellanten sub 1] onder oplegging van een dwangsom gelast om de inhoud van de mestbak te verkleinen tot een maximale inhoud van 3 m3 of de mestbak in zijn geheel van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden.
[appellanten sub 1] hebben hiertegen gronden aangevoerd.
Partij in het geding
De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.
Behandeling op zitting
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 10 september 2026, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. W.P.N. Remie, advocaat in Tilburg, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J. Brinkman en mr. N.J.H.M. Slaats, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.
1.1. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 september 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
1.2. Als een verzoek om handhaving van de Wabo is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 29 juli 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645, is ook op het nieuw genomen besluit van 29 februari 2024 het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing. Maar dit geldt alleen als onder het recht zoals dat geldt op het moment van het nemen van dit nieuwe besluit nog steeds sprake is van dezelfde overtreding. Als dat niet zo is, dan moet het college het nieuwe recht toepassen.
Wettelijk kader
2. Het wettelijk kader en de relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
3. [appellanten sub 1] wonen aan de [locatie 1] in Rockanje. Zij houden op dit perceel paarden aan huis en daarvoor hebben zij een paardenstal, een paardenbak met een uitloopbak en mestbak gerealiseerd. [appellant sub 2] woont naast het perceel aan de [locatie 2]. Zij heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen deze bouwwerken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de paardenstal zonder omgevingsvergunning mocht worden opgericht, zodat dit geen overtreding oplevert waartegen het college handhavend kan optreden. Voor de oprichting van de paardenbak met uitloopbak en de mestbak was wel een omgevingsvergunning nodig, die niet was aangevraagd en verleend. Het college heeft [appellanten sub 1] in de gelegenheid gesteld om die omgevingsvergunning alsnog aan te vragen. [appellanten sub 1] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt en het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Volgens het college was er daarna geen aanleiding meer om handhavend op te treden. Het college is hier in de besluiten op de bezwaren van [appellant sub 2] bij gebleven. [appellant sub 2] heeft hiertegen beroep ingesteld.
4. De rechtbank heeft overwogen dat het college de paardenstal terecht omgevingsvergunningsvrij heeft geacht. Ook mocht het college omgevingsvergunning verlenen voor de paardenbak met uitloopbak. Weliswaar heeft het college volgens de rechtbank ten onrechte nagelaten om te beoordelen of, naast de afwijking van de bouwregels van het bestemmingsplan, ook de afwijking van de gebruiksregels van het bestemmingsplan kon worden toegestaan, maar dat leidt er volgens de rechtbank niet toe dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Daarom heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van de omgevingsvergunning voor de paardenbak met uitloopbak in stand gelaten. Er was ook volgens de rechtbank geen aanleiding meer om hiertegen handhavend op te treden. Voor de mestbak ligt dat anders. Hiervoor had het college volgens de rechtbank geen omgevingsvergunning mogen verlenen. De mestbak is zo groot, dat dit niet meer past bij het hobbymatig houden van paarden aan huis binnen de bestemming "Wonen". Voor een mestbak bij een inrichting in de zin van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt een minimale afstand van 50 m tot geurgevoelige objecten, die hier niet wordt gehaald. De rechtbank heeft de omgevingsvergunning voor de mestbak daarom herroepen. Daarnaast heeft de rechtbank het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen over het verzoek om handhavend op te treden tegen de mestbak. De rechtbank overweegt tot slot dat het geheel geen inrichting vormt in de zin van de Wet milieubeheer.
[appellanten sub 1] zijn het niet eens met de overweging over de mestbak. [appellant sub 2] is het niet eens met de overwegingen over de paardenstal, over de paardenbak met uitloopbak en over de vraag of sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.
5. Het college heeft uitvoering gegeven aan de opdracht in de uitspraak van de rechtbank om een nieuw besluit over de mestbak te nemen. Het college heeft besloten om daartegen alsnog handhavend op te treden. Het heeft [appellanten sub 1] gelast om de inhoud van de mestbak te verkleinen tot een maximale inhoud van 3 m3, of de mestbak in zijn geheel van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. [appellanten sub 1] zijn het hier niet mee eens en hebben daartegen aanvullende gronden aangevoerd.
Ingetrokken beroepsgrond
6. Op de zitting heeft [appellant sub 2] de hogerberoepsgrond over toetsing van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de mestbak aan de gemeentelijke bouwverordening ingetrokken.
De geldende planologische regeling
7. Voor het perceel geldt het bestemmingsplan "Omgevingsplan buitengebied Westvoorne". Dit is een zogenoemd bestemmingsplan met verbrede reikwijdte, dat is vastgesteld met de bedoeling om vooruit te lopen op de systematiek van de Omgevingswet. De rechtbank is bij haar toetsing in navolging van het college en de andere partijen uitgegaan van de geconsolideerde versie van het na de bestreden besluiten tweemaal herziene bestemmingsplan, dat is gepubliceerd op de gemeentelijke website http://westvoorne.crotec-omgevingsplan.nl en zoals dat op het moment van de behandeling door de rechtbank beschikbaar was. Dat plan is nadien nog een keer herzien. Op de gemeentelijke website is een geconsolideerde versie van dat plan gepubliceerd, zoals op de zitting door de Afdeling met partijen is vastgesteld. Partijen zijn het erover eens dat voor de beoordeling van de hoger beroepen en het beroep in dit geding uit kan worden gegaan van de geconsolideerde versie zoals die op het moment van de zitting op de gemeentelijke website is gepubliceerd. Gelet daarop en uit een oogpunt van efficiënte en definitieve geschilbeslechting waar partijen ook om hebben verzocht, zal de Afdeling de (hoger-)beroepsgronden alle beoordelen in het licht van de nu nog beschikbare geconsolideerde versie van die regeling. De in de bijlage bij deze uitspraak opgenomen planregels zijn de regels zoals die gelden op het moment van deze uitspraak. Gelet op het vorenstaande gaat de Afdeling voor de beoordeling van de hoger beroepen en het beroep in dit geding ook uit van de versies van de hier relevante beleidsregels, zoals deze onder het kopje "Beleidsregels" op de hiervoor genoemde gemeentelijke website zijn geplaatst.
Weigering handhaving; de paardenstal
8. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de paardenstal niet omgevingsvergunningsvrij is en daarom wel een overtreding oplevert waartegen het college handhavend moest optreden. Het college was er eerder nog van uitgegaan dat de paardenstal niet uitsluitend was gesitueerd op gronden met de bestemming "Wonen", maar voor een deel ook op gronden met de bestemming "Algemeen grondgebruik". De paardenstal is volgens haar in strijd met die bestemming.
8.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat het handhavingsverzoek voor wat betreft de paardenstal alleen betrekking heeft op het bouwwerk en niet op de functie en het gebruik van het bouwwerk als paardenstal. De rechtbank is er in navolging van het college in zijn besluit van 7 april 2021 van uitgegaan dat de paardenstal staat op gronden met de bestemming "Wonen", en dat artikel 73 (tegenwoordig: artikel 77) van de planregels van toepassing is. In de aanhef en onder b en i van dat artikel staat dat mag worden gebouwd ten behoeve van een woning, dat de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen per woning ten hoogste 300 m2 bedraagt en dat de bouwhoogte van overige bouwwerken, waaronder de paardenstal valt, ten hoogste 3 m bedraagt. Omdat de paardenstal hiermee in overeenstemming is, heeft het college volgens de rechtbank terecht overwogen dat de paardenstal, gelet op artikel 3, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (het Bor), mocht worden gebouwd zonder omgevingsvergunning. De bouw van de paardenstal levert volgens de rechtbank dan ook geen overtreding op waartegen het college handhavend kon optreden.
8.2. De Afdeling heeft op de zitting met partijen vastgesteld dat op de gronden waarop de paardenstal staat niet alleen de bestemming "Wonen" , maar ook de bestemming "Algemeen grondgebruik" geldt. De planregels bevatten geen voorrangsregeling. Dat betekent dat (naast regels voor bestaande bebouwing) zowel de "Bouwregels woning" in artikel 77 van de planregels, als de "Bouwregels bij algemeen grondgebruik" in artikel 140 (voorheen: artikel 129) onverkort van toepassing zijn. De rechtbank is er ten onrechte aan voorbijgegaan dat voor de vraag of de paardenstal op grond van artikel 3, eerste lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunningsvrij is, niet alleen de "Bouwregels woning" in artikel 77 van belang zijn, maar ook de "Bouwregels bij algemeen grondgebruik" in artikel 140. Uit de aanhef en het bepaalde onder a van dat artikel volgt dat, voor zover geen sprake is van openbaar gebied, ten behoeve van het algemeen toegestaan grondgebruik als bedoeld in artikel 58 erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van ten hoogste 1 m mogen worden gebouwd. De paardenstal is daarmee niet in overeenstemming.
8.3. Dit betekent dat de rechtbank op onjuiste gronden met het college tot de conclusie is gekomen dat voor de paardenstal geen omgevingsvergunning voor de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening nodig is, zodat de paardenstal op grond van artikel 3, eerste lid, van bijlage II van het Bor zonder omgevingsvergunning mocht worden opgericht.
Het betoog slaagt.
8.4. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 7 april 2021 gegrond had moeten verklaren. Dat besluit moet worden vernietigd, voor zover het college is gebleven bij zijn weigering om handhavend op te treden tegen de paardenstal. Het college heeft zich immers op onjuiste gronden op het standpunt gesteld dat het ontbreken van een omgevingsvergunning voor de paardenstal geen overtreding oplevert waartegen het handhavend kan optreden. Het college zal in zoverre een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen, waarin het alsnog beoordeelt of het aanleiding ziet om handhavend op te treden, of dat bijzondere omstandigheden zoals concreet zicht op legalisatie daaraan in de weg staan.
De behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning
9. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de aanvraag om omgevingsvergunning voor de paardenbak met uitloopbak en de mestbak niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Dat is volgens haar ten eerste zo omdat [appellanten sub 1] de aanvraag pas hebben aangevuld na afloop van de termijn die hen in het besluit van 28 september 2020 was gegund voor het indienen van een aanvraag. Er was volgens haar geen reden voor het college om hen daarna nog een nadere termijn te gunnen. Ten tweede is dat volgens [appellant sub 2] het geval, omdat geen voorafgaand vooroverleg met de gemeente en dialoog met de omgeving had plaatsgevonden, zoals is voorgeschreven in de artikelen 75 (voorheen: artikel 71) en 143 (voorheen: 131) van de planregels en de "Beleidsregel Dialoog met de omgeving". Het gevoerde vooroverleg met de gemeente was volgens haar ontoereikend, omdat dit alleen in het kader van het handhavingstraject heeft plaatsgevonden. De gevoerde dialoog was volgens haar ontoereikend, omdat andere omwonenden daar niet bij zijn betrokken.
9.1. De Afdeling stelt voorop dat de Wabo en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet de mogelijkheid kennen om een aanvraag om omgevingsvergunning niet-ontvankelijk te verklaren. Wel kan een bestuursorgaan een aanvraag buiten behandeling laten, maar alleen in de gevallen die zijn genoemd in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Voor zover [appellant sub 2] in haar betoog wijst op onderdeel c van dit artikellid (de verstrekte gegevens en bescheiden zijn onvoldoende voor de beoordeling van de aanvraag, en de aanvrager heeft de gelegenheid gehad de aanvraag binnen een gestelde termijn aan te vullen), overweegt de Afdeling dat zo’n geval hier niet aan de orde is. Het verzoek van het college aan [appellanten sub 1] in het besluit van 28 september 2020 om binnen vier weken een aanvraag in te dienen, was uitsluitend van belang voor mogelijke vervolgstappen in het handhavingstraject en beperkte niet het recht van [appellanten sub 1] om een besluit te krijgen op een nadien ingediende of aangevulde aanvraag. Het was geen termijn om een ingediende aanvraag aan te vullen als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, en kan daar ook niet mee worden gelijkgesteld. Uit artikel 4:5 volgt ook niet dat het college nadien geen nadere termijn voor het aanvullen van de aanvraag meer mocht stellen. [appellanten sub 1] hebben hun op 29 september 2020 ingediende aanvraag binnen de door het college gestelde nadere termijn aangevuld met de gevraagde gegevens. Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bood dus geen grond om de aanvraag buiten behandeling te laten.
9.2. Ook de gestelde ontoereikendheid van het vooroverleg met de gemeente en de dialoog met de omgeving kon geen reden vormen om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren of buiten behandeling te laten. De Wabo en de Awb boden ook daarvoor geen mogelijkheid. Dat in de Beleidsregel Dialoog met de omgeving waarnaar de artikelen 75.2 en 143 van de planregels verwijzen, staat dat het achterwege laten van voorafgaand vooroverleg met de gemeente leidt tot het niet-ontvankelijk verklaren van een aanvraag, maakt dat niet anders. Die Beleidsregel die alleen bindend is voor het college, maar niet voor anderen, geeft namelijk geen wettelijke grondslag om een aanvraag buiten behandeling te laten, als niet overeenkomstig de beleidsregel is gehandeld.
9.3. De Afdeling voegt hieraan toe dat wat [appellant sub 2] over vooroverleg met de gemeente en dialoog met de omgeving heeft aangevoerd, ook geen grond biedt voor het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning had moeten weigeren. De Afdeling volgt [appellant sub 2] niet in haar betoog dat uit de tekst van de Beleidsregel volgt dat het vooroverleg en de dialoog uitsluitend voorafgaand aan de voorgenomen bouwwerkzaamheden moeten plaatsvinden en dus niet kunnen plaatsvinden in het kader van de indiening van de aanvraag. Ook verder is de Afdeling niet gebleken dat sprake is van eisen die de Beleidsregel stelt aan de wijze waarop het vooroverleg en de dialoog moeten worden gevoerd, die in dit geval hadden moeten leiden tot een weigering om de omgevingsvergunning te verlenen. Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat onvoldoende dialoog met andere omwonenden heeft plaatsgevonden, onderschrijft de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat deze grond alleen al gelet op het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb niet kan slagen.
Het betoog slaagt niet.
10. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bij de behandeling van de aanvraag sprake is geweest van belangenverstrengeling, gelet op de rol die de behandelend ambtenaar heeft gespeeld. Deze ambtenaar heeft volgens haar voor aanvang van de bouwwerkzaamheden foutieve informatie verstrekt aan [appellanten sub 1] over hun bouwmogelijkheden en heeft hen in het handhavingstraject geholpen met het indienen van de aanvraag.
10.1. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat sprake is van een belangenverstrengeling die de besluitvorming op de aanvraag door het college heeft beïnvloed. Dit is alleen al niet zo omdat het hier gaat om het besluit op bezwaar van 19 augustus 2021. Voor zover de door [appellant sub 2] bedoelde ambtenaar al betrokken is geweest bij dat besluit, ligt daaraan een advies van de onafhankelijke bezwaarschriftencommissie ten grondslag dat het college heeft overgenomen.
Het betoog slaagt niet.
In stand gelaten deel omgevingsvergunning; de paardenbak met uitloopbak
11. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van de verleende omgevingsvergunning voor de paardenbak met uitloopbak ten onrechte in stand heeft gelaten. Volgens haar kan het houden van paarden waarvoor de paardenbak met uitloopbak wordt gebruikt, een omvang aannemen die niet meer te rijmen is met de geldende bestemming. Dat geldt voor de geldende bestemming "Algemeen grondgebruik", maar ook voor de naastgelegen bestemming "Wonen" waar het college aansluiting bij heeft gezocht voor de vraag of de paardenbak met uitloopbak als bouwwerk aanvaardbaar is. Ook heeft de rechtbank de paardenbak met uitloopbak volgens haar ten onrechte in navolging van het college inpasbaar in de omgeving geacht. De verrichte toetsing aan de Beleidsregel Handboek kwaliteitsverbetering is volgens haar onvolledig. Daaruit blijkt namelijk ook dat binnen de zone ‘Zanderijen’ kleinschaligheid wordt nagestreefd. De paardenbak met uitloopbak heeft een omvang van 1.400 m2 en dat kan niet meer kleinschalig worden genoemd. Dat is volgens [appellant sub 2] zeker niet zo, omdat het gaat om een klein perceel en de paardenbak met uitloopbak op korte afstand van de woning van [appellant sub 2] ligt.
11.1. De paardenbak met uitloopbak waarvoor omgevingsvergunning is gevraagd, is voorzien van een omheining met verlichting van ongeveer 1,2 m hoog, en staat op grond met de bestemming "Algemeen grondgebruik". De grond behoort niet tot openbaar gebied. Artikel 140 van de planregels staat in die situatie uitsluitend erf- en terreinafscheidingen van niet meer dan 1 m hoog toe. Daarom heeft het college gebruik gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 143 (voorheen: artikel 131) van de planregels.
De afwijking van de bouwregels waarvoor het college omgevingsvergunning heeft verleend, gaat alleen over de omheining. Het college heeft, met toepassing van artikel 143, aan de hand van de Beleidsregel Handboek Kwaliteitsverbetering buitengebied beoordeeld of dit bouwwerk inpasbaar is. Daarbij heeft het aansluiting gezocht bij wat in deze beleidsregel over paardenbakken staat voor "alle polders", dat wil volgens de beleidsregel zeggen dat het gaat om aanbevelingen die algemeen toepasbaar zijn in het buitengebied. De aanbeveling waaraan het college het bouwplan heeft getoetst luidt: "Plaats paardenbakken niet op het voorerf maar aansluitend aan het erf aan de achterzijde. Gebruik voor het hekwerk natuurlijke materialen en kleuren, bij voorkeur omgeven met een haag. Indien verlichting noodzakelijk is, plaats deze dan zo laag mogelijk bij de grond en denk ook aan nieuwe technieken zoals LED-verlichting."
Verder heeft het college beoordeeld of het bouwwerk, in combinatie met de daaraan gekoppelde activiteit, in overeenstemming is met de criteria in artikel 143, aanhef en onder d en onder 1, 2 en 7. Deze criteria gaan, kort gezegd, over onevenredige overlast op het gebied van onder meer geur, over negatieve gezondheidseffecten en over onevenredige aantasting van natuurwaarden. Het college heeft de paardenbak met uitloopbak uit dit oogpunt aanvaardbaar geacht, omdat deze in overeenstemming kan worden geacht met de bestemming "Wonen" die geldt voor de grond waar de paardenbak met uitloopbak naast ligt.
11.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, was de paardenbak met uitloopbak niet alleen in strijd met de bouwregels, maar ook met de gebruiksregels voor gronden met de bestemming "Algemeen grondgebruik" in artikel 58 (voorheen: artikel 55) van de planregels. Het gebruik daarvan valt niet onder hier toegestane (hobbymatige) weidegang, zoals het college eerst had aangenomen. Daarom was ook toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 75 (voorheen: artikel 71) van de planregels vereist om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college dit niet heeft onderkend in het besluit van 19 augustus 2021. De rechtbank heeft het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van de omgevingsvergunning, voor zover die is verleend voor de paardenbak met uitloopbak, in stand gelaten, omdat de beoordelingscriteria in artikel 75.5 van de planregels dezelfde zijn als die in artikel 143 en het college te kennen heeft gegeven dat het de omgevingsvergunning ook had verleend als was onderkend dat toepassing van artikel 75 van de planregels was vereist.
11.3. De Afdeling stelt vast dat de criteria in artikel 75.5 van de planregels waarbij de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij het in stand laten van de rechtsgevolgen, gaan over het toestaan van bestemmingsplanactiviteiten, als bedoeld in hoofdstuk 2 van de planregels ("Welke activiteiten zijn nog meer toegestaan?"). Voor de toepassing van dit hoofdstuk is de grond waarop de paardenbak met uitloopbak is gesitueerd op de planverbeelding aangewezen voor het gebruik als Zanderijen. In artikel 70.1 van de planregels staat als voorwaarde dat de aanpassing van het gebruik waarvoor omgevingsvergunning wordt gevraagd een bijdrage moet leveren aan de Koers van de zone Zanderijen, zoals omschreven in artikel 70.2. Zo’n toetsing door het college ontbreekt en ook de rechtbank is hier niet op ingegaan.
Hier komt bij dat ook de toetsing aan artikel 75 zelf meer omvat dan waar de rechtbank van is uitgegaan. De rechtbank heeft uitsluitend acht geslagen op artikel 75.5, dat gaat over de woon- en leefkwaliteit. Maar daarnaast moet op grond van artikel 75.3 ook worden getoetst of de activiteit in voldoende mate kan worden ingepast. Die toetsing moet ook worden verricht aan de hand van de Beleidsregel Handboek Kwaliteitsverbetering buitengebied. Naar het oordeel van de Afdeling kan voor deze inpassing niet worden volstaan met een toetsing of de uitvoering van de paardenbak in overeenstemming is met de hiervoor onder 11.1 genoemde aanbevelingen waaraan het college heeft getoetst. Deze gaan niet over de vraag of inpassing van een paardenbak binnen gronden met de bestemming "Algemeen grondgebruik", die behoren tot Zanderijen, aanvaardbaar is. De beleidsregel bevat een apart hoofdstuk over de karakteristieken, ambities en aanbevelingen over de zone Zanderijen. Die zal het college moeten betrekken bij de vraag of de paardenbak met uitloopbak inpasbaar is, samen met de in artikel 70.2 van de planregels omschreven koers van de zone Zanderijen.
11.4. De Afdeling komt dan ook met de rechtbank tot de conclusie dat de afweging die het college heeft gemaakt bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de paardenbak met uitloopbak ontoereikend is. Maar anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de toetsing door het college aan artikel 143 van de planregels en de enkele mededeling op de zitting van de rechtbank dat het college de omgevingsvergunning ook had verleend als was onderkend dat toepassing van artikel 75 van de planregels was vereist, onvoldoende waren om de rechtsgevolgen van de verlening van de omgevingsvergunning in stand te laten. Het was aan het college om aan de hand van alle relevante toetsingscriteria een nieuwe, toereikende beoordeling te maken of de gevraagde omgevingsvergunning in stand kon blijven.
Het betoog slaagt.
11.5. Dit leidt ertoe dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 19 augustus 2021 wat betreft de paardenbak met uitloopbak in stand heeft gelaten. Het college zal ook in zoverre een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen, waarin het alsnog aan de hand van alle relevante toetsingscriteria beoordeelt of het aanleiding ziet om de omgevingsvergunning in stand te laten of om deze alsnog te weigeren.
Vernietigde deel omgevingsvergunning en handhaving; de mestbak
12. [appellanten sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de mestbak door de omvang van 9,66 m3 zo groot is, dat deze niet meer in overeenstemming met de woonbestemming kan worden geacht. Uit de uitspraak blijkt niet waarom de rechtbank deze omvang te groot acht voor het houden van maar twee of drie paarden. Gelet op de specifieke omstandigheden zijn de voorzieningen voor het houden van paarden, waaronder de mestbak, volgens hen in dit geval nog in overeenstemming met de woonbestemming. Het Activiteitenbesluit milieubeheer is niet van toepassing op een mestbak met deze omvang, zodat geen richtafstanden gelden. Zij voegen hieraan toe dat er ondanks verschillende controles nooit geurhinder is vastgesteld.
12.1. De rechtbank heeft overwogen dat de mestbak niet passend binnen de woonbestemming is, omdat de mestbak een omvang heeft die meer past bij een inrichting voor het bedrijfsmatig houden van (5 tot 10) paarden. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat voor een mestbak bij een inrichting op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer een afstandeis tot geurgevoelige objecten van 50 m geldt, die hier niet wordt gehaald. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door de omgevingsvergunning voor de mestbak te herroepen. De rechtbank heeft het college opgedragen om opnieuw een besluit te nemen op het verzoek om handhavend op te treden tegen de mestbak.
12.2. De mestbak staat op gronden waar de bestemmingen "Wonen" en "Algemeen grondgebruik" gelden. Uit wat de Afdeling hiervoor onder 8.2 over de paardenstal heeft overwogen, blijkt dat de aanvraag om omgevingsvergunning voor wat betreft de mestbak daarom ook had moeten worden getoetst aan de bouwregels voor "Algemeen grondgebruik" in artikel 140 van de planregels. De Afdeling stelt vast dat de mestbak daarmee in strijd is, omdat deze niet op openbaar gebied staat en geen erf- of terreinafscheiding is. Het college is er alleen al daarom in het besluit van 19 augustus 2021 ten onrechte van uitgegaan dat de mestbak in overeenstemming met het bestemmingsplan was. De rechtbank heeft dat besluit alleen al daarom terecht vernietigd.
12.3. Over de vraag of de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat de mestbak ook niet in overeenstemming is met de geldende woonbestemming, overweegt de Afdeling het volgende.
12.4. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:629 en 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:724) hangt de beantwoording van de vraag of het houden van paarden verenigbaar is met de geldende woonbestemming af van de specifieke omstandigheden van het geval. In het bijzonder is bepalend of de ruimtelijke uitstraling van het gebruik van het perceel voor paarden, gezien zijn aard, omvang en intensiteit van dien aard is dat deze planologisch gezien niet meer valt te rijmen met de door de planwetgever aan het perceel gegeven woonfunctie. Als sprake is van bedrijfsmatig of in een omvang als ware het bedrijfsmatig houden van dieren, dan is dit in strijd met het bestemmingsplan.
Of het (beoogde) gebruik van de mestbak in overeenstemming is met de bestemming "Wonen", moet in dit licht worden beoordeeld.
12.5. De rechtbank heeft de vraag of de mestbak wat betreft gebruik passend is binnen de woonbestemming niet kenbaar aan de hand van deze maatstaf beoordeeld. [appellanten sub 1] voeren terecht aan dat de enkele omvang van de mestbak van iets minder dan 9,66 m3 als zodanig onvoldoende is voor het oordeel dat deze niet meer verenigbaar is met de woonbestemming. Daarbij overweegt de Afdeling dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat een mestbak van deze omvang past bij het (bedrijfsmatig) houden van vijf tot tien paarden, en niet bij het (hobbymatig) houden van twee of drie paarden, zoals volgens [appellanten sub 1] bij hen het geval is.
12.6. Verder heeft de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak voorzien door de omgevingsvergunning voor de mestbak te herroepen en het college op te dragen om daartegen handhavend op te treden. Omdat de mestbak in strijd met het bestemmingsplan is, had het college de aanvraag om omgevingsvergunning ook in zoverre op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo moeten opvatten als een verzoek om omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Het is in eerste instantie aan het college om daarop te beslissen, door te beoordelen of de mestbak volgens hem in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is en om de belangen af te wegen. De rechtbank is daar ten onrechte aan voorbij gegaan.
12.7. Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de herroeping van de omgevingsvergunning ertoe leidde dat het besluit om niet handhavend op te treden tegen die mestbak niet in stand kon blijven. Deze herroeping neemt niet weg dat er voor de mestbak een omgevingsvergunning was verleend toen het college het besluit van 7 april 2021 nam, waarbij het bleef bij zijn besluit om niet handhavend op te treden. Op dat moment leverde de mestbak dus geen overtreding op, zodat er voor het college geen grondslag was om daartegen handhavend op te treden. De herroeping van de omgevingsvergunning leverde weliswaar een nieuwe situatie op die wel aanleiding zou kunnen geven voor handhavend optreden, maar dat leverde geen grond op om het besluit van 7 april 2021 te vernietigen en het college op te dragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
Het betoog slaagt.
13. Dit leidt ertoe dat de uitspraak van de rechtbank ook moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit van 5 januari 2021 tot verlening van de omgevingsvergunning voor de mestbak zelf voorziend heeft herroepen en het college heeft opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar over het verzoek om handhaving tegen de mestbak te nemen. Het college zal ook in zoverre een nieuw besluit op bezwaar over de omgevingsvergunning moeten nemen, waarin het alsnog aan de hand van alle relevante toetsingscriteria beoordeelt of de mestbak passend is binnen de woonbestemming en of het aanleiding ziet om afwijking van de gebruiksregels en zo nodig afwijking van de gebruiksregels van het bestemmingsplan toe te staan.
De Afdeling tekent hierbij aan dat zo nodig voorschriften aan de omgevingsvergunning kunnen worden gesteld om te waarborgen dat het gebruik van de mestbak beperkt blijft tot een gebruik dat nog passend is binnen de woonbestemming, bijvoorbeeld een voorschrift over het afdekken van de mestbak.
14. Het voorgaande leidt er verder toe dat het college geen nieuw besluit op bezwaar hoefde te nemen over de weigering om handhavend op te treden tegen de mestbak. Het besluit van 7 april 2021 blijft in zoverre alsnog in stand. Dat betekent dat de grondslag aan de besluiten van 28 september 2023 en 29 februari 2024, die het college heeft genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, is komen te ontvallen. De Afdeling zal deze besluiten daarom vernietigen.
Nadat het college heeft beslist over het al dan niet in stand laten van de omgevingsvergunning voor de mestbak, is sprake van een nieuwe situatie die mogelijk aanleiding kan geven voor een nieuwe handhavingsprocedure. De Afdeling kan daar in dit geding niet op vooruitlopen.
Handhaving; inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer?
15. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. [appellant sub 2] heeft dat oordeel niet met argumenten betwist. Voor het geheel is dan ook geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig. Het college heeft het verzoek om handhavend op te treden in zoverre dan ook terecht afgewezen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroepen en beroep
16. Het voorgaande leidt ertoe dat de hoger beroepen gegrond zijn. De uitspraak van de rechtbank blijft in stand voor zover de beroepen van [appellant sub 2] tegen de besluiten van 7 april 2021 en 19 augustus 2021 gegrond zijn verklaard. Maar de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover:
- de rechtsgevolgen van het besluit van 19 augustus 2021 (oftewel: de omgevingsvergunning voor de paardenbak met uitloopbak) in stand zijn gelaten,
- het besluit van 5 januari 2021 is herroepen, voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend voor de mestbak,
- het besluit van 7 april 2021 is vernietigd, voor zover het ziet op het handhavingsverzoek over de mestbak, en het college is opgedragen om daarover een nieuw besluit te nemen, en
- het besluit van 7 april 2021 in stand is gelaten, voor zover het ziet op het handhavingsverzoek over de paardenstal.
Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het volgende beslissen.
Het besluit van 7 april 2021 wordt vernietigd, voor zover het college daarbij is gebleven bij zijn weigering om handhavend op te treden tegen de paardenstal. Het college zal in een nieuw te nemen besluit op het bezwaar van [appellant sub 2] moeten beoordelen of het aanleiding ziet om alsnog handhavend op te treden tegen de paardenstal, of dat het daar vanwege bijzondere omstandigheden van afziet. Voor het overige blijft het besluit van 7 april 2021 in stand. Het college hoeft dus niet meer opnieuw te beslissen op het bezwaar van [appellant sub 2] tegen de weigering om handhavend op te treden tegen de paardenbak met uitloopbak en de mestbak.
Het besluit van 19 augustus 2021 wordt vernietigd. Het college zal in een nieuw te nemen besluit op het bezwaar van [appellant sub 2] tegen de verleende omgevingsvergunning opnieuw moeten beoordelen of het aanleiding ziet om bij die omgevingsvergunning het bouwen en het gebruiken van de paardenbak met uitloopbak in strijd met het bestemmingsplan toe te staan. Ook zal het college in een nieuw te nemen besluit moeten beoordelen of de mestbak valt te rijmen met de door de planwetgever aan het perceel gegeven woonfunctie, zo nodig onder het stellen van vergunningvoorschriften. Verder zal het college moeten beoordelen of het aanleiding ziet om voor het bouwen van de mestbak in strijd met de (bouwregels van de) bestemming "Algemeen grondgebruik", en eventueel voor het gebruiken van de mestbak in strijd met de woonbestemming, omgevingsvergunning voor de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening te verlenen, eveneens zo nodig onder het stellen van voorschriften.
17. De besluiten van 28 september 2023 en 29 februari 2024 worden vernietigd. Het college hoeft hier geen nieuwe besluiten voor in de plaats te stellen.
18. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nemen nieuwe besluiten alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten in verband met de hoger beroepen en het beroep
19. Het college moet de proceskosten van [appellanten sub 1] vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten die [appellant sub 2] heeft gemaakt in verband met het hoger beroep, is niet gebleken.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
20. [appellant sub 2] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM).
20.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
20.2. Het college heeft het eerste bezwaarschrift van [appellant sub 2] in deze procedure ontvangen op 27 oktober 2020. De redelijke termijn is in deze procedure dus met bijna 24 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de rechtbank en aan de Afdeling worden toegerekend.
20.3. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [appellant sub 2] toe te kennen bedrag € 2.000,00.
De Afdeling zal de Staat veroordelen tot betaling van € 2.000,00 aan [appellant sub 2] als vergoeding van de door hen geleden immateriële schade, waarbij 7/18e deel is te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en 11/18e deel is te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
21. De Staat hoeft geen proceskosten voor het verzoek te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de hoger beroepen gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2023 in zaken nrs. 21/2570 en 21/4991, voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee van 19 augustus 2021 in stand zijn gelaten, het besluit van 5 januari 2021 is herroepen, voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend voor de mestbak, het besluit van 7 april 2021 is vernietigd, voor zover het ziet op het handhavingsverzoek over de mestbak en het college is opgedragen om daarover een nieuw besluit te nemen, en het besluit van 7 april 2021 in stand is gelaten, voor zover het ziet op het handhavingsverzoek over de paardenstal;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee van 7 april 2021 met kenmerk 3158-2020, voor zover het college daarbij is gebleven bij het besluit om niet handhavend op te treden tegen de paardenstal;
IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee op om in zoverre met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 28 september 2020 te nemen;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee op om met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 5 januari 2021 te nemen;
VI. bepaalt dat tegen de te nemen nieuwe besluiten alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee van 28 september 2023 met kenmerk 141204-2023 en van 29 februari 2024 met kenmerk 158500-2023;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wehouders van Voorne aan Zee tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, waarbij betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;
IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 aan hen vergoedt, waarbij betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;
X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 2] een schadevergoeding van € 2.000,00 te betalen (€ 777,78 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.222,22 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Witsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
727
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:5
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
[…]
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
Artikel 8:69a
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Besluit omgevingsrecht
Bijlage II Behorende bij de artikelen 2.3, 2.5a en 2.7
Artikel 3
Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:
1. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m,
b. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,
c. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag, en
d. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
[…]
Regels van het Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne
Hoofdstuk 1 Welke regels gelden bij de huidige activiteit?
Artikel 16.1 Wonen
a. De gronden met de aanduiding ‘Wonen’ mogen worden gebruikt voor het wonen;
Daarbij geldt het volgende:
b. […]
c. een aan-huis-gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
1. de woonfunctie blijft als primaire functie gehandhaafd;
2. het beroep of de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgevoerd door (één van) de bewoner(s), al dan niet ondersteund door derden;
3. het grondoppervlak in gebruik ten dienste van de activiteiten bedraagt ten hoogste 100 m2 (exclusief parkeren ten behoeve van een aan-huis-gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit);
[…]
Artikel 58 Algemeen grondgebruik
Gronden ter plaatse van de aanduiding 'Algemeen grondgebruik' mogen worden gebruikt voor:
a. weidegang en productiegrond bij een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 4;
b. hobbymatige weidegang;
c. voor zover sprake is van openbaar gebied: […]
Hoofdstuk 2 Welke activiteiten zijn nog meer toegestaan?
Artikel 70 Zanderijen
70.1 Toegestane activiteit
Deze gronden zijn aangewezen voor het gebruik als Zanderijen. Dit houdt in dat er ook activiteiten toegestaan kunnen worden waar Hoofdstuk 1 Welke regels gelden bij de huidige activiteit? niet in voorziet. Het kan daarbij zowel gaan om geheel nieuwe activiteiten, maar ook om uitbreiding van de huidige activiteit als hoofdstuk 1 dat niet (in die mate) mogelijk maakt.
Voor dergelijke ontwikkelingen dient een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit aangevraagd te worden. Daarbij geldt als voorwaarde dat de aanpassing van het gebruik een bijdrage moet leveren aan de Koers van de zone Zanderijen, zoals hierna omschreven.
Bij het aanvragen van deze omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit zijn, naast de overige regels uit het plan die in algemene zin van toepassing blijven, de procedure- en beoordelingsregels uit Hoofdstuk 3 Regels voor aanpassen van activiteiten van toepassing.
70.2 Koers van de zone Zanderijen
Op basis van de Omgevingsvisie Westvoorne 2030 wordt de koers voor de zone Zanderijen als volgt getypeerd:
Koers
Als overgangsgebied tussen het duingebied en de agrarische zeekleipolders, kennen de Zanderijen zowel landschappelijk als functioneel een grote diversiteit.
Het heeft een halfopen landschap met richting het duingebied een grotere mate van begroeiing en bospercelen en richting de agrarische polders een groeiende mate van openheid.
Functioneel komen de uiteenlopende functies verspreid liggend voor, zonder dat er een functie is die duidelijk de overhand heeft.
Door deze grote mate van diversiteit binnen de zone, ligt verrommeling op de loer. Bij nieuwe ontwikkelingen is daarom niet zozeer de functie bepalend, als wel de inpassing en uitstraling daarvan in het wisselende, kleinschalige, halfopen landschap.
Dit geldt niet voor uitbreiding van de bestaande glastuinbouwbedrijven die nog verspreid in de zone voorkomen. Deze zijn gebonden aan hun bestaande mogelijkheden. Voor nieuwe of ruimere mogelijkheden dienen zij gebruik te maken van de ruimte in het glastuinbouwgebied Tinte. Het Saneren van kassen in deze zone is daarom één van de mogelijkheden om kwaliteit aan een nieuwe ontwikkeling toe te voegen.
Nieuwe stedelijke functies kunnen - afhankelijk van de functie en uitstraling - een risico vormen voor de ruimtelijke en functionele kwaliteiten van het buitengebied. Deze worden daarom in beperkte mate en uiterst zorgvuldig toegestaan. Het credo is hierbij is dat in ieder geval de behoefte aangetoond moet worden, samen met de noodzaak om dit juist in deze zone te doen. Indien dat aangetoond kan worden, dient er bovendien sprake te zijn van netto kwaliteitsverbetering. Bijvoorbeeld door sloop van (in onbruik geraakte) bebouwing of verharding of via een andere kwaliteitsimpuls. Tot slot geldt dat deze functies geen belemmering mogen vormen voor de agrarische bedrijvigheid in het gebied.
Hoofdstuk 3 Regels voor aanpassen van activiteiten
Artikel 75 Procedure- en beoordelingsregels voor nieuwe gebruiksactiviteiten
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit, zoals bedoeld in Hoofdstuk 2, hanteren burgemeester en wethouders de volgende procedure- en beoordelingsregels.
Naast deze regels, die specifiek van toepassing zijn op het vergunnen van een bestemmingsplanactiviteit, blijven de overige regels van het plan in algemene zin van toepassing.
75.1 Gemeentelijk vooroverleg
Voordat een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit wordt aangevraagd, dient de initiatiefnemer in overleg te treden met de gemeente met als doel om de te vergunnen activiteit voor te bespreken, de haalbaarheid te beoordelen en in beeld te brengen welke documenten bij de aanvraag gevoegd moeten worden om een volledige toets aan dit plan uit te kunnen voeren.
75.2 Dialoog met de omgeving
Uit de aanvraag blijkt dat de initiatiefnemer over de te vergunnen activiteit een dialoog heeft gevoerd met de omgeving zoals bedoeld in de Beleidsregel Dialoog met de omgeving.
75.3 Inpassing
De te vergunnen activiteit wordt in voldoende mate ingepast in de omgeving. Of de activiteit inpasbaar is in de omgeving wordt beoordeeld op basis van de criteria zoals opgenomen in de Beleidsregel handboek kwaliteitsverbetering buitengebied.
[…]
75.5 Woon- en leefkwaliteit
Uit de aanvraag blijkt naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate dat de activiteit aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. de toekomstige activiteit mag geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken;
b. de toekomstige activiteit leidt niet tot relevante negatieve gezondheidseffecten;
c. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
d. voor een toekomstig activiteit binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van een risicobron vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
e. de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van een eventuele verkeerstoename;
f. er moet op eigen terrein voorzien zijn in voldoende parkeergelegenheid;
g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van natuurwaarden;
h. er wordt voldaan aan de voorwarden met betrekking tot stikstofdepositie, zoals benoemd in Artikel 154 Stikstof;
i. de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige activiteit;
j. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
k. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed.
Hoofdstuk 4 Wat mag ik op deze locatie bouwen?
Artikel 77 Bouwregels woning
Ter plaatse van deze aanduiding mag worden gebouwd ten behoeve van een woning en gelden de volgende bouwregels:
[…]
b. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt per woning ten hoogste 300 m2;
[…]
i. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m;
[…]
Artikel 140 Bouwregels bij algemeen grondgebruik
Ter plaatse van deze aanduiding mogen ten behoeve van het algemeen toegestaan grondgebruik als bedoeld in artikel 58 de volgende bouwwerken worden gebouwd:
a. erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van ten hoogste 1 m;
b. voor zover sprake is van openbaar gebied: […]
Artikel 143 Kwalitatieve toetsing in de zone Zanderijen
Het bevoegd gezag kan bouwwerken die niet passen binnen de bovengenoemde bouwregels toestaan door bij een omgevingsvergunning af te wijken van die bouwregels, onder voorwaarde dat:
a. de initiatiefnemer voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in overleg dient te treden met de gemeente met als doel om de te vergunnen bouwwerken voor te bespreken, de haalbaarheid te beoordelen en in beeld te brengen welke documenten bij de aanvraag gevoegd moeten worden om een volledige toets aan dit plan uit te kunnen voeren.
b. door de initiatiefnemer over de beoogde ontwikkeling een dialoog is gevoerd met de omgeving zoals bedoeld in de Beleidsregel Dialoog met de omgeving;
c. het betreffende bouwwerk inpasbaar is in de omgeving. Of het bouwwerk inpasbaar is in de omgeving wordt beoordeeld op basis van de criteria zoals opgenomen in de Beleidsregel Handboek kwaliteitsverbetering buitengebied;
d. ten aanzien van de bouwwerken, in combinatie met de daaraan gekoppelde activiteit, de volgende aspecten onderbouwd zijn voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is:
1. er ontstaat geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken;
2. er ontstaan geen relevante negatieve gezondheidseffecten;
3. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aantasten;
4. binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van een risicobron vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
5. de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van een eventuele verkeerstoename;
6. er moet op eigen terrein voorzien zijn in voldoende parkeergelegenheid;
7. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van natuurwaarden;
8. er wordt voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot stikstofdepositie, zoals benoemd in Artikel 154 Stikstof;
9. de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige activiteit;
10. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
11. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed.