Socialezekerheidsrecht
In hoger beroep herhaling beroepsgronden. Geen reden anders over gronden te oordelen dan rechtbank heeft…
Centrale Raad van Beroep, 15 februari 2017
ECLI:NL:CRVB:2017:675 · Centrale Raad van Beroep · 15 februari 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2017-675
Zaakgegevens
Op 15 februari 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 februari 2017
- Datum publicatie
- 28 februari 2017
- Zaaknummer
- 15/8045 WSF
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2017:675
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
In hoger beroep herhaling beroepsgronden. Geen reden anders over gronden te oordelen dan rechtbank heeft gedaan. Niet in postvak kijken komt voor rekening en risico van appellant. Binnen bezwaartermijn aangevangen met schrijven van bezwaarschrift. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake.
Uitspraak
15/8045 WSF
Datum uitspraak: 15 februari 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2015, 15/4192 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [naam] , advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2017. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.
OVERWEGINGEN
Bij besluit van 24 december 2014 heeft de minister de aan appellant toegekende studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) herzien in die zin dat appellant met ingang van 1 september 2014 is aangemerkt als thuiswonende studerende.
Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door de minister bij besluit van 30 april 2015 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover nu nog van belang, geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen de herziening terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen dit oordeel van de rechtbank gekeerd. Appellant heeft ter zitting van de Raad aangevoerd dat hij geen bevestigings-e-mail heeft ontvangen met de mededeling dat er een bericht voor hem klaar stond in de digitale omgeving. Appellant merkte dat hij geen studiefinanciering meer kreeg, heeft in de digitale omgeving gekeken naar de studiefinancieringsspecificaties, maar niet naar nieuwe berichten in zijn postvak. Het schrijven van het bezwaarschrift heeft veel tijd gekost, en hierdoor is het bezwaar te laat ingediend. Appellant heeft benadrukt dat dit niet mag afdoen aan de inhoud en gegrondheid van zijn bezwaarschrift.
De met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ingebrachte hogerberoepsgronden zijn een herhaling van wat appellant bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De Raad ziet geen reden om anders over deze gronden te oordelen dan de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan en sluit zich in grote lijnen aan bij de overwegingen van de rechtbank.
Hieraan wordt toegevoegd dat appellant niet heeft weersproken dat hij heeft gekozen voor digitale bekendmaking van besluiten op Mijn DUO. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij op 24 januari 2015 heeft gemerkt dat hij geen studiefinanciering meer ontving. Hij heeft toen
– naar eigen zeggen – met de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) contact opgenomen en op Mijn DUO gekeken omdat hij van DUO had vernomen dat er een bericht voor hem klaarstond in de digitale omgeving. Appellant heeft ter zitting van de Raad erkend dat hij niet in zijn postvak heeft gekeken, maar naar de studiefinancieringsspecificaties. Deze wijze van handelen en de gevolgen hiervan dienen voor zijn rekening en risico te komen. Overigens heeft appellant verklaard dat hij op 3 februari 2015, dus nog binnen de bezwaartermijn, is aangevangen met het schrijven van het bezwaarschrift, maar hij er lang over heeft gedaan om het bezwaarschrift af te ronden om alles goed te verwoorden. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Uit de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat onder deze omstandigheden niet aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil kan worden toegekomen.
Uit hetgeen in 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017.
(getekend) J. Brand
(getekend) I.G.A.H Toma