Socialezekerheidsrecht

Verrekening, intrekking en terugvordering toeslag en WAO-uitkering. Appellante heeft in strijd met haar…

Centrale Raad van Beroep, 8 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Datum publicatie
9 oktober 2026
Zaaknummer
25/89 TW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1330
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verrekening, intrekking en terugvordering toeslag en WAO-uitkering. Appellante heeft in strijd met haar inlichtingenplicht niet aan het Uwv doorgegeven dat zij inkomsten had uit werk als zelfstandige.

Dit betekent dat de anticumulatie van inkomsten op grond van artikel 44 van de WAO over de jaren 2017, 2018 en 2019, de intrekking van de toeslag over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015 en de terugvorderingen van (in totaal) € 25.449,12 (WAO) en € 1.260,16 (toeslag) in stand blijven.

Uitspraak

25/89

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

18 december 2024, 22/3644 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 8 oktober 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de inkomsten van appellante als zelfstandig ondernemer over de jaren 2017, 2018 en 2019 op haar WAO-uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO heeft geanticumuleerd en terecht een bedrag aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van haar heeft teruggevorderd. Het gaat in deze zaak verder om de vraag of het Uwv terecht de toeslag op de WAO-uitkering van appellante over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015 heeft ingetrokken en de onverschuldigd betaalde toeslag over die periode van haar heeft teruggevorderd. De Raad beantwoordt beide vragen bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 september 2026. Appellante is verschenen door middel van beeldbellen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.W. de Paus.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 28 februari 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Sinds april 2011 werkt appellante in loondienst bij [naam stichting] als examinator, waaruit zij wisselende inkomsten heeft. Vanaf 1 oktober 2011 ontvangt appellante een toeslag op haar WAO-uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW). De inkomsten uit loondienst worden verrekend met de WAO-uitkering en de toeslag.

1.2.

Vanaf 1 januari 2015 is appellante werkzaam als zelfstandige. Dit heeft appellante niet aan het Uwv doorgegeven.

1.3.

Bij brief van 1 december 2015 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar WAOuitkering vanaf 1 juli 2015 wordt betaald als voorschot en dat in december 2016 haar inkomsten over de periode 1 december 2015 tot en met 30 november 2016 definitief worden vastgesteld.

1.4.

Op 17 januari 2022 heeft het Uwv gegevens van de Belastingdienst verkregen waaruit blijkt dat appellante vanaf 1 januari 2015 inkomsten als zelfstandige heeft gegenereerd.

1.5.

Bij besluit van 14 maart 2022 heeft het Uwv de inkomsten als zelfstandige van appellante in mindering gebracht op haar toeslag op de WAO-uitkering over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015 en een bedrag van € 1.260,16 bruto aan onverschuldigd betaalde toeslag van appellante teruggevorderd.

1.6.

Bij afzonderlijk besluit van 14 maart 2022 heeft het Uwv de inkomsten als zelfstandige van appellante in mindering gebracht op haar WAO-uitkering over het jaar 2017 en een bedrag van € 4.971,- bruto aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellante teruggevorderd.

1.7.

Bij afzonderlijk besluit van 14 maart 2022 heeft het Uwv de inkomsten als zelfstandige van appellante in mindering gebracht op haar WAO-uitkering over het jaar 2019 en een bedrag van € 10.365,60 bruto aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellante teruggevorderd.

1.8.

Bij besluit van 23 maart 2022 heeft het Uwv de inkomsten als zelfstandige van appellante in mindering gebracht op haar WAO-uitkering over het jaar 2018 en een bedrag van € 10.112,52 bruto aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellante teruggevorderd.

1.9.

Bij beslissing op bezwaar van 29 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 14 maart 2022 en 23 maart 2022 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat het Uwv in beroep een andere grondslag en motivering aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Het Uwv is er namelijk bij het bestreden besluit ten onrechte vanuit gegaan dat de WAOuitkering nog niet definitief was vastgesteld en aan het bestreden besluit was nog niet de schending van de inlichtingenverplichting ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten, omdat het Uwv terecht heeft gesteld dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden en er geen dringende redenen zijn op grond waarvan het Uwv af had moeten zien van terugvordering van de (toeslag op de) WAO-uitkering van appellante. Appellante heeft in strijd met haar inlichtingenplicht niet aan het Uwv doorgegeven dat zij inkomsten had uit werk als zelfstandige. Dat zij dit wel bij de Belastingdienst heeft doorgegeven, doet daar niet aan af. Het Uwv heeft toegelicht dat er geen koppeling is met de Belastingdienst waarbij het Uwv spontaan een melding krijgt als iemand als zelfstandige werkt. Bij het oordeel van de rechtbank dat er geen dringende redenen zijn om van de terugvordering af te zien, heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden en dat er geen sprake is van een fout van het Uwv.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Wat appellante in dit verband heeft aangevoerd, zal hierna worden besproken.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

5.1.

Ter zitting heeft het Uwv bevestigd dat het Uwv bij het bestreden besluit onder toepassing van artikel 44 van de WAO is overgegaan tot anticumulatie van de inkomsten die appellante heeft gegenereerd als zelfstandige op haar WAO-uitkering. Niet in geschil is dat appellante over de jaren 2017, 2018 en 2019 te veel WAO-uitkering heeft ontvangen in verband met inkomsten uit haar werk als zelfstandige. Ook de hoogte van deze inkomsten is niet in geschil. Op grond van artikel 44 van de WAO is het Uwv verplicht de inkomsten in mindering te brengen op de WAO-uitkering van appellante. Hierdoor heeft het Uwv een bedrag van (in totaal) € 25.449,12 bruto aan WAO-uitkering onverschuldigd betaald aan appellante. Het Uwv is in beginsel op grond van artikel 57 van de WAO verplicht de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering terug te vorderen. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is een (verwijtbare) schending van de inlichtingenplicht hiervoor geen voorwaarde. Op grond van het zesde lid kan het Uwv op grond van dringende redenen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

5.2.

Ook is niet in geschil dat appellante in verband met haar inkomsten als zelfstandige over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015 ten onrechte een toeslag op haar WAO-uitkering heeft ontvangen. Gelet op de artikelen 11a en 20 van de TW is het Uwv in zo’n geval in beginsel verplicht het recht op toeslag met terugwerkende kracht in te trekken en het teveel betaalde terug te vorderen. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is een (verwijtbare) schending van de inlichtingenplicht voor intrekking en terugvordering geen voorwaarde. Het Uwv kan alleen op grond van dringende redenen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

5.3.

Ter zitting heeft appellante bevestigd dat alle beroepsgronden die zij tot dan toe heeft aangevoerd, moeten worden gezien in het kader van een beroep op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Samengevat heeft appellante in dit verband het volgende gesteld. Zij mocht ervan uitgaan dat de Belastingdienst alle gegevens over haar inkomsten aan het Uwv doorgeeft, dus ook de inkomsten als zelfstandige. Waarom de Belastingdienst wel gegevens doorgeeft over inkomsten uit dienstverband, maar niet over inkomsten uit werkzaamheden als zelfstandige, is voor haar onduidelijk. Het had volgens appellante op de weg van het Uwv gelegen om dit verschil duidelijk met haar te communiceren. Hierbij heeft appellante gewezen op de onder 1.3 genoemde brief van 1 december 2015 van het Uwv, waarin staat dat het niet meer nodig is om maandelijks loonstroken op te sturen. Daaruit kan volgens haar niet worden afgeleid dat het uitsluitend om inkomstengegevens uit dienstbetrekking gaat en niet om alle inkomsten, inclusief inkomsten uit werkzaamheden als zelfstandige, die in een belastingjaar, worden genoten. Verder heeft appellante gewezen op het tijdsverloop. Door pas in 2022 terug te vorderen is de terugvordering onnodig hoog opgelopen. Tot slot heeft appellante gewezen op de impact die de terugvordering heeft gehad op haar sociale leven.

5.4.

Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de intrekking en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.

5.5.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Het Uwv heeft in de situatie van appellante zowel bij de oorzaak als de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. De oorzaak van de terugvordering is volledig aan appellante te wijten omdat zij haar inkomsten als zelfstandige niet heeft gemeld aan het Uwv. Het Uwv heeft na ontvangst van de gegevens van de Belastingdienst op 17 januari 2022 adequaat en voortvarend gehandeld. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

5.6.

Het Uwv heeft in hoger beroep herhaald dat de Belastingdienst niet automatisch inkomsten uit een onderneming deelt met het Uwv. Het Uwv heeft toegelicht dat pas wanneer het Uwv weet dat een verzekerde als zelfstandige is gestart, via het BSN in een systeem (ZAU) een koppeling kan worden gelegd met de Belastingdienst. Pas op 17 januari 2022 is gebleken dat appellante sinds 1 januari 2015 als zelfstandige staat geregistreerd, nadat in de polisadministratie een melding was gekomen over een uitkering op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen. Pas daarna heeft een koppeling plaatsgevonden met de Belastingdienst. Als appellante eerder had gemeld dat zij werkzaamheden als zelfstandige was gestart, had het Uwv direct een koppeling met de Belastingdienst kunnen leggen. Hiermee heeft het Uwv duidelijk gemaakt dat het Uwv afhankelijk is van de informatie die door de verzekerde zelf aan het Uwv wordt verstrekt over werkzaamheden als zelfstandige. Dat de inkomsten als zelfstandige van appellante wel bekend waren bij de Belastingdienst, ontsloeg appellante dus niet van de verplichting om deze zelf te melden aan het Uwv. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv duidelijker over het verschil tussen inkomsten uit dienstverband en inkomsten als zelfstandige had moeten communiceren. Het Uwv heeft terecht gesteld dat in de brief van 1 december 2015 alleen wordt gesproken over loonstroken die niet meer hoeven te worden overgelegd en bijvoorbeeld niet over jaarcijfers. Wat betreft de financiële gevolgen van de terugvordering is ter zitting bevestigd dat het Uwv bij de invordering de betalingsregeling heeft afgestemd op de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van appellante. Aldus heeft het Uwv voldoende rekening gehouden met de financiële gevolgen van de terugvordering voor appellante. Verder is niet gebleken dat de terugvordering voor appellante onaanvaardbare sociale gevolgen heeft.

Conclusie en gevolgen

5.7.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de anticumulatie van inkomsten op grond van artikel 44 van de WAO over de jaren 2017, 2018 en 2019, de intrekking van de toeslag over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015 en de terugvorderingen van (in totaal) € 25.449,12 (WAO) en € 1.260,16 (toeslag) in stand blijven.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en L.A. Kjellevold en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) A.N. Bechinka

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 44 van de WAO

1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:

a. (...)

b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.

Artikel 57 van de WAO

1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

(…)

6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Artikel 11a van de Toeslagenwet

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;

b. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.

2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 20, eerste en vijfde lid, van de Toeslagenwet

1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

(…)

5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Zie de uitspraak van de Raad van 11 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:148. Zie de uitspraak van de Raad van 5 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1787. Zie de uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.