Socialezekerheidsrecht

Weigering om terug te komen op besluit 7 mei 2021 tot herziening en intrekking WIA-uitkering. Geen nieuwe…

Centrale Raad van Beroep, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
23 oktober 2026
Zaaknummer
25/1655 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1396
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Weigering om terug te komen op besluit 7 mei 2021 tot herziening en intrekking WIA-uitkering. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Weigering niet evident onredelijk.

Uitspraak

25/1655 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 juni 2025, 24/1624 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 oktober 2026

SAMENVATTING

Het Uwv heeft bij een besluit van 7 mei 2021de WIA-uitkering van appellante van 1 augustus 2014 tot en met 31 december 2019 herzien en de over deze periode onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 86.557,71,- bruto teruggevorderd. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat er ten opzichte van het besluit van 7 mei 2021 geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat het Uwv van dat besluit moest terugkomen. De Raad oordeelt ook dat de weigering om terug te komen niet evident onredelijk is.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F. Mooibroek, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mooibroek. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. W. van de Graaff-Eggink.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.

Appellante ontving sinds 25 september 2008 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst in 2019 is door het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte uitkering. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn bankafschriften gevorderd en is een gesprek gevoerd met appellante. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 april 2021. Bij besluit van 7 mei 2021 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 december 2019 herzien en de over deze periode onverschuldigd betaalde WIAuitkering tot een bedrag van € 86.557,71,- bruto van appellante teruggevorderd. Appellante heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Appellante heeft het Uwv op 11 mei 2023 een verzoek ingediend om terug te komen van het besluit van 7 mei 2021. Bij besluit van 13 juni 2023 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 6 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat met wat appellante heeft aangevoerd, zij in feite opnieuw een discussie wil voeren over de juistheid van het besluit van 7 mei 2021. Daarvoor is in deze procedure echter geen plaats, omdat niet in geschil is dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Dat betekent dat de verwijzing in het besluit van 6 februari 2024 naar het besluit van 7 mei 2021 de afwijzing van het verzoek in beginsel kan dragen en dat de rechtbank in deze zaak alleen moet beoordelen of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. In dit geval heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat het terugvorderingsbesluit van 7 mei 2021 onmiskenbaar onjuist is. Wat appellante heeft aangevoerd over haar schuldenproblematiek en psychische gezondheid, had aangevoerd kunnen worden tegen het besluit van 7 mei 2021. Dat appellante niet is gewezen op de mogelijkheid van het zich laten bijstaan door een rechtsbijstandsverlener doet hier niet aan af, nu er onderaan het besluit van 7 mei 2021 een rechtsmiddelenclausule stond en er verder geen verplichting rust op het Uwv om aan appellante kenbaar te maken dat zij zich kan laten bijstaan door een rechtsbijstandsverlener. Ook het betoog dat appellante geen werkzaamheden zou hebben verricht waarvoor salaris kon worden ontvangen, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een onmiskenbaar onjuist besluit van 7 mei 2021. Dat besluit is namelijk niet alleen gebaseerd op ontvangen geld met als omschrijving ‘salaris’, maar ook op het feit dat appellante geldbedragen heeft ontvangen op zakelijke rekeningen van vennootschappen waarvan zij de enig aandeelhouder is, terwijl daarvoor geen verklaarbare reden is gegeven. Dit betekent dat het Uwv het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de verklaring van de huisarts van 10 februari 2023 is aan te merken als nieuw feit. Daarnaast is de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 7 mei 2021 evident onredelijk. Het besluit van 7 mei 2021 is onmiskenbaar onjuist. Appellante is destijds niet gewezen op de mogelijkheid zich te laten bijstaan door een rechtsbijstandsverlener. Daarnaast was zij gedurende de gehele periode arbeidsongeschikt en daardoor niet tot werken in staat. De vennootschappen op haar naam stonden onder beheer van anderen en met de verworven inkomsten moesten schulden van anderen worden afbetaald. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Dit is ten onrechte niet beoordeeld.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

Verzoek om terug te komen van

5.1.

Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 7 mei 2021 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

5.2.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

5.3.

Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat de verklaring van de huisarts van 10 februari 2023 is aan te merken als nieuw feit. De verklaring gaat over de medische situatie van appellante vanaf 2005. Deze informatie had ook eerder, in een procedure tegen het besluit van 7 mei 2021, naar voren kunnen worden gebracht. Het gaat dus niet om feiten die niet eerder konden worden aangevoerd. Deze verklaring is dan ook terecht niet aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

5.4.

Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestreden besluit niet evident onredelijk is. Volgens vaste rechtspraak kan bij de beoordeling of het bestreden besluit evident onredelijk is worden betrokken of het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om onmiskenbare onjuistheid te concluderen. In wat appellante heeft aangevoerd zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat dit bij het besluit van 7 mei 2021 het geval is. Dat appellante volgens het Uwv arbeidsongeschikt werd geacht, betekent niet dat het besluit van 7 mei 2021 onmiskenbaar onjuist is. Bovendien is nader onderzoek vereist om de juistheid te beoordelen van de stellingen van appellante dat de vennootschappen onder beheer van anderen stonden en dat de inkomsten hieruit niet aan haar ten goede kwamen. Ook het feit dat het Uwv appellante niet heeft gewezen op de mogelijkheid om rechtsbijstand in te schakelen, doet niet aan deze conclusie af. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er op het Uwv geen wettelijke verplichting rust om appellante op deze mogelijkheid te attenderen. Dit betekent dat geen sprake is van een onmiskenbaar onjuist besluit.

Dringende redenen

5.5.

Appellante heeft diverse redenen aangevoerd waarom het Uwv op grond van artikel 4:6 van de Awb zou zijn gehouden om terug te komen van de eerdere besluitvorming. Waarom er, los van die redenen, ook dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien is niet onderbouwd zodat deze grond niet slaagt.

5.6.

Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat geen aanleiding bestond om terug te komen van het besluit van 7 mei 2021, waarbij het Uwv de WIA-uitkering van appellante over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 december 2019 heeft herzien en teruggevorderd. Het Uwv heeft het verzoek dan ook terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5.7.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 7 mei 2021 in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026.


(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. Gios

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 10 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2392, r.o. 4.5, en van 8 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1960, r.o. 4.8.1.