Socialezekerheidsrecht

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het beroepschrift is niet tijdig ingediend.

Centrale Raad van Beroep, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
26/1320 PW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1410
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het beroepschrift is niet tijdig ingediend.

Uitspraak

26/1320 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
10 juni 2026, 23/6257 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.

Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.

Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.

De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 10 juni 2026 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 11 juni 2026 en is geëindigd op 22 juli 2026.

Het beroepschrift is op 23 juli 2026 bezorgd door appellante en is dus na afloop van de beroepstermijn ingediend. Bij brief van 31 juli 2026 is aan appellante gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.

Appellante heeft daarop via e-mailbericht van 28 augustus 2026, kort samengevat, geantwoord dat zij al diverse zaken had lopen bij de Raad en deze heeft ingetrokken omdat het haar teveel werd. Ook ervaart zij stress en overbelasting door persoonlijke omstandigheden, waaronder door uitgestelde werkzaamheden bij haar thuis.

Appellante heeft daarmee geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Uit de in het hogerberoepschrift door appellante gegeven toelichting op de uiterste indieningstermijn maakt de Raad voorts op dat appellante mogelijk (ten onrechte) er vanuit is gegaan dat de laatste dag van de termijn voor het indienen van hoger beroep 23 juli 2026 was. Ook dit is echter geen omstandigheid die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.

Gelet op het bovenstaande is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

(getekend) C.F.E. van Olden-Smit

(getekend) A. Giesen

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.