Bestuursrecht overig
GLB 2023. Afwijzing aanvraag eco-regeling. Beroep ongegrond. Van de minister kan niet worden gevergd om…
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26 maart 2026
ECLI:NL:CBB:2026:192 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 26 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-cbb-2026-192
Zaakgegevens
Op 26 maart 2026 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 26 maart 2026
- Datum publicatie
- 29 april 2026
- Zaaknummer
- 24/783
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2026:192
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
GLB 2023. Afwijzing aanvraag eco-regeling. Beroep ongegrond.
Van de minister kan niet worden gevergd om zonder dat voor een perceel een aanmelding (voor de eco-regeling) is gedaan, op eigen initiatief te controleren of voor dit perceel aan de voorwaarden voor de eco-regeling wordt voldaan. Een landbouwer dient een perceel tijdig aan te melden voor de eco-regeling. Nu de maatschap dit bij een perceel niet heeft gedaan, heeft de minister de eco-activiteit op dit perceel terecht niet meegenomen voor de eco-regeling.
Uitspraak
proces-verbaal uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/783
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [vestigingsplaats] (maatschap)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. L. Anvelink en mr. J. van Horsen)
Procesverloop
Met het besluit van 11 juni 2024 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 (Uitvoeringsregeling), voor zover hier van belang, de aanvraag voor de eco-regeling van de maatschap afgewezen.
Met het besluit van 22 juli 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de maatschap ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft de maatschap beroep ingesteld.
De zitting was op 26 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] en de gemachtigden van de minister.
Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft het College onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Vast staat dat de maatschap niet voldoet aan één van de voorwaarden die de eco-regeling stelt aan betaling. De maatschap heeft voor de subsidiabele hectares namelijk niet het minimaal aantal punten behaald voor de verbetering van klimaat als bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling.
2 De maatschap heeft aangevoerd dat zij naar eer en geweten heeft gehandeld. Zij zegt ook dat de fout bij haar lag en niet bij de minister. Verder heeft zij erop gewezen dat de minister makkelijk kan controleren of de betreffende activiteit op een perceel is uitgevoerd. Van de minister kan echter niet worden gevergd om zonder dat voor een perceel een aanmelding (voor de eco-regeling) is gedaan, op eigen initiatief te controleren of voor dit perceel aan de voorwaarden voor de eco-regeling wordt voldaan. Een landbouwer dient een perceel tijdig aan te melden voor de eco-regeling (artikel 10 van de Uitvoeringsregeling). Nu de maatschap dit bij perceel 380 niet heeft gedaan, heeft de minister de eco-activiteit op perceel 380 terecht niet meegenomen voor de eco-regeling.
3 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. M.P. Glerum en mr. P. Glazener, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. J.R. Willemstein