Bestuursrecht overig

De accountantskamer heeft in haar uitspraak de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard. Het College…

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
2 november 2026
Zaaknummer
23/1150
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CBB:2026:519
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De accountantskamer heeft in haar uitspraak de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard. Het College komt in hoger beroep tot het oordeel dat de hogerberoepsgrond gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel c, inhoudende dat de accountant heeft verzuimd om correspondentie van de Belastingdienst en van de Kamer van Koophandel zodanig tijdig aan klagers te overhandigen dat zij hierop actie hadden kunnen nemen door onder andere adviseurs in te huren, slaagt. De accountant heeft met haar handelen en nalaten het fundamentele beginsel van professionaliteit als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 4 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants geschonden. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard. Aan de accountant wordt de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1150

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2026 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [vestigingsplaats 1] ( [naam 1] ), en [naam 2], te [vestigingsplaats 2] (Verenigde Staten) ( [naam 2] )

(gemachtigde: mr. M. Sweerts)

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 27 maart 2023 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 1] en [naam 2] tegen

[naam 3] RA ( [naam 3] )


Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] en [naam 2] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 27 maart 2023, met nummer 22/1253 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2023:22).

[naam 3] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

De zitting was op 24 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] , bijgestaan door zijn gemachtigde, die ook optrad als de gemachtigde van [naam 1] , en [naam 3] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 3] staat sinds 19 juni 2002 ingeschreven als registeraccountant in het register van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants.

1.3

[naam 2] is een Amerikaanse advocaat, gespecialiseerd in internationaal handelsrecht. Hij was en is de (enige) bestuurder van het op 1 juli 2014 opgerichte [naam 1] . Bij de oprichting van [naam 1] is het woonadres van [naam 3] in [vestigingsplaats 1] als vestigingsadres van [naam 1] geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK). Op verzoek van [naam 3] heeft [naam 2] per 1 oktober 2020 het vestigingsadres van [naam 1] in het handelsregister laten wijzigen naar een adres in [plaats 1] .

1.4

Per 1 juli 2014 zijn [naam 3] , [naam 4] ( [naam 4] ) en [naam 2] via hun eigen juridische entiteiten, respectievelijk [naam 5] B.V., [naam 6] B.V. en [naam 1] , ieder voor 1/3 deel aandeelhouder geworden in [naam 7] B.V. ( [naam 7] ). Aanvankelijk stond het woonadres van [naam 3] in het handelsregister geregistreerd als vestigingsadres van [naam 7] . In 2016 is het vestigingsadres gewijzigd naar dat van [locatie] te [plaats 2] . Het bestuur van [naam 7] werd aanvankelijk gevormd door [naam 3] en [naam 4] . Per 9 juli 2020 is [naam 3] teruggetreden als bestuurder van [naam 7] .

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht houdt in dat [naam 3] de voor haar geldende gedrags- en beroepsregels niet heeft nageleefd. In de uitspraak van de accountantskamer is de klacht als volgt weergegeven, waarbij voor betrokkene [naam 3] moet worden gelezen en voor klagers [naam 1] en [naam 2] :

a. betrokkene heeft verzuimd om namens [naam 1] de vereiste belastingaangiften en

deponeringen van jaarrekeningen te doen dan wel om klagers erop te wijzen dat zij deze

taken niet langer wilde uitvoeren;

b. betrokkene heeft zonder toestemming van klager[s] belastingaangiften gedaan namens [naam 1] en heeft belastingteruggaven ontvangen;

c. betrokkene heeft verzuimd om correspondentie van de Belastingdienst en van de Kamer van Koophandel, daaronder begrepen correspondentie met waarschuwingen en vragen van deze instanties, zodanig tijdig aan klagers te overhandigen dat zij hierop actie hadden kunnen nemen door onder andere adviseurs in te huren;

d. betrokkene is blijven weigeren om financiële en fiscale stukken van [naam 1] die zij nog in haar bezit had aan klagers te overhandigen.

2.2

Met de uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3 [naam 3] en [naam 1] en [naam 2] hebben op respectievelijk 13 en 14 maart 2026 een groot aantal nadere stukken ingediend. Met de brief van 18 maart 2026 heeft het College partijen bericht dat het aanleiding ziet om die nadere stukken niet als gedingstukken aan te merken, omdat deze om de in de brief genoemde redenen in strijd met de goede (tucht)procesorde zijn ingediend. Het College heeft geoordeeld dat het toelaten van deze grote hoeveelheid stukken in een zeer laat stadium van de procedure de voortgang van de procedure belemmert, omdat, gelet op de omvang en de complexiteit van de stukken, partijen worden belemmerd om op adequate wijze te reageren op de stukken van de andere partij. Ook wordt het College belemmerd in de zorgvuldige voorbereiding van de zaak. Niet is toegelicht waarom de stukken niet eerder in de procedure zijn ingebracht. Ook is niet toegelicht waarom al deze stukken van belang zijn voor de beoordeling van het hoger beroep, gelet op de ingediende klacht zoals beoordeeld door de accountantskamer in de bestreden uitspraak. Tegen deze procesbeslissing hebben [naam 1] en [naam 2] bezwaar gemaakt. Na dit punt met partijen op de zitting te hebben besproken, ziet het College geen aanleiding om van die procesbeslissing terug te komen. Dit betekent dat de op 13 en 14 maart 2026 ingediende nadere stukken niet bij de beoordeling van het hoger beroep zullen worden betrokken.

Is er sprake van uitbreiding van de klacht in hoger beroep?

4.1

Het College stelt vast dat de weergave van de klachtonderdelen onder randnummer 10 in het hogerberoepschrift afwijkt van de weergave van de klachtonderdelen in de uitspraak van de accountantskamer (zoals hiervoor onder 2.1 vermeld).

4.2

Naar aanleiding hiervan heeft [naam 3] in haar schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift het volgende opgemerkt: “De klachten van de klagers [lees: [naam 1] en [naam 2] ] in het beroepschrift zijn veranderd ten opzichte van de klachten in het klaagschrift in eerste aanleg.”

4.3

Hoewel het hogerberoepschrift geen expliciete hogerberoepsgrond bevat tegen de weergave van de klacht in al haar onderdelen door de accountantskamer, hebben [naam 1] en [naam 2] op de zitting gesteld dat de afwijkende weergave van de klachtonderdelen in het hogerberoepschrift zo moet worden opgevat dat zij daarmee hebben beoogd aan te voeren dat de accountantskamer de klacht onjuist heeft weergegeven.

4.4

Volgens de rechtspraak van het College (zie onder meer de uitspraak van

18 februari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:659) is een uitbreiding van de klacht in hoger beroep tegen een uitspraak van de accountantskamer niet mogelijk.

4.5

In het vorenstaande ziet het College aanleiding eerst de vraag te beantwoorden of met genoemde afwijkende weergave in het hogerberoepschrift sprake is van een niet toegestane uitbreiding van de klacht.

4.6

Wat betreft het in het hogerberoepschrift bij klachtonderdeel b (in randnummer 10 van het hogerberoepschrift opgenomen onder a) vermelde element “via een derde”, dat ontbreekt in de weergave van dat klachtonderdeel in de uitspraak van de accountantskamer, is het College van oordeel dat dit niet is terug te voeren op de klacht zoals opgenomen in het klaagschrift. Datzelfde geldt voor het in het hogerberoepschrift bij klachtonderdeel a (in randnummer 10 van het hogerberoepschrift opgenomen onder b) vermelde woord “(tijdig)” en de bij klachtonderdeel d opgenomen zinsnede: “[…] om rekening en verantwoording af te leggen over de fiscale aangiften die zij heeft gedaan namens [naam 1] […]”, die eveneens ontbreken in de weergave van de desbetreffende klachtonderdelen in de uitspraak van de accountantskamer. Dit betekent dat in zoverre sprake is van een niet toegestane uitbreiding van de klacht. Wat betreft de in het hogerberoepschrift bij klachtonderdeel c vermelde zinsnede: “[…] althans om [naam 1] te informeren over de ontvangst van correspondentie.”, is het College van oordeel dat dit wel valt te herleiden tot het klaagschrift en daarom de betekenis van klachtonderdeel c zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer niet wezenlijk wijzigt. Daarmee is in zoverre dus geen sprake van een uitbreiding van de klacht in hoger beroep. Ook voor zover in het hogerberoepschrift overigens sprake is van uitbreiding van de klacht, geldt dat dit niet is toegestaan.

Hogerberoepsgrond tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel a

5.1

De accountantskamer heeft klachtonderdeel a ongegrond verklaard. Daartoe heeft de accountantskamer in 5.3.1 van de bestreden uitspraak eerst vastgesteld dat de verklaringen van partijen over wat al dan niet tussen hen is afgesproken op belangrijke punten tegenover elkaar staan en dat zij niet zelf, buiten partijen om, kan vaststellen wat destijds tussen partijen is afgesproken. Ook heeft de accountantskamer vastgesteld dat als algemeen uitgangspunt geldt dat het in beginsel aan een klager is om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken. De accountantskamer heeft vervolgens in 5.3.3 geoordeeld dat [naam 1] en [naam 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat [naam 3] de verplichting op zich heeft genomen om belastingaangiften en deponeringen van jaarrekeningen voor [naam 1] te verzorgen. Het enkele feit dat [naam 3] post die bestemd was voor [naam 1] , waaronder inlogcodes voor correspondentie met de Belastingdienst, op haar woonadres heeft ontvangen, bewijst de gestelde afspraak niet en bewijst ook niet dat zij deze taken op zich heeft genomen. Uit de handgeschreven vermelding van het toenmalige

e-mailadres van betrokkene bij [naam 7] , in de kantlijn van de overgelegde brief van de Belastingdienst van 23 juli 2014, kan ook niet worden geconcludeerd dat betrokkene deze verplichtingen op zich heeft genomen. Omdat [naam 1] en [naam 2] geen duidelijkheid hebben kunnen verschaffen over deze vermelding kan hieruit niet worden afgeleid dat er een overeenkomst tot stand is gekomen met de door [naam 1] en [naam 2] gestelde inhoud. Voor zover [naam 3] volgens [naam 1] en [naam 2] "als vriendendienst heeft toegezegd om te helpen" en dat zij de "verwachting hadden" dat [naam 3] deze werkzaamheden voor hen zou verrichten, en zij hiermee bedoelen dat daarmee een mondelinge afspraak is gemaakt, had het volgens de accountantskamer op hun weg gelegen om deze stelling te onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden, maar hebben zij dat nagelaten.

5.2

Volgens [naam 1] en [naam 2] heeft [naam 3] met [naam 2] de (mondelinge) afspraak gemaakt om voor [naam 1] , bij wege van vriendendienst, de fiscale en administratieve aangelegenheden in Nederland te verzorgen. Nadien heeft [naam 3] zich ook expliciet bemoeid met de fiscale gang van zaken voor [naam 1] . Zo is zij onder meer in juni 2015 naar de Verenigde Staten afgereisd om bijeenkomsten bij te wonen met de fiscale adviseur van [naam 2] in de Verenigde Staten en heeft zij later ook nog herhaaldelijk telefonische overleggen met deze Amerikaanse fiscalist bijgewoond. Deze gebeurtenissen ondersteunen volgens [naam 1] en [naam 2] het bestaan van een afspraak tussen [naam 2] en [naam 3] en maken dat de ontkenning daarvan door [naam 3] – welke ontkenning de accountantskamer mede ten grondslag heeft gelegd aan de ongegrondverklaring van klachtonderdeel a – onhoudbaar is.

5.3

[naam 3] bevestigt dat haar woonadres (in [vestigingsplaats 1] ) vanaf de oprichting van [naam 1] op 1 juli 2014 tot september 2020 heeft gefungeerd als het vestigings- en postadres van [naam 1] . Maar [naam 1] en [naam 2] gaan er ten onrechte van uit dat zij tot haar taken zou hebben gerekend, dan wel de opdracht zou hebben aanvaard, om de administratie van [naam 1] te verzorgen en/of zorg te dragen voor de belastingaangiften van [naam 1] . [naam 3] kan niet verweten worden dat zij niet kenbaar heeft gemaakt die taak niet langer te willen uitvoeren, eenvoudigweg omdat zij nooit heeft toegezegd die taak op zich te zullen nemen. Wat [naam 3] wel heeft gedaan, is op verzoek (financiële) informatie sturen aan de echtgenote van [naam 2] , [naam 8] , en diverse gegevens verstrekken en verklaringen afgeven in verband met de belastingaangiften van [naam 2] en zijn juridische entiteiten in de Verenigde Staten.

5.4

Het College overweegt dat, zoals ook de accountantskamer in 5.3.2 van de bestreden uitspraak terecht heeft overwogen, het in een tuchtprocedure als deze in beginsel aan klagers is om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het is dus aan [naam 1] en [naam 2] om de – betwiste – stelling dat [naam 3] heeft toegezegd om, als vriendendienst, de administratieve en fiscale aangelegenheden voor [naam 1] te verzorgen aannemelijk te maken. Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat [naam 1] en [naam 2] daarin niet in zijn geslaagd en de overwegingen van de accountantskamer daartoe in 5.3.3. In wat [naam 1] en [naam 2] daarover in hoger beroep hebben aangevoerd, ziet het College geen grond om daarover anders te oordelen. Voor zover [naam 1] en [naam 2] stellen dat sprake is van een toezegging van [naam 3] tot het verrichten van een vriendendienst, voegt het College hieraan nog het volgende toe. In randnummer 8 van het klaagschrift heeft [naam 2] verklaard: “(…) Mevrouw [naam 3] zei dat ik me geen zorgen hoefde te maken over die kosten, omdat ze de boekhouding en formaliteiten voor [naam 1] kon afhandelen, en dat ze ervoor zou zorgen dat advocaten de oprichting van [naam 1] voor mij kosteloos zouden afhandelen. (…)”. Voor zover hieruit al afgeleid zou moeten worden dat [naam 3] heeft toegezegd dat zij een aantal administratieve handelingen voor [naam 1] op zich zou nemen, blijkt daaruit nog niet dat [naam 3] zich heeft verbonden om de belastingaangiften en deponeringen van jaarrekeningen voor [naam 1] te gaan verzorgen. Ook uit de omstandigheid dat [naam 3] , zoals [naam 1] en [naam 2] hebben aangevoerd, overleggen met de fiscale adviseur van [naam 2] in Amerika heeft bijgewoond, kan dit niet afgeleid worden, mede omdat niet duidelijk is waaruit de inhoud van die overleggen bestond. Alleen al omdat niet is komen vast te staan dat [naam 3] gehouden was om de belastingaangiften voor [naam 1] te verzorgen, kan haar er geen verwijt van worden gemaakt dat zij dit over de – door [naam 1] en [naam 2] genoemde – jaren 2017 tot en met 2020 niet heeft gedaan. Datzelfde geldt voor het verwijt van [naam 1] en [naam 2] dat [naam 3] geen jaarrekeningen heeft gedeponeerd en dat zij heeft nagelaten om [naam 1] en [naam 2] erover te informeren dat zij bovengenoemde taken niet langer wilde uitvoeren. De hogerberoepsgrond slaagt niet.

Hogerberoepsgrond tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b

6.1

De accountantskamer is in 5.3.4 van de bestreden uitspraak tot het oordeel gekomen dat [naam 1] en [naam 2] de stelling dat [naam 3] zonder toestemming belastingaangiften namens [naam 1] heeft gedaan, niet aannemelijk hebben gemaakt. Weliswaar hebben zij aangetoond dat een aangifte vennootschapsbelasting 2016 namens [naam 1] is ingediend, maar uit de overgelegde stukken blijkt niet dat het daadwerkelijk [naam 3] was die deze aangifte namens [naam 1] heeft gedaan. In de omstandigheid dat de – niet onderbouwde – stelling over de gevonden back-up van de laptop van [naam 3] en de daarop aangetroffen gegevens pas in een laat stadium van de procedure is ingebracht, heeft de accountantskamer aanleiding gezien aan die stelling voorbij te gaan (zie 5.3.5 van de bestreden uitspraak). De accountantskamer heeft klachtonderdeel b om deze redenen ongegrond verklaard.

6.2

[naam 1] en [naam 2] voeren aan dat in de door een medewerker van [naam 7] gevonden back-up van de laptop van [naam 3] een groot aantal bestanden is gevonden, waaronder een door [naam 3] op 17 december 2018 voor [naam 1] verzonden aangifte vennootschapsbelasting 2016 en een door de Belastingdienst op 12 augustus 2016 aan het
e-mailadres van [naam 3] verzonden ontvangstbevestiging van de op 12 augustus 2016 ontvangen aangifte vennootschapsbelasting 2014/2015. Hiermee is aangetoond dat [naam 3] , buiten medeweten van [naam 1] om, belastingaangiften namens [naam 1] heeft ingediend. Aan de vondst (en het bestaan) van de-back up is de accountantskamer in (5.3.5 van) de uitspraak ten onrechte voorbijgegaan. Verder heeft de accountantskamer met haar overweging in 5.3.3 van de uitspraak dat uit de handgeschreven tekst op de aan [naam 1] gerichte brief van 23 juli 2014 van de Belastingdienst niet kan worden afgeleid dat er een overeenkomst tot stand is gekomen met de door [naam 1] en [naam 2] gestelde inhoud, miskend dat een accountant in het maatschappelijk verkeer een bijzondere rol vervult. Het had op de weg van [naam 3] gelegen om duidelijkheid te verschaffen over het door haar aangemaakte account, waarvan de inloggegevens zijn geschreven op de op haar woonadres bezorgde, hiervoor genoemde brief van 23 juli 2014. De overweging van de accountantskamer dat het aan [naam 1] is om duidelijkheid te verschaffen over het aangemaakte account is onlogisch en onhoudbaar. De bestreden uitspraak kan daarom niet in stand blijven.

6.3

Wat betreft de aangiften vennootschapsbelasting 2014/2015 en 2016 merkt [naam 3] op dat zij zich niet kan herinneren dat zij namens [naam 1] belastingaangiften heeft gedaan en dat ook nergens uit blijkt dat zij dit heeft gedaan. [naam 3] betwist het bestaan van een back-up van haar laptop(s) op een harde schijf van [naam 7] . Tot medio 2020 beschikte [naam 7] namelijk niet over een harde schijf. Dit blijkt ook uit het IT-overzicht van [naam 7] dat [naam 3] in het voorjaar van 2020 van een medewerker van [naam 7] heeft ontvangen. [naam 1] en [naam 2] beweren dat uit metadata van het bestand ‘ [naam 9] .pdf’ blijkt dat [naam 3] de opsteller en indiener was van de aangifte vennootschapsbelasting 2016 voor [naam 1] , maar [naam 3] herkent dit bestand niet. Wat betreft de e-mail van de Belastingdienst van 12 augustus 2016 ontkent [naam 3] dat zij die heeft ontvangen. Zij wijst erop dat [naam 1] en [naam 2] geen metadata verstrekken over de in die e-mail genoemde aangifte vennootschapsbelasting 2014/2015. Kortom, bewijs dat [naam 3] de aangiften vennootschapsbelasting 2014/2015 en 2016 voor [naam 1] zou hebben ingediend ontbreekt. Eenieder heeft de aangiften kunnen indienen, temeer nu de inloggegevens voor het account van [naam 1] bij de Belastingdienst in de archiefkast op het kantoor van [naam 7] lagen en ook gewoon bekend waren bij [naam 2] .

6.4

Het College kan zich vinden in het oordeel van de accountantskamer dat uit de (als producties 8, 9, 12 tot en met 14) bij het klaagschrift overgelegde stukken niet blijkt dat [naam 3] de genoemde belastingaangiften 2014/2015 en 2016 namens [naam 1] heeft ingediend. Ook met de stukken (voor zover toegelaten) die [naam 1] en [naam 2] in hoger beroep nog aanvullend ter onderbouwing hebben overgelegd, is niet aannemelijk gemaakt dat [naam 3] de handelingen heeft verricht die haar in klachtonderdeel b worden verweten. Het overgelegde screenshot van metadata van het bestand ‘ [naam 9] .pdf’, is zonder (schriftelijke) onderbouwing – bijvoorbeeld in de vorm van een forensische rapportage – van hoe de metadata op de harde schijf veilig zijn gesteld, onvoldoende om aan te tonen dat [naam 3] de ‘auteur’ (en verzender) is van de aangifte vennootschapsbelasting 2016. Dat [naam 1] en [naam 2] eerst bij brief van 14 maart 2026 in strijd met de goede procesorde (zie hiervoor onder 3) een rapportage van een forensisch onderzoeksbureau van 24 juni 2024 wat betreft genoemde back-up in hoger beroep hebben ingebracht, komt voor hun eigen rekening en risico. Omdat, zoals [naam 1] en [naam 2] hebben verklaard, de overgelegde aangifte vennootschapsbelasting 2014 (boekjaar van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2015) en de e-mail van de Belastingdienst van 12 augustus 2016 eveneens afkomstig zijn van de back-up van de laptop, kan ook daaraan geen betekenis worden toegekend. [naam 1] en [naam 2] zijn er ook niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat [naam 3] een aan [naam 1] toekomende belastingteruggave heeft ontvangen. Uit de brief van de Belastingdienst van 2 maart 2019 valt inderdaad op te maken dat [naam 1] recht heeft op een belastingteruggave, maar daaruit blijkt niet dat [naam 3] dit bedrag feitelijk heeft ontvangen.
De hogerberoepsgrond slaagt niet.

Hogerberoepsgrond tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel c

7.1

De accountantskamer heeft klachtonderdeel c beoordeeld in 5.4.1 tot en met 5.4.4 van de bestreden uitspraak. De accountantskamer heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard op grond van de volgende overwegingen. De accountantskamer heeft – onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 2 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:257) – vooropgesteld dat het tot de plicht van een accountant kan behoren om in geval van het ontvangen van post die bestemd is voor een ander, de geadresseerde van die post over de ontvangst daarvan te informeren, ook al is geen sprake van een opdrachtrelatie met de geadresseerde. Wat betreft de tegenstrijdige verklaringen van partijen op het punt van het al dan niet overhandigd hebben van voor [naam 1] bestemde correspondentie, heeft de accountantskamer ook hier verwezen naar het algemene uitgangspunt dat het in beginsel aan een klager is om feiten en omstandigheden te stellen en die – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken. De accountantskamer wijst erop dat [naam 3] in haar verweerschrift en ter zitting heeft verklaard dat zij regelmatig post van [naam 1] voor [naam 2] meenam naar het kantoor van [naam 7] in [plaats 2] , waar [naam 2] regelmatig verbleef en waarvan hij daar kennis kon nemen. Ook heeft zij verklaard dat zij wel eens post voor [naam 2] meenam naar de Verenigde Staten en dat zij ontvangen post ter sprake bracht tijdens overleggen via “Zoom” die regelmatig plaatsvonden tussen haar en [naam 2] . De accountantskamer acht deze verklaring niet op voorhand onaannemelijk. [naam 3] heeft, aldus de accountantskamer, haar stelling dat [naam 2] tot 2020 regelmatig aanwezig was in het kantoor van [naam 7] in [plaats 2] gemotiveerd onderbouwd. [naam 2] heeft zijn stelling dat [naam 3] correspondentie heeft achterhouden volgens de accountantskamer niet onderbouwd.

7.2

[naam 1] en [naam 2] vinden de ongegrondverklaring van klachtonderdeel c onbegrijpelijk. Als accountant had [naam 3] [naam 2] moeten informeren over het ontvangen en/of over het bewaren van de voor [naam 1] bestemde poststukken op het kantoor van [naam 7] in [plaats 2] , dan wel had zij die stukken naar [naam 2] moeten doorsturen. Dat [naam 3] dit – zoals zij stelt – heeft gedaan, blijkt nergens uit. [naam 3] heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat zij [naam 2] op de hoogte heeft gesteld van voor [naam 1] ontvangen poststukken. Ook heeft zij niets verklaard over wanneer zij de voor [naam 1] bestemde poststukken op het kantoor van [naam 7] in [plaats 2] heeft achtergelaten. Het betoog van [naam 3] dat zij tijdens de – wat betreft de gang van zaken bij [naam 7] – gevoerde Zoom-overleggen de voor [naam 1] bestemde poststukken met [naam 2] zou hebben besproken, dan wel dat zij die poststukken tijdens haar bezoeken aan de Verenigde Staten aan [naam 2] heeft verstrekt, wordt betwist. Gelet op die betwisting draagt [naam 3] de bewijslast van het door haar gevoerde verweer. Van haar als accountant mag worden verwacht dat zij haar verweer met bewijsmiddelen onderbouwt, maar daar is geen sprake van.

7.3

[naam 3] ontkent dat zij de voor [naam 1] bestemde poststukken die zij in de periode van 1 juli 2014 tot en met september 2020 op haar woonadres heeft ontvangen, niet of te laat aan [naam 2] ter beschikking heeft gesteld. [naam 3] heeft deze poststukken doorgestuurd aan [naam 2] , meegenomen naar de Verenigde Staten dan wel ter sprake gebracht tijdens het Zoom-overleg dat met regelmaat tussen de partners van [naam 7] plaatsvond dan wel als men elkaar fysiek trof. Vanaf 2016, toen het kantoor van [naam 7] in [plaats 2] werd gevestigd, nam [naam 3] de poststukken regelmatig mee daarnaartoe. De post voor [naam 1] werd daar in twee grote hangmappen bewaard in een archiefkast met een roldeur. Daarnaast is de stelling van [naam 1] en [naam 2] dat [naam 3] alle correspondentie zou hebben achtergehouden ongeloofwaardig, omdat dit zou betekenen dat [naam 2] in de zes jaar dat [naam 1] op het woonadres van [naam 3] was gevestigd nooit post van de Belastingdienst of van de KvK zou hebben gekregen. Een ervaren advocaat als [naam 2] moet er toch mee bekend zijn dat, ook al is (één van) zijn juridische entiteit(en) in het buitenland gevestigd en opgericht naar een hem niet bekend recht, er in elk land regelmatig correspondentie zal moeten zijn met de Belastingdienst van dat land en/of met andere overheidsinstanties. Bij afwezigheid van dergelijke correspondentie, zou [naam 2] daar logischerwijs dan toch op enig moment naar hebben gevraagd.

7.4

Het College overweegt dat uit de stukken blijkt dat het woonadres van [naam 3] in [vestigingsplaats 1] in de periode van 1 juli 2014 (oprichting van [naam 1] ) tot 1 oktober 2020 in het handelsregister van de KvK geregistreerd stond als vestigingsadres van [naam 1] . Niet gebleken is dat partijen concrete afspraken hebben vastgelegd over de verwerking/doorzending van de door [naam 3] voor [naam 1] (en/of [naam 2] ) van de Belastingdienst en KvK ontvangen correspondentie. Vast staat ook dat hun verklaringen over de gang van zaken wat betreft het ter beschikking stellen van die correspondentie aan [naam 1] en/of [naam 2] sterk uiteenlopen. Dit neemt naar het oordeel van het College niet weg dat door in te stemmen met het gebruik van haar woonadres als vestigingsadres voor [naam 1] op [naam 3] als accountant de verantwoordelijkheid is komen te rusten om ervoor te zorgen dat [naam 2] tijdig kennis kon nemen van de voor [naam 1] bestemde correspondentie van de Belastingdienst en de KvK (vergelijk de door de accountantskamer in de bestreden uitspraak aangehaalde uitspraak van het College van 2 juli 2019, ECLI :NL:CBB:2019:257, onder 4.5 en 4.6). Het had dan ook op de weg van [naam 3] gelegen om met ( [naam 2] als bestuurder van) [naam 1] duidelijke afspraken te maken over de mogelijkheid voor [naam 2] (en/of [naam 1] ) om tijdig kennis te kunnen nemen van de op haar woonadres voor [naam 1] ontvangen correspondentie van de Belastingdienst en de KvK, dan wel er in de praktijk blijk van te geven dat zij die mogelijkheid heeft gerealiseerd. Deze verantwoordelijkheid bleef op [naam 3] rusten, nadat het kantoor van [naam 7] was verhuisd naar het pand in [plaats 2] en zij volgens haar verklaring de bedoelde correspondentie meenam naar dat kantoor en daar opborg in hangmappen in een archiefkast. In wat [naam 3] heeft gesteld ziet het College onvoldoende grond om aan te nemen dat zij deze verantwoordelijkheid heeft genomen. Haar stellingen wat betreft het doorsturen van voor [naam 1] bestemde post en het achterlaten van poststukken op het kantoor van [naam 7] heeft zij onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd, terwijl dat gelet op die verantwoordelijkheid wel van haar mocht worden verlangd. Weliswaar heeft [naam 3] ter onderbouwing een e-mail overgelegd waaruit blijkt dat zij op 15 januari 2016 aan Ellie en James [naam 2] een pdf-bestand heeft verzonden, maar gegevens over de inhoud van dat bestand ontbreken, zodat niet duidelijk is of dit bestand voor [naam 1] bestemde post van de Belastingdienst of de KvK betrof. Het College vindt het daarnaast opmerkelijk dat [naam 3] over een periode van (in ieder geval) twee jaar (2014-2016) niet meer
e-mailberichten dan wel andere stukken heeft overgelegd waaruit afgeleid kan worden dat zij ervoor heeft gezorgd dat [naam 1] en/of [naam 2] konden beschikken over de voor [naam 1] (en/of [naam 2] ) bestemde correspondentie van de Belastingdienst en de KvK. Anders dan de accountantskamer is het College, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat [naam 3] met dit handelen en nalaten het fundamentele beginsel van professionaliteit als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 4 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants heeft geschonden. De hogerberoepsgrond slaagt.

Klachtonderdeel d

8 Hoewel [naam 1] en [naam 2] op de zitting kenbaar hebben gemaakt dat het hoger beroep zich richt tegen het gehele oordeel van de accountantskamer in de bestreden uitspraak, stelt het College vast dat een expliciete hogerberoepsgrond en/of onderbouwing gericht tegen het oordeel van de accountantskamer over klachtonderdeel d ontbreekt. Voor zover is bedoeld ook hoger beroep in te stellen tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel d, slaagt dat alleen om die reden al niet.

Conclusie en maatregel

9 De slotsom is dat het hoger beroep slaagt. De uitspraak van de accountantskamer dient te worden vernietigd, voor zover daarin klachtonderdeel c ongegrond is verklaard. Het College zal de zaak zelf afdoen door klachtonderdeel c gegrond te verklaren en zal aan [naam 3] de maatregel van waarschuwing opleggen. Deze maatregel acht het College gelet op de aard en ernst van de (in 7.4 omschreven) tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging passend en geboden.

10 De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak voor zover het betreft de ongegrondverklaring van klachtonderdeel c;

- verklaart klachtonderdeel c gegrond;

- legt aan [naam 3] de maatregel van waarschuwing op;

- verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.L. van der Beek en

mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2026.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. J.M. Baars