Bestuursrecht overig

Bij besluit van 17 juli 2023 heeft de Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend aan [appellante] in het…

Raad van State, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
202505022/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6354
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 17 juli 2023 heeft de Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend aan [appellante] in het kader van de hersteloperatie toeslagen. In deze uitspraak gaat het om de vraag of [appellante] voor de toeslagjaren 2011 en 2012 recht heeft op compensatie, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). Daarin is bepaald dat de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toekent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem: a) voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst toeslagen; of b) de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijk systeem. Volgens de Dienst Toeslagen heeft [appellante] geen recht op compensatie. Hij heeft toegelicht dat het bedrag van de (voorschotten) kinderopvangtoeslag voor het jaar 2011 een aantal keren is aangepast vanwege wijzigingen die [appellante] zelf heeft doorgegeven.

Uitspraak

202505022/1/A2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2025 in zaak nr. 24/9127 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2023 heeft de Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend aan [appellante] in het kader van de hersteloperatie toeslagen.

Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 september 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. G. Arslan, advocaat in Rotterdam, en A.J. Abdilahi, tolk, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       In deze uitspraak gaat het om de vraag of [appellante] voor de toeslagjaren 2011 en 2012 recht heeft op compensatie, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). Daarin is bepaald dat de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toekent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem: a) voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst toeslagen; of b) de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijk systeem.

2.       Volgens de Dienst Toeslagen heeft [appellante] geen recht op compensatie. Hij heeft toegelicht dat het bedrag van de (voorschotten) kinderopvangtoeslag voor het jaar 2011 een aantal keren is aangepast vanwege wijzigingen die [appellante] zelf heeft doorgegeven. Eén van de wijzigingen heeft ertoe geleid dat het bedrag van de voorschotten van € 10.675,00 is aangepast naar € 23.028,00 bij besluit van 26 maart 2011. De wijziging in de gegevens die tot dat besluit heeft geleid bleek een vergissing te zijn en is door [appellante] gecorrigeerd. Bij besluit van 30 maart 2011 is het bedrag daarop aangepast naar € 10.467,00. Bij besluit van 21 mei 2013 is het bedrag van de kinderopvangtoeslag vastgesteld op € 10.138,00, waarbij bepaald is dat [appellante] nog recht heeft op € 153,00.

Het bedrag van de voorschotten kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 is bij besluit van 29 december 2011 bepaald op € 7.417,00. [appellante] heeft de kinderopvangtoeslag voor dit jaar stopgezet, waarna het bedrag bij het besluit van 21 januari 2012 is gewijzigd naar € 0,00. Er was toen al één maandbedrag van € 618,00 uitbetaald, dat volgens de dienst nadien is teruggevorderd.

Hoger beroep

3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012. In het toeslagjaar 2011 is er een bedrag van meer dan € 1.500,00 teruggevorderd. Zij weet niet of zij zelf informatie heeft verstrekt op basis waarvan het voorschotbedrag voor dat jaar is gewijzigd naar € 23.028,00. In die periode kreeg zij veel tegenstrijdige en onbegrijpelijke brieven van de Dienst Toeslagen. De schade die zij heeft geleden moet daarom volledig voor rekening komen van de Dienst Toeslagen. Eén van de gevolgen van de terugvordering is dat zij in het jaar 2012 de kinderopvangtoeslag zelf heeft stopgezet. Verder kwam zij door de terugvordering in ernstige financiële en persoonlijke problemen terecht. [appellante] doet daarbij een beroep op de hardheidsclausule.

[appellante] heeft verder voor het eerst op de zitting van de Afdeling betwist dat er over het toeslagjaar 2012 een bedrag van € 618,00 is teruggevorderd en heeft aangevoerd dat het dossier incompleet is.

Beoordeling

4.       Uit de besluiten van 29 december 2011 en 21 januari 2012 en de toelichting van de Dienst Toeslagen op de zitting van de Afdeling volgt dat er over het toeslagjaar 2012 (niet meer dan) € 618,00 is teruggevorderd. [appellante] heeft niet toegelicht of onderbouwd waarom dat niet juist zou zijn. Verder heeft zij niet concreet gemaakt welke stukken volgens haar in het dossier ontbreken. De Afdeling volgt daarom niet haar standpunten dat over het jaar 2012 niet (slechts) € 618,00 is teruggevorderd en dat het dossier incompleet is.

5.       De overige gronden van [appellante] berusten op de gestelde omstandigheid dat over het toeslagjaar 2011 meer dan € 1.500,00 is teruggevorderd. Uit de overgelegde besluiten volgt dat over dat jaar niets aan (voorschotten) kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. [appellante] heeft geen aanknopingspunten aangedragen die wijzen op het tegendeel. Alleen al daarom slagen de gronden niet.

Slotsom

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

7.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Benek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.

w.g. Benek

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Riet

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

994