Bestuursrecht overig

Bij besluit van 31 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend aan [appellante] voor…

Raad van State, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
202502628/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6355
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 31 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend aan [appellante] voor het toeslagjaar 2011 in het kader van de hersteloperatie toeslagen. In deze uitspraak gaat het om de vraag of [appellante] voor het toeslagjaar 2011 recht heeft op compensatie, zoals is bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). Daarin is bepaald dat de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toekent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem: a) voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst toeslagen; of b) de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijk systeem. De Dienst Toeslagen heeft destijds voor het jaar 2011 (voorschotten) kinderopvangtoeslag aan [appellante] toegekend.

Uitspraak

202502628/1/A2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2025 in zaak nr. 24/6499 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend aan [appellante] voor het toeslagjaar 2011 in het kader van de hersteloperatie toeslagen.

Bij besluit van 12 oktober 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 september 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. K. Bozia, advocaat in Lelystad, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       In deze uitspraak gaat het om de vraag of [appellante] voor het toeslagjaar 2011 recht heeft op compensatie, zoals is bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). Daarin is bepaald dat de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toekent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem: a) voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst toeslagen; of b) de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijk systeem.

2.       De Dienst Toeslagen heeft destijds voor het jaar 2011 (voorschotten) kinderopvangtoeslag aan [appellante] toegekend. Bij het besluit van 3 december 2010 heeft hij het bedrag van de voorschotten bepaald op € 8.366,00. Bij besluit van 4 februari 2011 is dat bedrag bijgesteld naar € 8.819,00 op basis van de gegevens die hij heeft ontvangen. [appellante] heeft bij antwoordformulier van 23 augustus 2012 doorgegeven dat zij in totaal 993 uren kinderopvang heeft afgenomen in het jaar 2011 en dat de kosten daarvoor € 5.866,80 bedragen. Hierbij is een jaaropgave van 25 januari 2012 gevoegd van een kinderopvanginstelling voor het jaar 2011, waarin staat dat in de maanden januari tot en met juni 2011 in totaal 992,7 opvanguren zijn afgenomen, waarvoor de kosten € 5.866,80 bedragen. Bij besluit van 5 december 2013 heeft de Dienst Toeslagen het bedrag van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2011 vastgesteld op € 4.421,00 en bepaald dat [appellante] € 4.398,00 aan uitgekeerde voorschotten moet terugbetalen. [appellante] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan is bij besluit van 19 juli 2014 het bedrag van de kinderopvangtoeslag bijgesteld naar € 8.843,00.

Hoger beroep

3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van een combinatie van onzorgvuldigheden die duiden op institutioneel vooringenomen handelen. De Dienst Toeslagen had in het verschil tussen de gegevens die bij het antwoordformulier zijn opgegeven en de gegevens waarop het voorschotbedrag aanvankelijk was vastgesteld aanleiding moeten zien om nader onderzoek te doen. Op het antwoordformulier staan alleen de gegevens voor de eerste helft van het jaar 2011, terwijl [appellante] dat hele jaar kinderopvang heeft afgenomen. Verder heeft de Dienst Toeslagen geen rekening gehouden met het feit dat [appellante] in 2011 student was en behoorde tot de doelgroep van kinderopvangtoeslag. Ook heeft de Dienst Toeslagen beweerd dat [appellante] zelf het nummer van het Landelijk Register Kinderopvang (LRK-nummer) heeft gewijzigd. Verder is ten onrechte opgemerkt dat het bezwaarschrift van december 2013, gericht tegen het besluit van 5 december 2013, niet is ontvangen, terwijl uit het bezwaardossier blijkt dat dit bezwaarschrift wel tijdig is ontvangen. De rechtbank heeft onvoldoende getoetst of de samenloop van deze omstandigheden hebben geleid tot schade voor [appellante]. Verder heeft de rechtbank ten onrechte de argumenten die zij op de zitting van de rechtbank naar voren heeft gebracht buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.

4.       [appellante] heeft daarnaast, voor het eerst op de zitting van de Afdeling, gewezen op het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek en heeft daarbij aangevoerd dat in haar geval sprake is van twee van de vijf kenmerken die volgens dat handboek in samenhang moeten worden beoordeeld bij vooringenomenheid. Verder heeft zij voor het eerst op de zitting van de Afdeling betoogd dat, als volgens de Afdeling geen sprake is van vooringenomen handelen, zij recht heeft op compensatie vanwege hardheid, zoals is bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder b, van de Wht.

Beoordeling

5.       De rechtbank heeft aanleiding kunnen zien om de argumenten waarmee [appellante] op de zitting nog heeft getracht aan te tonen dat sprake is geweest van vooringenomenheid wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] hiermee de Dienst Toeslagen en de rechtbank overvalt en dat zij niet heeft toegelicht waarom zij deze argumenten niet eerder naar voren heeft kunnen brengen.

6.       De Afdeling volgt [appellante] niet in haar standpunt dat de Dienst Toeslagen nader onderzoek had moeten doen voordat hij de kinderopvangtoeslag bij het besluit van 5 december 2013 naar beneden bijstelde. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat dit besluit is gebaseerd op het antwoordformulier van 23 augustus 2012, waarbij de informatie in dit antwoordformulier strookte met de informatie in de bijgevoegde jaaropgave voor het jaar 2011 die [appellante] zelf heeft toegestuurd. Dat het aantal opvanguren dat daarop is vermeld afwijkt van het aantal uren waarop de hoogte van voorschotten gebaseerd waren, betekent niet dat de Dienst Toeslagen niet mocht uitgaan van de jaaropgave. Er kan immers pas na afloop van het desbetreffende toeslagjaar definitief worden vastgesteld wat het daadwerkelijk aantal afgenomen opvanguren in dat jaar is geweest en dus ook wat de hoogte van de kinderopvangtoeslag moet zijn.

7.       [appellante] heeft desgevraagd op de zitting van de Afdeling een toelichting gegeven op wat de rechtbank buiten beschouwing heeft gelaten. [appellante] heeft aangevoerd dat zij twee keer bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 5 december 2013 en dat zij beide keren, naast de jaaropgave van 25 januari 2012 met gegevens over de eerste helft van het jaar 2011, óók een jaaropgave met gegevens over de tweede helft van dat jaar heeft overgelegd. Naar het oordeel van de Afdeling doet dat niet af aan wat onder 6 is overwogen. Uit wat [appellante] heeft aangevoerd volgt immers dat zij die tweede jaaropgave pas voor het eerst ná het besluit van 5 december 2013 heeft overgelegd. De Dienst Toeslagen heeft bij dat besluit dus geen rekening kunnen houden met die jaaropgave. Verder heeft [appellante] op de zitting gesteld dat sprake was van twee antwoordformulieren. Zij heeft evenwel niet duidelijk gemaakt wanneer het tweede antwoordformulier zou zijn overgelegd en waaruit dat zou blijken. De Dienst Toeslagen heeft aangevoerd dat slechts éénmaal een verzoek om informatie aan [appellante] is gestuurd. De Afdeling ziet in het gestelde dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Verder heeft [appellante] gesteld dat discrepantie tussen gegevens uit de zogenaamde KOI-viewer en gegevens die door de ouder worden opgegeven aanleiding moet geven om nader onderzoek te doen. De Dienst Toeslagen heeft daarop onweersproken gesteld dat er in het geval van [appellante] geen gegevens waren opgenomen in de KOI-viewer en dat dit juist de aanleiding was om informatie bij [appellante] op te vragen. Voor zover [appellante] zich op het standpunt heeft gesteld dat de Dienst Toeslagen nader onderzoek had moeten doen, omdat de gegevens in de KOI-viewer en de gegevens die [appellante] bij het antwoordformulier van 23 augustus 2012 had aangeleverd niet in overeenstemming waren, volgt de Afdeling dat dan ook niet.

8.       Ook in de overige omstandigheden die [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat zij schade heeft geleden doordat ten aanzien van haar sprake was van institutionele vooringenomenheid, zoals bedoeld is in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht. [appellante] heeft geen aanknopingspunten aangedragen voor de conclusie dat die omstandigheden verband houden met de terugvordering van een deel van de (voorschotten) kinderopvangtoeslag bij het besluit van 5 december 2013. De Dienst Toeslagen heeft onderbouwd toegelicht dat het formulier ‘wijziging LRK nummer’ geen gevolgen heeft gehad voor haar recht op kinderopvangtoeslag. De gronden die [appellante] voor het eerst op de zitting van de Afdeling naar voren heeft gebracht worden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Door deze gronden pas zo laat in te brengen wordt de Dienst Toeslagen belemmerd in zijn mogelijkheid om hier adequaat op te reageren. Niet valt in te zien waarom deze gronden niet eerder ingebracht konden worden. Daarbij heeft de Dienst Toeslagen onweersproken naar voren gebracht dat [appellante] over het toeslagjaar 2011 geen schade heeft geleden, aangezien zij het bedrag, dat bij het besluit van 5 december 2013 is teruggevorderd, niet heeft terugbetaald, dat bedrag ook niet is verrekend, en de terugvordering binnen zeven maanden is teruggedraaid bij het besluit van 19 juli 2014. [appellante] heeft daarop aangevoerd dat de omstandigheid dat geen schade is geleden niet betekent dat geen sprake is van vooringenomenheid. Voor zover [appellante] zich daarmee op het standpunt heeft gesteld dat het voor het recht op compensatie niet uitmaakt of de aanvrager van een kinderopvangtoeslag schade heeft geleden, berust dat op een onjuiste lezing van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.

9.       Het voorgaande brengt mee dat de Afdeling het eens is met de uitspraak van de rechtbank.

Slotsom

10.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

11.     De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Benek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.

w.g. Benek

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Riet

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

994