Bestuursrecht overig
Verzoek om een uitkering afgewezen. Beroep tegen een fictieve afwijzende beschikking op bezwaar terecht…
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 23 november 2022
ECLI:NL:OGHACMB:2022:127 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 23 november 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gemeenschappelijk-hof-van-justitie-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-oghacmb-2022-127
Zaakgegevens
Op 23 november 2022 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Datum uitspraak
- 23 november 2022
- Datum publicatie
- 28 november 2022
- Zaaknummer
- AUA2022H00153
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGHACMB:2022:127
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om een uitkering afgewezen. Beroep tegen een fictieve afwijzende beschikking op bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Bevestiging aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gerectificeerd, zie: ECLI:NL:OGHACMB:2022:202
Uitspraak
AUA2022H00153
Datum uitspraak: 23 november 2022
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Aruba,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 16 mei 2022 in zaak nr. AUA202102774, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Financiën en Cultuur (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 28 augustus 2020 heeft de minister het verzoek van [appellant] om een uitkering bij wijze van pensioen als gewezen politieke ambtsdrager, afgewezen.
Op 29 oktober 2020 heeft [appellant] daartegen bezwaar gemaakt.
Op 24 september 2021 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door hem gemaakte bezwaar (hierna: fictieve afwijzende beschikking op bezwaar).
Bij uitspraak van 16 mei 2022 heeft het Gerecht het beroep nietontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2022. [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. Y.F.M. Kaarsbaan en mr. A.F.J. Caster, beiden werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is lid van de Staten geweest. Op 4 juni 2020 heeft hij de minister verzocht om per juni 2020 in aanmerking te komen voor een uitkering bij wijze van pensioen als gewezen lid van de Staten. Bij beschikking van 28 augustus 2020, door [appellant] ontvangen op 17 september 2020, heeft de minister zijn verzoek afgewezen omdat [appellant] ten tijde van zijn verzoek nog niet de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar had bereikt.
Op 10 november 2021 heeft de minister alsnog op het bezwaar van [appellant] beschikt door het niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding. Tegen deze beschikking heeft [appellant] geen beroep ingesteld.
2. Het Gerecht heeft het beroep tegen de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het bezwaarschrift is op 29 oktober 2020 ingediend, zodat de minister op 21 januari 2021 in gebreke is geraakt om daarop tijdig te beschikken. De beroepstermijn is op die laatste datum aangevangen en acht weken later geëindigd, dus op 18 maart 2021. Het op 24 september 2021 ingediende beroepschrift is daarmee buiten de termijn ingediend. Er is geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, aldus het Gerecht.
Hoger beroep
3. Het Hof overweegt ambtshalve het volgende. De procedure in beroep en hoger beroep gaat over de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar. Deze procedure kan alleen tot doel hebben dat de minister alsnog een reële beschikking op bezwaar geeft. Dat is in de loop van de beroepsprocedure al gebeurd, omdat de minister bij de beschikking van 10 november 2021 alsnog op het bezwaar van [appellant] heeft beslist. [appellant] kon daarom na 10 november 2021 door de uitkomst van het beroep niet in een gunstiger positie geraken, zodat hij na die datum geen procesbelang meer had bij zijn beroep tegen de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar. Het beroep is daarom al wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk. Het Gerecht is, op een andere grond, tot dezelfde conclusie gekomen.
Slotsom
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, worden bevestigd.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Betekenis van deze uitspraak
6. Voor [appellant] betekent deze uitspraak van het Hof dat hij zich zal moeten neerleggen bij de afwijzing van zijn verzoek om al per juni 2020 in aanmerking te komen voor een uitkering bij wijze van pensioen als gewezen lid van de Staten. Blijkens de beschikking van 28 augustus 2020 komt [appellant] met ingang van 2 mei 2025 wel in aanmerking voor de verzochte uitkering.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
|
w.g. Bel voorzitter |
w.g. Van der Heide griffier |
Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2022.