Civiel recht overig
Faillissement uitoefenen. Bedrijf.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 1 april 2025
ECLI:NL:OGHACMB:2025:160 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 1 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gemeenschappelijk-hof-van-justitie-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-oghacmb-2025-160
Zaakgegevens
Op 1 april 2025 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Datum uitspraak
- 1 april 2025
- Datum publicatie
- 4 juli 2025
- Zaaknummer
- AUA2024H00061
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:160
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Faillissement uitoefenen. Bedrijf.
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2025
Zaaknr.: AUA202303431-AUA2024H00061
Uitspraak: 1 april 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Beschikking in de zaak van:
[appellante],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg verzoekster, thans appellante,
hierna te noemen: [appellante],
gemachtigde: mr. R.J. Kock,
-tegen-
de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden,
INVESTMENT HOLDING MANAGEMENT LTD.,
gevestigd op de Britse Maagdeneilanden met als status doorgehaald en ontbonden,
in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde,
hierna te noemen: IHM,
in beide instanties niet verschenen.
1 Het verloop van de procedure
Verwezen wordt naar de op 19 maart 2024 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). De inhoud van die uitspraak geldt als hier ingevoegd.
appellante] is in hoger beroep gekomen van voormelde uitspraak door indiening op 25 maart 2024 van een beroepschrift.
IHM is in hoger beroep niet verschenen.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 3 februari 2025 in het Gerechtsgebouw te Aruba. De gemachtigde van [appellante] is verschenen. IHM is niet verschenen. De gemachtigde heeft het standpunt van [appellante] nader toegelicht aan de hand van door hem overgelegde pleitnotities. Ook zijn vragen van het Hof beantwoord.
Uitspraak is bepaald op vandaag.
2 De feiten
IHM is op 30 augustus 2000 opgericht op Tortola, Britse Maagdeneilanden (hierna: de BVI) in opdracht van de inmiddels overleden echtgenoot van [appellante], te weten [echtgenoot van appellante] (hierna: wijlen [wijlen]).
Wijlen [wijlen] was enig aandeelhouder in IHM. Sinds zijn overlijden is [appellante] hem onder algemene titel in die hoedanigheid opgevolgd. IHM had bestuurders uit de BVI.
IHM heeft bij notariële akte van 10 december 2001 in eigendom verkregen een perceel eigendomsgrond, gelegen te Aruba, met de zich daarop bevindende woning (hierna: de woning).
appellante] woont in de woning.
IHM is in de BVI doorgehaald en ontbonden vanwege het niet betalen van overheidscontributies. De bestuurders hebben ontslag genomen. Wijlen [wijlen] was feitelijk beleidsbepaler.
3 De procedure bij het Gerecht
[appellante] heeft verzocht IHM in staat van faillissement te verklaren. Het Gerecht heeft zich onbevoegd verklaard. Het Gerecht heeft hiertoe overwogen dat IHM geen beroep of bedrijf uitoefent in Aruba. Hiertegen richt zich het hoger beroep.
4 De beoordeling
Artikel 2 lid 1 van de Faillissementsverordening (Fv) luidt als volgt:
De faillietverklaring geschiedt door de rechter in eerste aanleg. Deze is bevoegd, indien:
-
de schuldenaar in Aruba zijn woonplaats heeft of, aldaar woonplaats gehad hebbend, met achterlating van schulden zich buiten Aruba heeft begeven:
-
de schuldenaar, in Aruba geen woonplaats hebbend, aldaar een beroep of bedrijf uitoefent.
Tegen de overweging van het Gerecht dat IHM geen woonplaats in Aruba heeft of heeft gehad, is geen bezwaar aangevoerd. Ook het Hof gaat daarvan uit zodat op grond van artikel 2 lid 1 onder a Fv aan de Arubaanse rechter geen rechtsmacht toekomt.
Aan de orde is vervolgens de vraag of IHM in Aruba een beroep of bedrijf uitoefent als bedoeld in artikel 2 lid 1 onder b Fv. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend. Het enkele feit dat IHM in Aruba over onroerend goed beschikt en daarvoor grondbelasting is verschuldigd is niet voldoende voor de conclusie dat IHM in Aruba een beroep of bedrijf uitoefent. De woning wordt gebruikt voor bewoning door [appellante]. Niet gebleken is dat IHM daar, dan wel elders in Aruba, een bedrijf uitoefent. De woning is, zoals [appellante] zelf stelt, destijds enkel door IHM gekocht om ervoor te zorgen dat deze niet in handen van de dochter van wijlen [wijlen] komt. De Arubaanse rechter is op grond van het voorgaande niet bevoegd van het faillissementsverzoek kennis te nemen.
De omstandigheid dat het Gerecht in andere gevallen wel bevoegdheid heeft aangenomen, levert geen precedent op waaraan het Hof gebonden is. In het midden kan blijven in hoeverre die andere gevallen in relevante opzichten verschillen van dit geval.
De bestreden uitspraak zal worden bevestigd.
BESLISSING:
Het Hof:
bevestigt de bestreden uitspraak.
Aldus gegeven door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba op 1 april 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.