GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.346.777/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 10789105 CV EXPL 23-7309
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
[appellant]
,
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. A.J. Engelsma te Amsterdam,
2
Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 13 september 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 3 juli 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.
Tegen [geïntimeerden] is verstek verleend.
[appellant] heeft daarna een memorie van grieven ingediend en om een mondelinge behandeling verzocht.
Op 3 september 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaat van [appellant] heeft de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die hij heeft overgelegd.
Vervolgens is arrest gevraagd.
In de memorie van grieven onder 9 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het feit zoals dat door de kantonrechter onder 2.7 is vastgesteld. Het hof zal hiermee hieronder (in 3.7) rekening houden. Voor het overige is niet bestreden dat de feiten door de kantonrechter juist zijn weergegeven, zodat ook het hof (met een enkele aanvulling en correctie) van deze feiten uitgaat. Het gaat om de volgende feiten.
3.1.
[geïntimeerde 1] is 100% aandeelhouder en enig bestuurder van [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 2] heeft in 2019 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) opgericht. [geïntimeerde 2] was enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] dreef een Afrikaans restaurant.
3.2.
Het huurcontract van het pand waarin het restaurant werd gedreven stond op naam van [geïntimeerde 2] die de ruimte op haar beurt ter beschikking stelde aan [bedrijf 1] .
3.3.
In 2021 liep het door [bedrijf 1] gedreven restaurant – ook door de coronamaatregelen – niet goed. [appellant] heeft toen met [geïntimeerde 1] gesproken over het doen van een investering van € 20.000,-.
3.4.
Bij notariële akte van 3 augustus 2021 heeft [geïntimeerde 2] vier aandelen in [bedrijf 1] geleverd aan de levenspartner van [appellant] , [naam 1] (hierna: [naam 1] ) Daarmee hield [naam 1] 40% van de aandelen in [bedrijf 1] . Bij deze koop is ook € 20.000 overgemaakt, welk bedrag in de jaarrekening van [bedrijf 1] is verwerkt als agio op de aandelen.
3.5.
Vervolgens zijn partijen in gesprek geraakt over overname van de resterende door [geïntimeerde 2] gehouden aandelen in [bedrijf 1] . In dat kader heeft [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) benaderd. Met een e-mail van 27 oktober 2021 heeft [appellant] [bedrijf 2] – met kopie aan [geïntimeerde 1] – meegedeeld dat de wijziging van eigendom en bestuur niet op het niveau van [bedrijf 1] zal plaatsvinden:
[bedrijf 1] will be 100% owned by [geïntimeerde 2] and [geïntimeerde 2] Holding will be 50% held by (…) [naam 1] and 50% by [naam 2] (…).
The directors will be jointly authorized by (the new shareholders) [naam 1] and [naam 2] .
3.6.
Met een e-mail van 31 oktober 2021 heeft [appellant] [bedrijf 2] – met kopie aan [geïntimeerde 1] – meegedeeld dat de aandelenoverdracht van [bedrijf 1] en [geïntimeerde 2] “on hold” was gezet.
3.7.
[geïntimeerde 2] heeft de huur opgezegd van het pand waarin [bedrijf 1] tot dan toe het restaurant dreef. De bedrijfsleider van het restaurant is het pand gaan huren. [geïntimeerde 2] heeft de inventaris van het restaurant aan deze derde verkocht.
3.8.
Op 24 februari 2022 heeft [geïntimeerde 1] in het handelsregister laten inschrijven dat [bedrijf 1] ontbonden is en bij gebrek aan baten is opgehouden te bestaan.
3.9.
[naam 1] heeft hier bezwaar tegen ingediend. Op 28 juni 2022 heeft de Kamer van Koophandel dit bezwaar gegrond verklaard, onder meer omdat uit de door [geïntimeerde 1] overgelegde stukken niet blijkt van een klip en klaar genomen ontbindingsbesluit in overeenstemming met de statuten.
3.10.
Vervolgens heeft de algemene vergadering van [bedrijf 1] op 31 mei 2023 besloten tot liquidatie, waarna [bedrijf 1] is uitgeschreven uit het handelsregister.
5
Vordering in hoger beroep
5.1.
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van Jobose c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.
5.1.
Geen grieven zijn gericht tegen de afwijzing van de vordering onder II, zodat deze in hoger beroep geen rol meer speelt.
Overwegingen
6.1
[appellant] heeft, na een inleiding, drie grieven gericht tegen het vonnis van de kantonrechter.
6.1.
Het hof ziet aanleiding eerst grief 3 te bespreken, waarmee [appellant] zich richt tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.1. In deze rechtsoverweging heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen waarmee [geïntimeerde 2] zich heeft verbonden om haar aandelen in [bedrijf 1] te verkopen of waarmee [geïntimeerde 1] zich heeft verbonden zijn aandelen in [geïntimeerde 2] te verkopen. Volgens [appellant] is dit onterecht overwogen omdat duidelijk was dat partijen onderhandelingen voerden over een manier waarop [appellant] dan wel [naam 1] of wel het hele restaurant in eigendom zouden verkrijgen ofwel [naam 1] haar aandelen terug zou verkopen en [appellant] zijn investering zelfs met enige winst zou terug ontvangen. Het is in strijd met de precontractuele goede trouw om gedurende de onderhandelingen de waarde van [bedrijf 1] teniet te doen gaan, aldus [appellant] .
6.2.
Niet ter discussie staat dat onderhandelingen zijn gevoerd over de koop van de resterende aandelen [bedrijf 1] (zie 3.5 en 3.6). Uitgangspunt daarbij was aanvankelijk dat [naam 1] en een ander de aandelen van [geïntimeerde 2] zouden verwerven. Na 31 oktober 2021 is hier kennelijk echter niet verder op doorgegaan en is vervolgens in december 2021 onderhandeld over overdracht van de aandelen van [naam 1] aan [geïntimeerde 1] . Uit de stellingen van [appellant] en de overgelegde stukken volgt echter dat er nog geen overeenstemming was over de koopprijs en dat het verschil van dien aard was dat er ook geen concreet zicht was op overeenstemming. Uit de eigen stellingen van [appellant] volgt ook dat bij de onderhandelingen steeds een overeenkomst werd beoogd waarin [naam 1] , dus niet [appellant] zelf, de contractspartner zou worden van [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] . Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom het jegens [appellant] onrechtmatig is geweest dat die overeenkomsten niet tot stand zijn gekomen.. Dat betekent dat deze vordering zonder grond is, en grief 3 faalt.
6.3.
[appellant] heeft zijn vordering, behalve op wanprestatie en strijd met de precontractuele goede trouw, ook gebaseerd op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] jegens hem als investeerder in [bedrijf 1] . De kantonrechter heeft de afwijzing van de vordering van [appellant] op die grondslag gebaseerd op twee zelfstandig dragende gronden, waarbij zij het criterium dat geldt voor externe bestuurdersaansprakelijkheid heeft toegepast.
6.4.
In de eerste plaats heeft de kantonrechter in de door haar vermelde omstandigheden het staken van de onderneming en de verkoop van de inventaris niet onrechtmatig geacht (rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.5).
6.5.
In de tweede plaats heeft de kantonrechter, ook als dit handelen op zichzelf wel onrechtmatig zou zijn, geoordeeld dat dan niet duidelijk is dat deze gedragingen onrechtmatig zijn tegenover [appellant] . Daartoe heeft zij, kort gezegd, in rechtsoverweging 4.6, overwogen dat [appellant] geen lening heeft verstrekt aan [bedrijf 1] , maar dat de betaling van € 20.000 een agiostorting op de door [naam 1] gekochte aandelen was, zodat een eventuele vordering ter zake van het onrechtmatig onmogelijk maken tot het terugkrijgen van gestort agio daarom aan [naam 1] zou toekomen en niet aan [appellant] . [appellant] is een investeerder die een aandeelhouder ( [naam 1] ) van geld heeft voorzien en voor zover [appellant] meent dezelfde rechten te hebben als een aandeelhouder heeft hij hiervoor onvoldoende gesteld of onderbouwd of duidelijk gemaakt welke rechten dit precies zouden moeten zijn, aldus de kantonrechter.
6.6.
[appellant] heeft zich met grief 1 gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat er geen sprake was van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] . Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde 1] , zowel in zijn hoedanigheid van bestuurder van [geïntimeerde 2] als los daarvan juist wel onrechtmatig jegens hem gehandeld. [appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde 1] het door [appellant] ingebrachte geldbedrag heeft gebruikt om de schulden van [bedrijf 1] uit de corona-periode weg te werken, met name de huurachterstand bij [geïntimeerde 1] zelf en de managementvergoeding, waarna de vennootschap werd leeggehaald en zonder noemenswaardige schulden kon worden gestaakt en de investering van [appellant] waardeloos werd. Dit terwijl [geïntimeerde 1] in december 2024 nog bereid was € 35.000,- voor de aandelen te betalen. Daarbij heeft [appellant] – bij de mondelinge behandeling in hoger beroep – het handelen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] jegens hem tevens strijdig geacht met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW.
6.7.
Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.6. Met deze grief heeft [appellant] – onder verwijzing naar wat hij in het kader van grief 1 heeft aangevoerd – zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] wel onrechtmatig zijn ten opzichte van hem. Hij heeft het geld betaald en is degene die met [geïntimeerde 1] heeft onderhandeld en hij is degene die vermogensrechtelijk is benadeeld.
6.8.
Ook het hof komt echter tot het oordeel dat het door [appellant] beschreven handelen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , hoe dit op zichzelf ook moet worden beoordeeld, in ieder geval niet als onrechtmatig handelen jegens [appellant] valt te kwalificeren. Partijen hebben ervoor gekozen [appellant] niet formeel bij [bedrijf 1] te betrekken. Hij is geen aandeelhouder van [bedrijf 1] , noch schuldeiser. De storting van € 20.000,- is agio op de aandelen van Uzuma, zoals ook de kantonrechter heeft overwogen. Voor zover het geld van [appellant] afkomstig is, maakt dit enkele feit nog niet dat hij met betrekking tot [bedrijf 1] rechtstreekse aanspraken heeft, dus ook niet op grond van artikel 2:8 BW. Grief 2 faalt derhalve. Gelet hierop kan grief 1 verder buiten bespreking blijven.
6.9.
Slotsom is dat de grieven geen succes hebben en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, die op nihil zijn te stellen nu [geïntimeerden] niet zijn verschenen.
Beslissing
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. mr. M.M.M. Tillema, mr. J.M. van den Berg en mr. E. Schmieman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.