Arbeidsrecht

EJ. Arbeid. Verzoeker vordert schadevergoeding wegens een toerekenbare tekortkoming van gedaagde in de…

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 4 maart 2026

Zaakgegevens

Op 4 maart 2026 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Datum uitspraak
4 maart 2026
Datum publicatie
7 juli 2026
Zaaknummer
AUA202502397
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:OGEAA:2026:165
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

EJ. Arbeid. Verzoeker vordert schadevergoeding wegens een toerekenbare tekortkoming van gedaagde in de nakoming van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Vordering wordt afgewezen.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]Beschikking van 4 maart 2026

Behorend bij AUA202502397 EJ

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende in Aruba,

verzoeker,

hierna ook te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

de naamloze vennootschap

ELEKTRICITEIT-MAATSCHAPPIJ ARUBA N.V. h.o.d.n. ELMAR N.V.,

gevestigd in Aruba,

verweerster,

hierna ook te noemen: Elmar,

gemachtigde: de advocaat mr. W.J. Noordhuizen.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 1 augustus 2025;

- het verweerschrift met producties, ingediend op 16 december 2025;

- de op voorhand toegestuurde producties van [verzoeker], ingediend op 19 januari 2026.

1.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 januari

2026. [Verzoeker] is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd.

Namens Elmar zijn verschenen [medewerker 1] en [medewerker 2], bijgestaan door de

gemachtigde van Elmar voornoemd. Partijen hebben over en weer, aan de hand van aan

het Gerecht overgelegde pleitnotities, het woord gevoerd en gereageerd of kunnen

reageren op elkaars stellingen. De behandeling van het verzoek heeft gelijktijdig

plaatsgevonden met de behandeling van zeven door andere werknemers van Elmar tegen

Elmar ingestelde, gelijkluidende verzoeken.

1.3

Beschikking is bepaald op vandaag.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [

Verzoeker] is als staflid in dienst van Elmar.

2.2

Bij brief van 2 oktober 2008 heeft de algemeen directeur van Elmar, voor zover hier van belang, het volgende aan [verzoeker] medegedeeld:

“(…) Gedurende dit jaar heeft de directie besloten ook voor de stafleden kosteloos een Elmar uniform aan te schaffen. De looptijd van de huidige uniform wordt hiermee gesteld op 1 jaar, en voor degene die na deze looptijd geen gebruik meer wenst te maken van het ELMAR uniform zal maandelijks Afl. 100,= worden inbegrepen in hun salaris. (…).”

2.3

Bij brief van 21 oktober 2009 heeft de algemeen directeur van Elmar, voor zover hier van belang, het volgende aan [verzoeker] medegedeeld:

“Met referte aan de (…) brief met de datum 2 oktober 2008 omtrent de uniformen voor de stafleden, berichten wij u als volgt.

Ons bedrijf streeft ernaar als onderdeel van een professionele uitstraling dat iedere werknemer gedurende werkuren (inclusief gedurende overwerkuren) verzorgd en representatief gekleed dient te zijn, hetgeen betekent dat dit ook moet gelden voor degenen die een staffunctie bekleden. Om dit doel te bereiken ter versterking van een professioneel en positief imago van N.V. ELMAR, heeft de directie besloten om een nieuw uniformbeleid te introduceren voor deze stafleden, hetgeen betekent dat de werknemer verplicht is de door de werkgever voor de staffunctie voorgeschreven bedrijfskleding te dragen onder de nog te bepalen regels en procedures en de werknemer is hiervoor geen bijdrage verschuldigd.

Aangezien dit uniformbeleid nog beschreven moet worden o.a. vaststelling van criteria voor soort en aantal uniforms, looptijd, criteria en procedures voor aanschaf en bestelling, regels en procedures voor het gebruik van uniforms etc., zal er een overgangsperiode voor u van toepassing zijn, beginnende per 1 oktober 2009. Gedurende de overgangsperiode zal u een maandelijkse ‘werkkledingtoelage’ ontvangen van Afl. 100,00 ingaande 1 oktober 2009 en deze toelage zal automatisch komen te vervallen zodra het uniformbeleid geformaliseerd is en uitgevoerd kan worden.

Wij streven ernaar om uiterlijk per 1 april 2010 dit te realiseren hetgeen betekent dat het nieuwe uniformbeleid dan in werking zal treden en alsdan zult u de nieuwe uniforms ontvangen. Als het ons eerder lukt dan zullen wij u hiervan op de hoogte stellen.(…)”

2.4

Vanaf 2009 tot maart 2010 heeft Elmar een uniformvergoeding aan haar stafleden betaald. Na die tijd heeft Elmar tot aan januari 2021 uniformen aan al haar personeel, waaronder ook de stafleden, verstrekt.

2.5

Vanaf januari 2021 heeft Elmar geen uniformen meer verstrekt aan haar personeel en evenmin een uniformvergoeding uitbetaald aan de stafleden, waaronder [verzoeker].

2.6

In oktober 2023 is Elmar opnieuw gestart met het verstrekken van uniformen aan al haar personeel.

2.7

Bij brief van 7 april 2025 heeft de Algemene Vakbond der Stafleden (hierna: ALVAST) Elmar namens haar leden (waaronder [verzoeker]) aangemaand tot betaling van de achterstallige uniformvergoeding over de periode van januari 2021 tot oktober 2023.

2.8

Bij e-mailbericht van 23 april 2025 heeft de gemachtigde van Elmar op voormelde brief gereageerd en kenbaar gemaakt dat de gevraagde betaling door Elmar wordt geweigerd omdat het uniformbeleid onder haar instructiebevoegdheid valt.

3 HET VERZOEK

3.1

Het Gerecht begrijpt dat [verzoeker] verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Elmar te veroordelen tot betaling aan hem van het bedrag van Afl. 3.300,- aan achterstallige contractuele vergoeding over de periode van januari 2021 tot oktober 2023, vermeerderd met vertragingsrente;

2. vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift tot de dag der algehele voldoening;

3. Elmar te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2 [

Verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat is overeengekomen dat indien niet een uniform door Elmar wordt verstrekt, de werknemer recht heeft op een maandelijkse vergoeding van Afl. 100,-. Volgens [verzoeker] is deze afspraak over de uniformvergoeding inmiddels een volmaakt onderdeel van zijn arbeidsvoorwaarden geworden. Nu Elmar van januari 2021 tot oktober 2023 niet tot nakoming daarvan is overgegaan, levert dit wanprestatie op die Elmar tot schadevergoeding verplicht.

3.3

Elmar heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens Elmar heeft [verzoeker] te laat geklaagd. Verder heeft [verzoeker] niet voldoende gemotiveerd gesteld dat hij schade heeft geleden. Bovendien is er naar de mening van Elmar sprake van een onkostenvergoeding die tijdelijk moest en mocht worden stopgezet in verband met de omstandigheden (de covid-pandemie). Verder heeft Elmar zich op het standpunt gesteld dat als de vergoeding als loon moet worden aangemerkt, zij deze tijdelijk mocht wijzigen. Ten slotte heeft Elmar gesteld dat, in het geval van toewijzing van het verzochte, dit door het Gerecht moet worden gematigd.

3.4

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beslissing van belang, worden ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1 [

Verzoeker] vordert, zoals tijdens de mondelinge behandeling ook uitdrukkelijk aan de orde gesteld, schadevergoeding vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Volgens [verzoeker] is in dezen eenvoudigweg sprake van het niet nakomen van een contractuele verplichting door Elmar, namelijk het betalen van de overeengekomen uniformvergoeding. In de periode tussen januari 2021 en oktober 2023 heeft Elmar geen uniformen verstrekt en ook geen vergoeding uitgekeerd. De schade bestaat volgens [verzoeker] uit Afl. 100,- per maand over 33 maanden (van januari 2021 tot oktober 2023), resulterend in een som van Afl. 3.300,-, vermeerderd met 50% aan vertragingsrente.

Klachtplicht

4.2

Elmar heeft als meest verstrekkend verweer een beroep gedaan op de klachtplicht van artikel 6:89 BW. Zij wijst erop dat [verzoeker] pas een aantal jaar later, bij brief 7 april 2025, over zijn uniformvergoeding heeft geklaagd. Volgens Elmar is dat te laat omdat hij op zijn salarisstrook onmiddellijk kon zien dat de vergoeding niet werd betaald en het gestelde gebrek in de prestatie van Elmar dus onmiddellijk heeft ontdekt of redelijkerwijs had kunnen ontdekken. Verder stelt Elmar dat zij belang erbij heeft zich op de klachtplicht te beroepen, om te voorkomen dat de overige werknemers ook willen worden gecompenseerd.

4.3

Art. 6:89 BW bepaalt dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. Ervan uitgaande dat sprake is van een gebrekkige of ondeugdelijke prestatie (en niet van het in het geheel niet verrichten van een prestatie), dan geldt dat niet kan worden gezegd dat te laat is geklaagd. Met Elmar is het Gerecht van oordeel dat al vanaf de salarisbetaling in januari 2021 duidelijk moet zijn geweest dat de uniformvergoeding niet werd betaald en dat [verzoeker] het gebrek derhalve toen moet hebben ontdekt of redelijkerwijs heeft kunnen ontdekken. Als niet, althans onvoldoende weersproken staat vast dat [verzoeker] eerst bij brief van 7 april 2025 heeft geklaagd. De enkele omstandigheid dat het lang heeft geduurd voordat [verzoeker] heeft geklaagd, is echter ingevolge de heersende jurisprudentie niet doorslaggevend voor een succesvol beroep op dat artikel. Daarnaast dienen ook de overige omstandigheden van het geval in overweging te worden genomen, zoals bijvoorbeeld de concrete belangen waarin Elmar door het (grote) tijdsverloop onredelijk is geschaad. Voor het oordeel dat Elmar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop [verzoeker] heeft geklaagd (zoals een benadeling in haar bewijspositie of een aantasting van haar mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken), is onvoldoende gesteld. Zij heeft weliswaar in algemene zin erop gewezen dat toewijzing van de vordering grote financiële gevolgen voor haar kan hebben, maar dat zou niet anders zijn als [verzoeker] eerder zou hebben geklaagd. Het door Elmar gestelde belang bij haar beroep op de klachtplicht om te voorkomen dat andere werknemers ook willen worden gecompenseerd, is verder onvoldoende zwaarwegend om tot het oordeel te komen dat [verzoeker] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd.

Schade

4.4

Als onvoldoende weersproken moet worden aangenomen dat aan [verzoeker] ofwel een uniform ter beschikking werd gesteld, ofwel een uniformvergoeding van Afl. 100,- per maand werd betaald. Nu vast staat dat [verzoeker] over de periode van 1 januari 2021 tot oktober 2023 geen uniform heeft ontvangen, had hij in die periode aanspraak op de maandelijkse uniformvergoeding. Omdat hij deze vergoeding niet heeft ontvangen, is sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door Elmar. Desondanks is het Gerecht van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen, aangezien [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij als gevolg van deze tekortkoming schade heeft geleden. Uit de over en weer betrokken stellingen volgt dat de uniformvergoeding werd betaald ter dekking van de kosten voor de aanschaf door de werknemer van werkkleding die aan de door Elmar gewenste representativiteit voldoet (en dus een onkostenvergoeding is). [Verzoeker] heeft niet gesteld dat hij in de betreffende periode daadwerkelijk kantoorkleding heeft aangeschaft en dus kosten heeft gemaakt en evenmin heeft hij weersproken de stelling van Elmar dat door de werknemers van de oude uniformen gebruik werd gemaakt. Gelet hierop en nu ook overigens niets is gesteld of gebleken dat tot een ander oordeel leidt, kan niet worden gezegd dat [verzoeker] achteruit is gegaan in zijn vermogenssituatie of anderszins schade heeft geleden. De vordering tot vergoeding van schade zal daarom worden afgewezen.

4.5

De overige stellingen van partijen kunnen bij deze stand van zaken onbesproken blijven.

Vertragingsrente

4.6

De afwijzing van de vordering tot schadevergoeding brengt mee dat de gevorderde vertragingsrente eveneens zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.7 [

Verzoeker] zal als de in het ongelijk gesteld partij in de proceskosten worden veroordeeld. Aangezien de zaak van [verzoeker] gelijktijdig is behandeld met zeven andere zaken tegen Elmar en de juridische bijstand door haar gemachtigde in alle zaken nagenoeg hetzelfde werk betrof, zullen de proceskosten, in afwijking van artikel 136 van het Procesreglement 2023, worden verdeeld. De kosten aan de zijde van Elmar worden dan ook tot op heden begroot op (1/8 x Afl. 2.500 (zijnde 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief) =) Afl. 312,50 aan gemachtigdensalaris. De verzochte nakosten worden eveneens begroot op 1/8e deel van het gebruikelijke tarief.

5 DE BESLISSING

Het Gerecht:

5.1

wijst af het door [verzoeker] verzochte;

5.2

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van deze procedure die tot de datum van uitspraak aan de kant van Elmar worden begroot op Afl. 312,50 aan salaris van de gemachtigde, vermeerderd met de nakosten van Afl. 31,25 (1/8 x Afl. 250,-) aan gemachtigdensalaris en verhoogd met Afl. 18,75 (1/8 x Afl. 150,-) ingeval van betekening, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze beschikking;

5.3

verklaart deze beschikking, voor wat betreft de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.