Civiel recht overig

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao · Eerste aanleg - enkelvoudig · Civiel recht overig

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 9 mei 2022

Zaakgegevens

Op 9 mei 2022 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Datum uitspraak
9 mei 2022
Datum publicatie
23 mei 2022
Zaaknummer
CUR201701725 (voorheen AR 79787/2016)
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:OGEAC:2022:129
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

benoeming deskundige

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[eiseres in conventie],

wonende in Curaçao,

hierna te noemen [eiseres in conventie],

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

gemachtigden: voorheen mrs. M. Welten en I. Narain, thans mrs. C. van der Slikke en B. Nagelmakers,

tegen

[gedaagde sub 1] in conventie,

[gedaagde sub 2] in conventie,

[gedaagde sub 3 in conventie],

[gedaagde sub 4 in conventie],

wonende in Curaçao dan wel in Nederland,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

hierna te noemen de erven of de erfgenamen,

gemachtigde: mr. E.R. de Vries.

1 Het verdere verloop van de procedures in conventie en in reconventie

Dit blijkt uit:

- het (tussen)vonnis van 30 augustus 2021;

- de regiezitting van 18 februari 2022;

- de emailwisseling in de periode februari – (begin) mei 2022.

Het vonnis is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

De in het tussenvonnis van 30 augustus 2021 bedoelde zitting heeft plaatsgevonden. Ter zitting is overeengekomen dat dit tussenvonnis zich beperkt tot een oordeel over de pensioenleeftijd en de benoeming van een deskundige om de hoogte van het WP legaat vast te stellen (zoals geformuleerd in r.o. 2.3.2. van het tussenvonnis van 30 augustus 2021).

2.2.

pensioenleeftijd

Gesteld noch gebleken is dat erflater pensioen is uitgekeerd per 1 januari volgend op de 60e verjaardag. Derhalve gaat het gerecht met [naam]r vanuit dat het pensioen van erflater zou worden uitgekeerd per 1 januari volgend op de 65e verjaardag van erflater. Nu de 65e verjaardag plaats vond op 11 mei 2012, gaat het gerecht er vanuit dat het pensioen per 1 januari 2013 zou worden uitgekeerd.

2.3.

deskundigenbericht

Zoals partijen ter zitting zijn overeengekomen hebben zij samen een deskundige voorgesteld, mevr. Elma Velgersdijk, actuaris AG. Zij heeft desgevraagd medegedeeld dat zij vrij staat ten opzichte van partijen.

Partijen hebben een document inhoudende uitgangspunten en vragen ten behoeve van de deskundige in het geding gebracht, waarbij zij zijn uitgegaan van diverse scenario’s (onder meer: een pensioenleeftijd van 60 c.q. 65 jaar, het al dan niet onderbrengen van de afkoopsom van de natrekrechten in Accountanspraktijk H.J. Geerlings N.V.). Het gerecht zal partijen daarin volgen. Het document betreffende de vragen en uitgangspunten wordt als bijlage aan dit vonnis gevoegd.

2.5.

Het te bepalen voorschot in verband met de kosten van het deskundigenbericht, ad NAf 2.200 gulden exclusief eventuele belastingen, dient door elk van partijen bij helfte te worden gedragen.

2.6.

jaarrekeningen ten tijde van het overlijden van erflater (5 november 2014)

Zoals reeds overwogen geldt als uitgangspunt voor de hoogte van het WP legaat de in de jaarrekeningen opgenomen voorzieningen ten tijde van het overlijden van erflater (5 november 2014). Zijdens eiseres zijn de jaarrekeningen betreffende 1 juli 2014 tot/met 30 juni 2015 in het geding gebracht. Gedaagden hebben weliswaar de juistheid daarvan in het algemeen betwist, doch het gerecht passeert deze betwisting als zijnde onvoldoende concreet onderbouwd.

2.7.

vervolg

De verdere procedure zal er als volgt uitzien:

- partijen dienen gezamenlijk een kopie van het complete procesdossier ter beschikking te stellen aan de deskundige;

- partijen dienen te zorgen voor tijdige betaling van het voorschot op de hieronder aan te geven wijze;

- partijen hebben de gelegenheid om op het concept deskundigenbericht opmerkingen te maken en eventueel verduidelijkende vragen te stellen;

- nadat het deskundigenbericht definitief is en is ingediend bij het gerecht, hebben partijen de gelegenheid om een conclusie na deskundigenbericht te nemen. Daarna komt de zaak opnieuw voor vonnis.

2.8.

Het gerecht wijst erop dat partijen op grond van artikel 174b lid 3 Rv wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Het gerecht zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan het gerecht daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.9.

Als een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan onmiddellijk afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

2.10.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

Het Gerecht:

3.1.

beveelt een onderzoek door een deskundige;

3.2

benoemt tot deskundige om de hoogte van het WP legaat vast te stellen:

mevr. Elma Velgersdijk, actuaris AG, verbonden aan Actuarial Consultancy Caribbean (AC2),

[adres]

Tel. +5999 – [telefoonnummer]

E-mail: [emailadres].

3.3.

bepaalt dat de deskundige in zijn onderzoek betrekt de in de bijlage aan dit vonnis geformuleerde vragen en uitgangspunten;

3.4.

bepaalt dat partijen ieder de helft van het vastgestelde voorschot ad in totaal NAf 2.200 exclusief eventuele belastingen voor hun rekening nemen, zodat ieder van partijen een bedrag van NAf 1.100 exclusief eventuele belastingen aan de deskundige dient te betalen, uiterlijk binnen twee weken na factuurdatum. De deskundige zal daarom een factuur van NAf 1.100 (exclusief eventuele belastingen) aan eiseres en een factuur van NAf 1.100 (exclusief eventuele belastingen) aan gedaagde toesturen. Partijen zullen de deskundige en de rechter informeren zodra de betaling is geschied;

3.5.

bepaalt dat partijen het procesdossier in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen;

3.6.

wijst de deskundige erop dat:

- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken, te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie;

- de deskundige het onderzoek pas na ontvangst van het volledige bedrag van het voorschot dient aan te vangen;

- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact op te nemen met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;

3.7.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken als daarom verzocht wordt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek;

bepaalt dat de deskundige een concept van het deskundigenbericht aan partijen moet toezenden, zodat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve deskundigenbericht de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden;

3.9.

draagt de deskundige op om uiterlijk 1 augustus 2022 het deskundigenbericht in drievoud ter griffie van het gerecht in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

3.10.

bepaalt dat de zaak op de rol van 29 augustus 2022 zal komen voor conclusie na deskundigenbericht zijdens beide partijen;

3.11.

draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan de zijde van partijen op een termijn van twee weken of

- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van partijen op een termijn van vier weken;

3.12.

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad;

3.13.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. U.I.D. Luydens en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op de rolzitting van maandag 9 mei 2022.

Bijlage

De deskundige dient uit te gaan van de volgende gegevens/stukken:

( a) H.J. Geerings (erflater) is geboren op 11 mei 1947 te Nederland

( b) Erflater is overleden op 5 november 2014 (overlijdensdatum) te Curaçao

( c) Erflater was bestuurder en enig aandeelhouder van de Curaçaose vennootschap Accountantspraktijk H.J. Geerings N.V. (Geerings Curaçao) en de Arubaanse vennootschap Accountantspraktijk H.J. Geerings R.A. N.V. (Geerings Aruba) waarin pensioen in eigen beheer is opgebouwd

( d) De arbeidsovereenkomst tussen Geerings Curaçao en erflater met ingangsdatum 1 januari 1996

( e) De pensioenovereenkomst van 15 november 2001 van erflater

( f) De huwelijkse voorwaarden van 15 november 2001 tussen erflater en M.S. Perret Gentil (gelegateerde)

( g) Erflater en gelegateerde zijn op 16 november 2001 getrouwd

( h) Het testament van 31 augustus 2007 van erflater, waarmee erflater onder II.2 als uitkering weduwe pensioen legateert aan gelegateerde (WP legaat): “een uitkering van een weduwe pensioen op basis van in elk van de in de vennootschappen Accountantspraktijk H.J. Geerings R.A. N.V. te Aruba en van Accountantspraktijk H.J. Geerings te Curaçao aanwezige voorziening voor weduwen pensioen. Indien zij zulks wenst zal de actuarieel berekende waarde van het weduwen pensioen op basis van vijf procent (5%) per jaar aan haar of een door haar aan te wijzen Stichting of vennootschap worden uitgekeerd. De uitkering zal nimmer meer bedragen dan hetgeen als voorziening weduwen pensioen in de genoemde vennootschappen is opgenomen. Mochten de genoemde vennootschappen de betreffende voorzieningen overbrengen naar andere vennootschappen of Stichtingen, dan geldt deze bepaling ook voor die vennootschappen of Stichtingen.”

( i) De winst- en verlies en/of jaarrekeningen van Geerings Aruba per 30 juni 2007 t/m 2015

( j) De winst- en verlies en/of jaarrekeningen van Geerings Curaçao per 30 juni 2007 t/m 2015

( k) Het tussenvonnis van 25 februari 2019

( l) Het tussenvonnis van 16 september 2019 waarin het Gerecht overweegt:

- in r.o. 2.2.1: “In geschil is het antwoord op de vraag of de afkoopsom van de natrekrechten EY door erflater als pensioen voor hemzelf en Perret Gentil is ondergebracht in Accountantspraktijk H.J. Geerlings N.V. en of de afkoopsom aan de pensioenvoorziening is toegevoegd (standpunt Perret Gentil) of niet (standpunt de erven). Perret Gentil beroept zich op de door haar (bij haar akte na tussenvonnis) overgelegde producties bestaande uit een opdrachtformulier van erflater en Perret Gentil om de drie termijnbetalingen van de afkoopsom van de natrekrechten te ontvangen ten gunste van een gezamenlijke bankrekening bij HBU, een email van 8 april 2019 waarin dhr. Zwarthuis van EY verklaart dat EY drie bedragen heeft overgemaakt naar de gezamenlijke bankrekening bij HBU en voorts gegevens van binnenkomende bedragen vanaf 2010 waaruit volgens Perret Gentil moet blijken dat er vanaf 2010 drie betalingen zijn verricht van de gezamenlijke bankrekening bij HBU naar de bankrekening van Accountantspraktijk H.J. Geerlings N.V.. Met de erven is het gerecht van oordeel dat, indien al juist is dat er via de gezamenlijke bankrekening bij HBU betalingen zijn gedaan aan Accountantspraktijk H.J. Geerlings N.V., dit zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, niet inhoudt dat deze bedragen aan de pensioenvoorziening zijn toegevoegd. Het standpunt van Perret Gentil wordt derhalve afgewezen.”

- in r.o. 2.2.2: “De stelling dat toevoeging van de afkoopsom van de natrekrechten aan de pensioenvoorziening fiscaal juridisch in strijd is met de wet kan derhalve onbesproken worden gelaten.”

- in r.o. 2.2.3: “de hoogte van het WP legaat (actuarieel) vast gesteld moet worden aan de hand van de jaarrekeningen en de pensioenovereenkomst (dan wel gelijk te stellen met in de jaarrekening opgenomen voorziening).”

( m) Het tussenvonnis van 9 november 2020

- in r.o. 2.2.1: “Niet gebleken is dat partijen op dit punt tot een regeling zijn gekomen. Derhalve dient de hoogte van het WP legaat te worden vast gesteld. Uitgangspunt daarbij is de in de jaarrekeningen opgenomen voorzieningen ten tijde van het overlijden van erflater (5 november 2014). De door de erven overgelegde memo geeft een berekening weer van de totale voorziening berekend op grond van de pensioenvoorziening opgenomen in de jaren 2007/2008. Perret Gentil (als legataris) gaat uit van de jaarrekeningen van 2012. De erven hebben daartegen als verweer gevoerd dat Perret Gentil (in haar hoedanigheid als bestuurder van Accountantspraktijk H.J. Geerlings N.V.) jaarrekeningen heeft zitten maken in haar eigen voordeel. De erven hebben dit echter niet nader onderbouwd. Daarentegen blijkt uit de tweede pagina van de door Perret Gentil ter comparitie van 13 februari 2020 als productie 4 overgelegde, door de Inspectie in 2012 afgestempelde, balans van 30 juni 2010, dat de pensioenvoorziening toegenomen is van 1.172.820,= op 30 juni 2009 tot 4.281.167,50. Aan die toename legt Perret Gentil de binnenkomende bedragen ter zake de natrekrechten ten grondslag. Nu het gerecht in 2.2.1 van het vonnis van 16 september 2019 het standpunt van Perret Gentil daaromtrent heeft afgewezen, doch thans uit voornoemde balans blijkt dat het bedrag van de natrekrechten aan de pensioenvoorziening is toegevoegd, worden de erven in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.”

( n) Het tussenvonnis van 30 augustus 2021 waarin het Gerecht overweegt:

- in r.o.2.3.1 “De erven hebben ter zake de toevoeging van het bedrag van de natrekrechten EY aan de pensioenvoorziening geconcludeerd dat de (concept) jaarrekeningen 2012 geen getrouw beeld geven van de pensioenvoorziening en niet kunnen worden gebruikt als mede-indicator voor de vaststelling van de hoogte van de pensioenvoorziening en dus ook niet het WP-legaat. Daaraan hebben zij hun al eerder ingenomen weren, de (concept) jaarrekeningen 2012 zijn feitelijk opgesteld door Perret Gentil, de benoeming van Perret Gentil tot bestuurder is nietig, toevoeging van de afkoopsom van de natrekrechten aan de pensioenvoorziening is fiscaal juridisch in strijd met de wet, herhaald. Ter zake merendeel van deze weren heeft het gerecht al eerder overwogen dat de erven die niet nader hebben onderbouwd. Ook bij deze gelegenheid hebben de erven die weren niet nader onderbouwd. De slotsom is derhalve dat de afkoopsom van de natrekrechten EY aan de pensioenvoorziening is toegevoegd. In zoverre komt het gerecht terug van haar eerdere overweging. Dat een uittredende partner (een deel van) zijn pensioen geniet in de vorm van het levenslange recht op natrekrechten en de afkoop daarvan als pensioenvoorziening opneemt is overigens niet verwonderlijk. Dat dit fiscaal juridisch in strijd is met de wet, wat daar ook van zij, acht het gerecht niet doorslaggevend. Hoogstens kan dit leiden tot fiscale (na)heffing.”

- in r.o. 2.3.2: “De hoogte van het WP legaat dient nog te worden vast gesteld en daarbij geldt als uitgangspunt, zoals al eerder is overwogen, de in de jaarrekeningen opgenomen voorziening ten tijde van het overlijden van erflater (5 november 2014).”

( o) Het tussenvonnis van 9 mei 2022 waarin het Gerecht in r.o. 2.2. overweegt: “Gesteld noch gebleken is dat erflater pensioen is uitgekeerd per 1 januari volgend op de 60e verjaardag. Derhalve gaat het gerecht met [naam]r vanuit dat het pensioen van erflater zou worden uitgekeerd per 1 januari volgend op de 65e verjaardag van erflater. Nu de 65e verjaardag plaats vond op 11 mei 2012, gaat het gerecht er vanuit dat het pensioen per 1 januari 2013 zou worden uitgekeerd.”

Indien de deskundige nadere gegevens nodig heeft om de volgende vragen te beantwoorden, dient de deskundige zich daarover met (de gemachtigden van) partijen te verstaan.

De deskundige wordt verzocht op basis van bovengenoemde gegevens/stukken de volgende vragen van partijen te beantwoorden:

(1) Wat is volgens de relevante jaarrekening per pensioendatum de pensioenvoorziening van erflater die aanwezig was in Geerings Aruba?

(2) Wat is volgens de relevante jaarrekening per pensioendatum de pensioenvoorziening van erflater die aanwezig was in Geerings Curaçao?

(3) Zijn de onder (1) en (2) bedoelde bedragen juist berekend, en zo niet, wat zijn de juiste bedragen?

(4) Hoe hoog is de maandelijkse pensioenuitkering waar erflater uit Geerings Aruba recht op had vanaf pensioendatum tot aan overlijdensdatum, en om welk totaalbedrag gaat het?

(5) Hoe hoog is de maandelijkse pensioenuitkering waar erflater uit Geerings Curaçao recht op had vanaf pensioendatum tot aan overlijdensdatum, en om welk totaalbedrag gaat het?

(6) Wat is volgens de relevante jaarrekening de pensioenvoorziening van erflater die aanwezig was in Geerings Aruba, net voor het overlijden en net na het overlijden?

(7) Wat is volgens de relevante jaarrekening de pensioenvoorziening van erflater die aanwezig was in Geerings Curaçao, net voor het overlijden en net na het overlijden?

(8) Zijn de onder (6) en (7) bedoelde bedragen juist berekend, en zo niet, wat zijn de juiste bedragen?

(9) Wat is met inachtneming van het antwoord op de vorige vragen het in Geerings Aruba aanwezige WP Legaat, net voor het overlijden en net na het overlijden?

(10) Wat is met inachtneming van het antwoord op de vorige vragen het in Geerings Curaçao aanwezige WP Legaat, net voor het overlijden en net na het overlijden?

De deskundige wordt door gelegateerde op de volgende aanvullende feiten gewezen, welke niet blijken uit de gewezen tussenvonnissen en welke door de erven van erflater worden betwist:

( a) Vanaf 1993 leefden erflater en gelegateerde samen

( b) Erflater heeft tot na zijn 65e jaar gewerkt

( c) Brief Penad Actuarissen van 9 januari 2006 (berekening pensioenvoorziening per 30 juni 2005)

( d) Brief van Laurens Keesen van 17 mei 2017 en de pensioenberekeningen uit 2015 waarop deze brief ziet

( e) Akte van 25 augustus 2020

( f) Correspondentie met BAB 22 februari 2021

De deskundige wordt door gelegateerde verzocht met inachtneming van bovengenoemde aanvullende feiten de volgende vragen te beantwoorden:

(11) In de balans van Geerings Curaçao is een pensioenvoorziening opgenomen van ANG 4,281,168. Dit bedrag staat in de balans per 30 juni 2012. Uit een brief van Penad Actuarissen van 9 januari 2006 blijkt dat erflater voornemens was de pensioendatum uit te stellen naar de 1e januari volgende op de 65e verjaardag. De voorziening nam tussen 30 juni 2011 en 30 juni 2012 niet af met een uitkering. Blijkt hieruit dat het pensioen toen (per 30 juni 2012) nog niet ingegaan was en zo, ja, blijkt hieruit dat het voornemen om de pensioendatum uit te stellen naar 1 januari 2013 uitgevoerd is, en in de jaarrekening verwerkt? Hoeveel bedraagt het ouderdomspensioen en het weduwenpensioen, uitgaande van de balansvoorziening en de ingangsdatum van het ouderdomspensioen van 1 januari 2013?

(12) Hoeveel zou het ouderdomspensioen en weduwenpensioen geweest zijn indien het pensioen al ingegaan was op 60 jaar, en uitgaande van de balansvoorziening per 30 juni 2012 van ANG 4,281,168 in Geerings Curaçao?

(13) In de balans van Geerings Aruba is een pensioenvoorziening opgenomen van ANG 526,755. Dit bedrag staat in de balans per 30 juni 2009. Als ook hier de ingang van het pensioen uitgesteld is naar de 1e januari volgend op de 65e verjaardag, hoeveel bedraagt het ouderdomspensioen en het weduwenpensioen, uitgaande van de balansvoorziening en de ingangsdatum van het ouderdomspensioen van 1 januari 2013?

(14) Hoeveel zou het ouderdomspensioen en weduwenpensioen geweest zijn indien het pensioen al ingegaan was op 60 jaar, en uitgaande van de balansvoorziening per 30 juni 2009 van ANG 526,755 in Geerings Aruba?

(15) Op 5 november 2014 is erflater overleden. Vanaf dat moment moet het weduwenpensioen ingaan. Hoeveel bedraagt de voorziening voor het per overlijdensdatum ingegane weduwenpensioen per eind 2014 en volgende boekjaren? En per heden? Gaarne aangeven hoeveel dit is uitgaande van verschillende scenario’s met betrekking tot de hoogte van het weduwenpensioen.

De deskundige wordt door de erven van erflater op de volgende aanvullende feiten gewezen, welke niet blijken uit de gewezen tussenvonnissen en welke door gelegateerde worden betwist:

( a) Het memo Phenox van 7 november 2019 waarin de voorziening weduwepensioen in Geerings Curaçao en Geerings Aruba is berekend uitgaande van een pensioenleeftijd van 60 of 65 jaar en een rekenrente van 4% of 5%; dit memo gaat ervan uit dat de afkoopsom van de natrekrechten EY niet door erflater is ondergebracht in en toegevoegd aan de pensioenvoorziening Geerings Curaçao, gelijk het Gerecht overwoog in r.o. 2.2.1 van het tussenvonnis van 16 september 2019

De deskundige wordt door de erven van erflater verzocht met inachtneming van bovengenoemde aanvullende feiten de volgende vragen te beantwoorden:

(16) Zijn – uitgaande dat de afkoopsom van de natrekrechten EY niet is ondergebracht in Geerings Curaçao - de berekeningen in het memo Phenox juist? Zo niet, kunt u de juiste berekeningen maken?

(17) Kunt u op basis van de verstrekte gegevens een oordeel geven of de afkoopsom van de natrekrechten EY is ondergebracht in Geerings Curaçao, en zo ja, op welke gegevens berust dat oordeel?

(18) Is uw oordeel bedoeld in vraag 15 anders indien de door gelegateerde opgestelde en/of getekende winst- en verlies en/of jaarrekeningen van Geerings Curaçao buiten beschouwen moeten worden gelaten?

(19) Op welk bedrag berekent u het WP legaat indien wordt uitgegaan van uitsluitend de pensioenovereenkomst van 15 november 2001 van erflater, het testament van 31 augustus 2007 van erflater en de pensioenvoorzieningen opgenomen in de balans van Geerings Curaçao per 30 juni 2007 en de balans van Geerings Aruba per 30 juni 2007?

(20) Bent u het ermee eens dat een pensioenvoorziening die in strijd is met de wet hoogstens kan leiden tot fiscale (na)heffing? Of zijn er naar uw mening andere gevolgen mogelijk, zoals limitering of aantasting van de voorziening voor zover deze het wettelijk toelaatbare overstijgt?