Civiel recht overig

Kort geding. Eiseres vordert primair een verbod tot uitlevering aan de Verenigde Staten totdat onherroepelijk…

Rechtbank Den Haag, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/712301/ KG ZA 26-977
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. J.W. Ebbink, mr. J. Perenboom
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31907
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Eiseres vordert primair een verbod tot uitlevering aan de Verenigde Staten totdat onherroepelijk in haar asielprocedure is beslist. Subsidiair vordert zij dat de uitlevering wordt verboden totdat aanvullende garanties zijn ontvangen. Reëel risico op schending art. 3 EVRM? Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Afwijzing vorderingen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/712301/ KG ZA 26-977

Vonnis in kort geding van 30 oktober 2026

in de zaak van

[eiseres] gedetineerd in de PI [plaats], locatie [locatie],

eiseres,

advocaat: mr. J.W. Ebbink,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. J. Perenboom.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiseres]’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 september 2026 met producties 1 tot en met 15;

- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9;

- de nader door [eiseres] overgelegde producties 16 tot en met 20;

- de door beide partijen overgelegde pleitnotities en de persoonlijke verklaring van [eiseres].

1.2.

Op 9 oktober 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiseres] heeft de Amerikaanse nationaliteit. Zij wordt in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de Verenigde Staten) verdacht van betrokkenheid bij moord op haar ex-partner.

2.2.

Op 9 maart 2025 is [eiseres] met haar (toen vierjarige) dochter aangekomen in Nederland en op dezelfde dag heeft zij een asielaanvraag ingediend.

2.3.

Op verzoek van de Amerikaanse autoriteiten is [eiseres] in verband met de hiervoor genoemde verdenking op 4 april 2025 aangehouden. [eiseres] zit op dit moment in detentie.

2.4.

Op 2 juni 2025 hebben de Amerikaanse autoriteiten bij diplomatieke nota van de ambassade van de Verenigde Staten in Den Haag verzocht om de uitlevering van [eiseres] ter vervolging van [eiseres] voor een verdenking van medeplichtigheid aan moord en samenzwering tot moord (hierna ook: het uitleveringsverzoek). In het uitleveringsverzoek is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…) [eiseres] is wanted to stand trial in the 7th Circuit Court in Spartanburg, South Carolina. On 26 March 2025, a judge of the Spartanburg County Magistrate Court issued an arrest warrant in case number [zaaknummer 1], charging [eiseres] with the following offense:

Count 1: Accessory Before the Fact of Murder, in violation of South Carolina Code of Laws, Title 16, Chapter 1, Sections 40 and 50, carrying a maximum penalty of death should South Carolina authorities choose to initiate a separate sentencing proceeding under South Carolina Code of Laws, Title 16, Chapter 3, Section 20(B). Should South Carolina authorities choose not to initiate such a separate proceeding, the maximum custodial sentence for this offense is life imprisonment without the possibility of parole. However, controlling South Carolina Supreme Court precedent holds that a person convicted of Accessory Before the Fact of Murder is not eligible for the death penalty. In any event, the 7th Circuit Solicitor's Office will not initiate a separate proceeding to pursue the death penalty in this matter.

On 28 March 2025, a judge of the Spartanburg County Magistrate Court issued an arrest warrant in case number [zaaknummer 2], charging [eiseres] with the following offense:

Count 1: Accessory After the Fact of Murder, in violation of South Carolina Code of Laws, Title 16, Chapter 1, Section 55, carrying a maximum custodial sentence of fifteen years.

On 28 March 2025, a judge of the Spartanburg County Magistrate Court issued an arrest warrant in case number [zaaknummer 3], charging [eiseres] with the following offense

Count 1: Conspiracy to commit murder, in violation of South Carolina Code of Laws, Title 16, Chapter 17, Section 410, carrying a maximum custodial sentence of five years.”

2.5.

Bijlage bij het uitleveringsverzoek is een beëdigde verklaring van 22 april 2025 genaamd ‘Affidavit in support of request for extradition of [eiseres]’ van de Assistant Solicitor (openbaar aanklager) van de staat South Carolina, afgelegd voor een rechter van de Circuit Court van de staat South Carolina (hierna: de Affidavit). In de Affidavit staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“26. The warrants carrying the numbers (…) charge [eiseres] with the following:

 Accessory Before the Fact to Murder in violation of South Carolina Code of Laws Title 16, Chapter 1, Sections 40 and 50. (Subject of [zaaknummer 1]). Section 40 states if convicted the defendant "must be punished in the manner prescribed for the punishment of the principal felon. In this case the principal felony would be murder. The maximum sentence for murder is death should South Carolina authorities choose to initiate a separate sentencing proceeding under South Carolina Code of Laws Title 16, Chapter 3, Section 20 (B). Should South Carolina authorities choose not to initiate such a separate proceeding, the maximum custodial sentence for this offense is life imprisonment without the possibility of parole. However, in State v. Bixby the Supreme Court of South Carolina ruled that a person convicted of Accessory before the Fact to Murder is not eligible for the death penalty. Bixby is controlling precedent in South Carolina at this time. In any event, the 7th Circuit Solicitor's Office will not initiate a separate proceeding to pursue the death penalty in this matter.

 Accessory After the Fact to Murder in violation of South Carolina Code of Laws Title 16, Chapter 1, Section 55. (Subject of [zaaknummer 2]). The maximum custodial sentence for this offense is fifteen years.

 Conspiracy to Commit Murder. South Carolina Code of Laws Title 16, Chapter 17, Section 410. The maximum custodial sentence for this offense is five years.”

2.6.

Bij tussenuitspraak van 14 augustus 2025 heeft de uitleveringsrechter van de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat hij over onvoldoende informatie beschikt om een oordeel te kunnen vormen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, omdat onvoldoende vast staat dat aan [eiseres] geen doodstraf zal worden opgelegd. De uitleveringsrechter heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid in de gelegenheid gesteld om nadere informatie op te vragen bij de Amerikaanse autoriteiten.

2.7.

Op 16 september 2025 heeft de ambassade van de Verenigde staten in Den Haag een diplomatieke nota verstrekt (hierna: de diplomatieke nota), waarin het volgende is vermeld:

“By letter from the Netherlands’ Ministry of Justice and Security to the U.S. Department of Justice, dated 28 August 2025, the Netherlands requested further assurances in this matter. In consideration of that request, the United States informs the Netherlands that the offenses for which extradition of [eiseres] are sought are not punishable by death under the laws of the State of South Carolina in the United States. [eiseres]’s extradition is sought for the following offenses: Accessory Before the Fact of Murder; Accessory Alter the Fact of Murder; and Conspiracy to Commit Murder. Under South Carolina law, [eiseres] is not subject to a capital sentence for any of the above-listed offenses. Specifically, Accessory After the Fact of Murder and Conspiracy to Commit Murder are not eligible for a capital sentence by statute. Furthermore, the South Carolina Supreme Court in the case of State v. Bixby, 373 S.C. 74 (Apr. 9, 2007) ruled that a defendant convicted of Accessory Before the Fact of Murder is not eligible for a capital sentence. As the offenses for which extradition is sought are not punishable by death under the laws of the Requesting State, no assurance is required under Article 7 of the Annex. However, in consideration of the Netherlands’ request for further assurances, the United States hereby assures, in reference to Article 7 of the Annex, the death penalty shall not be imposed on [eiseres], or, if for procedural reasons such condition cannot be complied with, that the death penalty, if imposed, shall not be carried out.”

2.8.

De uitleveringsrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft de uitlevering van [eiseres] bij einduitspraak van 30 oktober 2025 toelaatbaar verklaard met betrekking tot de feiten ‘accessory before the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’. De uitleveringsrechter heeft de uitlevering niet toelaatbaar verklaard ten aanzien van het feit ‘accessory after the fact of murder’. Daartoe is het volgende overwogen:

“(…) Het feit ‘accessory after the fact of murder’ is naar Nederlands recht strafbaar gesteld onder artikel 189 Sr, te weten hulp aan een dader na een misdrijf, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste zes maanden. Gelet hierop is ten aanzien van dit feit niet voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Verdrag en artikel 5 van de UW. De uitlevering dient ten aanzien van dit feit ontoelaatbaar te worden verklaard.

3.5

Garantie met betrekking tot het niet opleggen dan wel tenuitvoerleggen van de doodstraf De rechtbank heeft in een eerder stadium van deze procedure, hoewel deze bevoegdheid blijkens de uitleveringswet strikt genomen enkel toekomt aan de minister, nadere informatie opgevraagd omtrent de mogelijkheid dat aan de opgeëiste persoon de doodstraf wordt opgelegd. Deze informatie is door de officier van justitie aangeleverd. Uit de door de officier van justitie ingebrachte Diplomatic Note van 16 september 2025 blijkt dat de doodstraf niet aan de opgeëiste persoon zal worden opgelegd of, indien om procedurele redenen niet aan deze voorwaarde kan worden voldaan, de doodstraf niet zal worden tenuitvoergelegd. De rechtbank vindt de door de ambassade doorgegeven informatie afdoende en acht het om deze reden niet noodzakelijk om het onderzoek te heropenen.”

2.9.

De minister van Asiel en Migratie heeft bij besluit van 10 december 2025 de asielaanvraag van [eiseres] afgewezen als kennelijk ongegrond. [eiseres] heeft daartegen beroep ingesteld.

2.10.

Na beroep in cassatie door het Openbaar Ministerie tegen de einduitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 oktober 2025 heeft de Hoge Raad bij arrest van 17 maart 2026 de uitspraak van de uitleveringsrechter vernietigd voor zover deze zag op de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering met betrekking tot feit ‘accessory after the fact of murder’ en de uitlevering ten aanzien van dat feit (naast de andere twee feiten) ook toelaatbaar verklaard. Het door [eiseres] ingestelde cassatieberoep is verworpen.

2.11.

Op 23 maart 2026 heeft [eiseres] met het oog op het uitleveringsverzoek een zienswijze ingediend bij de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister), waarin zij de Minister heeft verzocht de staat South Carolina om garanties te vragen.

2.12.

Bij tussenuitspraak van 12 mei 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, (hierna ook: de asielrechter) ten aanzien van het door [eiseres] ingestelde beroep tegen de afwijzing van haar asielaanvraag, kort gezegd, geoordeeld dat er voldoende garanties zijn dat [eiseres] na haar uitlevering aan de Verenigde Staten niet zal worden veroordeeld tot de doodstraf. De rechtbank oordeelde verder dat de minister van Asiel en Migratie onvoldoende had onderzocht of [eiseres] bij terugkeer het risico loopt op een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vrijlating en dit risico onvoldoende had betrokken in zijn besluit. De minister van Asiel en Migratie is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.

2.13.

Bij beschikking van 11 augustus 2026 heeft de Minister besloten om de uitlevering van [eiseres] aan de Verenigde Staten toe te staan. In die beschikking staat onder meer het volgende:

“5.3. De Minister stelt voorop dat een garantie ter zake van de doodstraf in deze zaak strikt genomen niet noodzakelijk was, nu de Amerikaanse autoriteiten hebben toegelicht dat de doodstraf voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar het recht van South Carolina niet kan worden opgelegd en die informatie - mede gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel - voldoende was om een reële dreiging van een schending van art. 3 EVRM weg te nemen. Ten overvloede hebben de Amerikaanse autoriteiten evenwel bij diplomatieke nota van 16 september 2025, via de daarvoor aangewezen diplomatieke weg, de garantie verstrekt dat de doodstraf niet aan de opgeëiste persoon zal worden opgelegd en, indien deze onverhoopt toch wordt opgelegd, niet zal worden uitgevoerd. Deze garantie is verkregen via de ambassade van de Verenigde Staten, de diplomatieke vertegenwoordiging van de Verenigde Staten in Nederland. Aan deze garantie zijn de Amerikaanse autoriteiten dan ook gebonden. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat de opgeëiste persoon in verband met de onderhavige uitlevering toch met de doodstraf zal worden geconfronteerd en bestaat evenmin aanleiding om nadere of aanvullende garanties te verlangen.

Dreigende schending van Artikel 3 EVRM – Levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde vrijlating

5.4.

De Minister stelt voorop dat bij de beoordeling of uitlevering een dreigende schending van artikel 3 EVRM oplevert in verband met een mogelijke levenslange gevangenisstraf, de

maatstaf uit het arrest Sanchez-Sanchez tegen het Verenigd Koninkrijk van het EHRM dient te worden toegepast. Daarbij moet de opgeëiste persoon eerst aannemelijk maken dat er substantiële gronden bestaan om aan te nemen dat bij veroordeling een reëel risico bestaat op een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling.

5.5.

De opgeëiste persoon heeft dit risico in haar zienswijze niet onderbouwd. Zij heeft volstaan met de stelling dat een schending van art. 3 EVRM en art. 4 Handvest zich ook voordoet "als [zij] wordt uitgeleverd en [een] levenslange gevangenisstraf krijgt opgelegd zonder uitzicht op vervroegde vrijlating". Dit is onvoldoende. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een reëel risico als bedoeld in voornoemde jurisprudentie, wordt niet toegekomen aan de tweede stap van de beoordeling, te weten de vraag of voldoende waarborgen bestaan voor een eventuele mogelijkheid van herbeoordeling of vrijlating.

Specialiteitsbeginsel

5.6.

De Minister stelt voorop dat het specialiteitsbeginsel is neergelegd in artikel 15 van het bilaterale Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika. Deze bepaling brengt onder meer mee dat de Verenigde Staten de opgeëiste persoon zonder aanvullende toestemming van Nederland niet kunnen vervolgen voor andere feiten dan die waarvoor de uitlevering is toegestaan. In uitgangspunt moet erop worden vertrouwd dat de Verenigde Staten hun verdragsverplichtingen zullen naleven. Het bij het uitleveringsverzoek gevoegde Affidavit noemt slechts bepaalde bevoegdheden van de procureur naar het recht van South Carolina. Zodra uitlevering wordt verzocht, zijn de Verenigde Staten evenwel gebonden aan de verplichtingen die voortvloeien uit het toepasselijke uitleveringsverdrag, ook als die nationaalrechtelijke bevoegdheden inperken. Namens de opgeëiste persoon is niet onderbouwd waarom er in dit geval niet op zou kunnen worden vertrouwd dat de Verenigde Staten hun verdragsverplichtingen naleven. De Minister ziet daarom geen aanleiding om aanvullende garanties te verlangen.”

2.14.

Deze asielrechter heeft bij einduitspraak van 20 augustus 2026 het beroep van [eiseres] tegen de afwijzing van haar asielaanvraag gegrond verklaard, het besluit waarbij die aanvraag was afgewezen (en het aanvullende besluit) vernietigd en de minister van Asiel en Migratie opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van [eiseres], met inachtneming van de tussenuitspraak van 12 mei 2026 en de uitspraak van 20 augustus 2026. Daartoe is het volgende overwogen:

“6. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de Verenigde Staten het risico loopt veroordeeld te worden tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 12 mei 2026, rechtsoverweging 8.3 tot en met 8.5. Daarin is overwogen dat eiseres in het aanvullend gehoor heeft verklaard over haar vrees dat een levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd en dat dit wordt onderschreven door de Affidavit, waaruit blijkt dat bij veroordeling voor de in het arrestatiebevel opgenomen beschuldiging van ‘accessory before the fact of murder’, aan eiseres een levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidsstelling kan worden opgelegd, gelet op de uitspraak in de zaak Bixby. Het gaat om een reëel risico, nu niet enkel sprake is van een hypothetische mogelijkheid of subjectieve vrees van eiseres, maar haar vrees wordt gestaafd met een beëdigde verklaring van de autoriteiten waarin is vermeld dat het voorhanden bewijsmateriaal erop wijst dat eiseres schuldig is aan de strafbare feiten vermeld in de arrestatiebevelen. Dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling, zoals verweerder stelt, volgt de rechtbank niet. Verweerder legt met die stelling een te zware maatstaf aan.

7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet alle twijfels heeft weggenomen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Dat de uitkomst van de strafrechtelijke procedure in de Verenigde Staten nog niet vaststaat en de strafeis nog niet bekend is, is feitelijk juist maar naar het oordeel van de rechtbank niet relevant omdat het niet wegneemt dat eiseres een reëel risico loopt op veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating. Niet ter discussie staat ook dat eiseres op dit moment ‘slechts’ wordt verdacht van medeplichtigheid aan en samenzwering tot moord op haar ex-partner en dat zij hiervoor nog niet terecht heeft gestaan. De verwijzing van verweerder naar paragraaf 16-3-20 van de South Carolina Code of Laws, waarin staat opgesomd wat de straffen voor moord kunnen zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres wordt in de eerste plaats niet verdacht van moord, maar van medeplichtigheid aan en samenzwering tot moord, waarvoor volgens de Affidavit wel degelijk levenslange gevangenisstraffen zonder kans op vervroegde vrijlating kunnen worden opgelegd. Verder volgt de rechtbank de stelling van verweerder niet dat er in geval van eiseres geen sprake is van verzwarende omstandigheden en wel van verzachtende omstandigheden. Uit het dossier blijkt dit immers niet. Dat er mogelijk verzachtende omstandigheden zijn is net zo min zeker als dat er sprake kan zijn van verzwarende omstandigheden. Het is aan de strafrechter hier uiteindelijk een oordeel over te vellen aan de hand van alle feiten en omstandigheden die in de strafzaak naar voren komen. Ook de verwijzing van verweerder naar zaken in de Verenigde Staten waar verdachten niet zijn veroordeeld tot levenslange gevangenisstraffen zonder kans op vervroegde vrijlating, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder haalt enkel drie nieuwsberichten uit de Verenigde Staten aan, waaruit niet valt op te maken dat de zaken voldoende vergelijkbaar zijn met de zaak van eiseres om te onderbouwen dat zij geen risico loopt op veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating. Zoals de rechtbank al heeft overwogen wordt eiseres niet verdacht van moord. Verder kan uit de nieuwsberichten niet worden afgeleid of in de aangehaalde zaken sprake was van verzachtende omstandigheden. Verweerder heeft ook overigens geen meer objectieve informatie, zoals informatie over herzieningsmechanismes of percentages van zaken waarin levenslange gevangenisstraffen worden opgelegd, aangedragen waardoor twijfels over een risico op schending van artikel 3 EVRM zouden kunnen worden weggenomen.

8. Nu eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar de Verenigde Staten een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en verweerder niet alle twijfels daarover heeft weggenomen, is de rechtbank van oordeel dat met het aanvullende besluit het geconstateerde gebrek niet is hersteld. De beroepsgrond slaagt.”

2.15.

De minister van Asiel en Migratie heeft zowel tegen de tussenuitspraak als tegen de einduitspraak van de asielrechter hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

2.16.

In aanloop naar de mondelinge behandeling in dit kort geding heeft [eiseres] de Afdeling op 20 september 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat [eiseres] wordt toegestaan om de uitkomst van het door de minister van Asiel en Migratie ingestelde hoger beroep in Nederland af te wachten en dat de Staat wordt verboden [eiseres] in de tussentijd uit te leveren aan de Verenigde Staten.

2.17.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 6 oktober 2026 het verzoek van [eiseres] afgewezen. Dat is als volgt gemotiveerd:

“2.1. De voorzieningenrechter kan wat verzoeker met haar verzoek wil bereiken, niet bewerkstelligen. In de bodemprocedure gaat het namelijk om de vraag of de rechtbank de besluiten van 10 december 2025 en 15 juni 2026 op de asielaanvraag van verzoeker terecht heeft vernietigd, terwijl verzoeker verzoekt om de strafrechtelijke uitlevering aan de Verenigde Staten te verbieden. Die besluiten kunnen daarin niet voorzien en de minister heeft die bevoegdheid niet.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – verkort en zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

 de Staat te verbieden [eiseres] uit te leveren aan de Verenigde Staten zolang de Afdeling nog niet onherroepelijk heeft beslist op het door de Minister ingestelde beroep tegen de uitspraak van 20 augustus 2026 van deze rechtbank;

Subsidiair

 de Staat te verbieden [eiseres] uit te leveren aan de Verenigde Staten zolang de Staat nog geen (staats)garantie heeft ontvangen van de staat South Carolina, die inhoudt dat aan [eiseres] na uitlevering aan de Verenigde Staten niet de doodstraf zal worden opgelegd en dat indien deze toch aan [eiseres] wordt opgelegd, de doodstraf niet zal worden uitgevoerd;

Meer subsidiair

 de Staat te verbieden [eiseres] uit te leveren aan de Verenigde Staten zolang de Staat nog geen (staats)garantie heeft ontvangen van de staat South Carolina, die inhoudt dat aan [eiseres] na uitlevering aan de Verenigde Staten niet een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating wordt opgelegd;

In alle gevallen

 de Staat te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. [eiseres] loopt bij terugkeer naar de Verenigde Staten een reëel risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Dat heeft de asielrechter geoordeeld in de uitspraak van 20 augustus 2026 en de voorzieningenrechter moet zich daarnaar richten. De door de ambassade van de Verenigde Staten in Nederland afgegeven diplomatieke nota biedt onvoldoende garantie dat aan [eiseres] geen doodstraf wordt opgelegd dan wel dat deze niet wordt uitgevoerd als deze wel wordt opgelegd. Ook loopt [eiseres] een reëel risico dat aan haar een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van vervroegde vrijlating wordt opgelegd. [eiseres] mag om die redenen niet worden uitgeleverd aan de Verenigde Staten. [eiseres] heeft er verder belang bij dat wordt gewacht op de uitkomst van de asielprocedure, waarin nog geen eindbeslissing is genomen. In het geval daar niet op wordt gewacht, heeft [eiseres] er belang bij dat eerst van de staat South Carolina (aanvullende) garanties worden verkregen.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

In dit kort geding moet worden beoordeeld of aanleiding bestaat om de uitlevering van [eiseres] aan de Verenigde Staten (tijdelijk) te verbieden.

Toetsingskader

4.2.

Op grond van de Uitleveringswet vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die uitlevering door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon.

4.3.

De Verenigde Staten (als verzoekende staat) zijn partij bij het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing, zodat Nederland (als aangezochte staat) er in beginsel op moet vertrouwen dat de verzoekende staat de rechten van [eiseres] zal eerbiedigen. Het vertrouwensbeginsel zal slechts moeten wijken als [eiseres] aannemelijk maakt dat er in haar geval reden is om aan te nemen dat gegeven garanties niet zullen worden nagekomen of haar grondrechten niet zullen worden gerespecteerd.

Primair – afwachten uitkomst asielprocedure?

4.4.

[eiseres] vordert primair dat de Staat wordt verboden om [eiseres] uit te leveren zolang de Afdeling nog niet onherroepelijk heeft beslist op het door de Minister ingestelde beroep tegen de uitspraak van 20 augustus 2026 van de asielrechter, waarin – kort gezegd – is geoordeeld dat [eiseres] aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar de Verenigde Staten een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM omdat zij een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde vrijlating riskeert.

4.5.

Deze vordering is niet toewijsbaar. Voor zover [eiseres] aanvoert dat de asielprocedure voorgaat op de uitleveringsprocedure, faalt dit betoog. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat er voor de Minister geen verplichting bestaat de uitkomst van de asielprocedure af te wachten. Vaste rechtspraak is dat in het geval als hier aan de orde, waarin de procedure over toelating samenloopt met een uitleveringsprocedure, de Uitleveringswet als bijzondere regeling boven artikel 45 van de Vreemdelingenwet 2000 gaat en dat de vraag of tot uitzetting kan worden overgegaan zich oplost in de beslissing over de uitlevering. De uitleveringsrechter heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard. De Minister heeft vervolgens besloten om de uitlevering van [eiseres] toe te staan, waartegen [eiseres] in dit kort geding opkomt. Kort daarna heeft de asielrechter op 20 augustus 2026 uitspraak gedaan in de asielprocedure. Daartegen heeft de minister van Asiel en Migratie hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de hiervoor bedoelde rechtspraak van zowel de Afdeling als het hof Den Haag worden afgeleid dat in het geval als het onderhavige geen verplichting bestaat voor de Staat om eerst een onherroepelijke beslissing van de Afdeling in de asielprocedure af te wachten alvorens tot uitlevering wordt overgegaan. De voorzieningenrechter zal dus zelfstandig beoordelen of de beslissing van de Minister dat geen reëel risico op schending van het EVRM bestaat onrechtmatig is, zonder daarbij doorslaggevend gewicht aan de (niet onherroepelijke) uitspraak van de asielrechter toe te kennen.

Subsidiair en meer subsidiair – (aanvullende) garanties van South Carolina?

4.6.

De subsidiair en meer subsidiaire vorderingen van [eiseres] strekken ertoe dat de Staat wordt verboden [eiseres] uit te leveren totdat de staat South Carolina (via het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken) een garantie heeft afgegeven dat aan [eiseres] geen doodstraf zal worden opgelegd, dat de doodstraf niet zal worden uitgevoerd als deze wel wordt opgelegd, dan wel dat aan [eiseres] geen levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating wordt opgelegd.

4.7.

Van een schending van artikel 3 EVRM kan sprake zijn als er een reëel risico bestaat dat aan de opgeëiste persoon de doodstraf zal worden opgelegd dan wel een levenslange gevangenisstraf zonder enige mogelijkheid van vervroegde vrijlating (“parole”). Volgens rechtspraak van het EHRM dient de opgeëiste persoon, in dit geval [eiseres], aannemelijk te maken dat zij een dergelijk risico loopt.

4.8.

Evenals de asielrechter is de voorzieningenrechter met de Staat van oordeel dat [eiseres] bij uitlevering geen reëel risico op oplegging en uitvoering van de doodstraf loopt. De voorzieningenrechter acht de gegeven garanties toereikend en voldoende is vast komen te staan dat de Verenigde Staten aan die garanties gebonden zijn.

4.9.

Uit het uitleveringsverzoek volgt samengevat dat voor het strafbare feit ‘accessory before the fact of murder’, waarvan [eiseres] onder andere wordt beschuldigd, de doodstraf de maximumstraf is, indien de autoriteiten van South Carolina besluiten daarvoor een aparte (strafvaststellings)procedure op te starten. Indien zij besluiten dat niet te doen, dan is de maximumstraf, zo vermeldt het uitleveringsverzoek, een levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van vervroegde vrijlating. In het uitleveringsverzoek staat verder dat volgens in South Carolina geldende jurisprudentie een voor ‘accessory before the fact of murder’ veroordeelde persoon niet in aanmerking komt voor de doodstraf (zie 2.4). Daar komt bij dat de beëdigde verklaring van de openbaar aanklager in South Carolina vermeldt dat de openbaar aanklager in de zaak van [eiseres] geen aparte procedure zal starten om de doodstraf na te streven (zie 2.5). Van belang is verder dat de ambassade van de Verenigde Staten in Den Haag bij diplomatieke nota van 16 september 2025 de garantie heeft gegeven dat: ‘the death penalty shall not be imposed on [eiseres], or, if for procedural reasons such condition cannot be complied with, that the death penalty, if imposed, shall not be carried out.’.

4.10.

Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden vertrouwd op de juistheid van de informatie die in het kader van het uitleveringsverzoek wordt verstrekt en ook op nakoming van de garanties. Dat de garantie afkomstig is van de ambassade van de Verenigde Staten in Nederland en niet direct van de staat South Carolina zelf, betekent niet zonder meer dat die garantie South Carolina niet bindt. De Staat heeft onder verwijzing naar een uitspraak van het hof Den Haag van 13 november 2023 toegelicht dat South Carolina wel degelijk is gebonden aan op grond van het tussen de Verenigde Staten en Nederland geldende Uitleveringsverdrag gegeven garanties zoals de onderhavige. De Staat wijst er verder terecht op dat de diplomatieke nota onder meer is gebaseerd op informatie uit de Affidavit, afkomstig van de openbaar aanklager in South Carolina. De diplomatieke nota staat dus niet op zichzelf maar hangt nauw samen met het uitleveringsverzoek en de Affidavit.

4.11.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] onvoldoende naar voren heeft gebracht om te kunnen oordelen dat in haar specifieke geval het vertrouwensbeginsel moet wijken. De enkele verwijzing naar de ijzingwekkende executiepoging van [naam] in een andere Staat dan South Carolina, Tennessee, en niet nader gespecificeerde ervaringen met niet-integer gedrag van collega’s tijdens haar werkzaamheden in dienst van de staat South Carolina acht de voorzieningenrechter onvoldoende.

4.12.

Verder volgt evenmin uit de stellingen van [eiseres] dat sprake is van een reëel risico dat aan haar een levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van vervroegde vrijlating zal worden opgelegd. Het is juist dat in het geval van [eiseres] de mogelijkheid van oplegging van een levenslange gevangenisstraf zonder vervroegde vrijlating bestaat; dat volgt reeds uit het uitleveringsverzoek en de Affidavit. Dat betekent nog niet, zoals [eiseres] betoogt, dat het reële risico bestaat dat die straf ook in dit concrete geval aan [eiseres] zal worden opgelegd. [eiseres] heeft, ondanks haar gehoudenheid daartoe, nagelaten in dit kort geding concreet toe te lichten dat en waarom specifiek zij een reëel risico daarop loopt. Zij heeft volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de asielrechter van 20 augustus 2026, waarin een dergelijk risico is aangenomen, maar dat is onvoldoende. De Staat heeft daarentegen gemotiveerd uiteengezet dat bij de beoordeling of sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM meeweegt of bij de strafoplegging ook rekening wordt gehouden met verzachtende omstandigheden, en dat in het geval van [eiseres] aannemelijk is dat er verzachtende omstandigheden zijn. Ook daar heeft [eiseres] onvoldoende tegenin gebracht.

4.13.

Alles samengenomen kan in het geval van [eiseres] van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM niet worden gesproken. Bij deze stand van zaken kan de Staat niet worden gehouden om aanvullende garanties van de staat South Carolina te verlangen zoals [eiseres] vordert.

Conclusie

4.14.

De slotsom is dat de Staat niet onrechtmatig handelt door de uitlevering van [eiseres] toe te staan. Voor het opleggen van een (tijdelijk) verbod aan de Staat om [eiseres] uit te leveren aan de Verenigde Staten bestaat dan ook geen aanleiding en evenmin tot het bedingen van nadere garanties. Alle vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

4.15.

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 735

- salaris advocaat € 1.177

- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 2.101

4.16.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

5.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026.

yd

ABRvS 23 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5615 en gerechtshof Den Haag 21 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:49, nr 6.28. Zie ook rechtbank Den Haag 13 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2715. EHRM 3 november 2022, nr. 22854/20 Sanchez-Sanchez v. het Verenigd Koninkrijk. Gerechtshof Den Haag 14 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2325.