Civiel recht overig
In een zogenoemde WAMCA-zaak hebben drie stichtingen collectieve vorderingen ingesteld tegen de grootste tien…
Rechtbank Amsterdam, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10575 · Rechtbank Amsterdam · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-10575
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 771715 / HA ZA 25-1240
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10575
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
In een zogenoemde WAMCA-zaak hebben drie stichtingen collectieve vorderingen ingesteld tegen de grootste tien energieleveranciers. Het draait om de vraag of energieleveranciers de laatste jaren een oneerlijk beding hebben gebruikt om op grond daarvan hun prijzen aan te passen. De rechtbank oordeelt dat alle energieleveranciers hetzelfde beding hebben gebruikt, zodat de zaak als één zaak behandeld kan worden. In december wordt een arrest van de Hoge Raad verwacht, dat gaat over de vraag of het prijsverhogingsbeding oneerlijk is. Dat is van zo’n belang voor deze zaak, dat de rechtbank alle verdere beslissingen aanhoudt.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
Vonnis van 28 oktober 2026
in de zaak 771715 / HA ZA 25-1240
van
de stichting
STICHTING EERLIJKE HANDELSPRAKTIJKEN
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. K. Rutten,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BUDGET THUIS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat eerst mr. C.B. Vreede, thans mr. T.M. Sweerts,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ENECO CONSUMENTEN B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat eerst mr. G.A. de Jongh, thans mr. J.A. van de Hel,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ENERGIEDIRECT B.V.,
gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
advocaat mr. M.H.C. Sinninghe Damsté,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ESSENT RETAIL ENERGIE B.V.,
gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
advocaat mr. M.H.C. Sinninghe Damsté,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GREENCHOICE B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. S. Simonetti,
6. de naamloze vennootschap
VATTENFALL SALES NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. A.J. Haasjes,
gedaagden,
in de zaak 776406 / HA ZA 25-1543
van
de stichting
STICHTING CONSUMENTEN COMPETITION CLAIMS,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. C.C.A. van Rest,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden,
en
in de zaak 776408 / HA ZA 25-1544
van
de stichting
STICHTING CONSUMER JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. W.A. Vader,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden
en tegen
7. de naamloze vennootschap
GREENCHOICE ZAKELIJK N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. S. Simonetti,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ENGIE NEDERLAND RETAIL B.V.,
gevestigd te Zwolle,
advocaat mr. A.D. Polkerman,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OXXIO NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. J.A. van de Hel,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VANDEBRON ENERGIE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. M.H.C. Sinninghe Damsté,
gedaagden.
Eiseressen worden hierna afzonderlijk SEH, SCCC en SCJ genoemd en samen de stichtingen. Gedaagden worden hierna afzonderlijk Budget Thuis, Eneco, Energiedirect, Essent, Greenchoice, Vattenfall, Greenchoice Zakelijk, ENGIE, Oxxio en Vandebron genoemd en samen de energieleveranciers.
1 Waar gaat dit vonnis over?
1.1. In deze WAMCA-zaak hebben de stichtingen collectieve vorderingen ingesteld tegen de energieleveranciers. De WAMCA kent een eigen procedure, die erop neerkomt dat eerst wordt geoordeeld over de ontvankelijkheid van de belangenorganisatie(s) en de door haar/hen ingestelde vorderingen en dat – indien en voor zover dit oordeel positief luidt – vervolgens wordt geoordeeld over de inhoud.
In dit geval moet echter eerst worden geoordeeld over enkele andere kwesties: (i) is de rechtbank Amsterdam relatief bevoegd, (ii) is er aanleiding om de zaak te splitsen en (iii) moeten de stichtingen de energieleveranciers inzage geven in een aantal gegevens. Deze kwesties worden in dit vonnis beantwoord.
2 Procesverloop
Op 30 juni 2025 heeft SEH op de voet van artikel 1018c lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een collectieve vordering ingesteld tegen Budget Thuis, Eneco, Energiedirect, Essent, Greenchoice en Vattenfall (gedaagden 1 tot en met 6). De exploten van dagvaarding zijn op 1 juli 2025 ter griffie ingekomen. Op dezelfde dag is de dagvaarding aangetekend in het in artikel 3:305a lid 7 Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde centraal register voor collectieve vorderingen; de aantekening is vergezeld gegaan van een uittreksel van de dagvaarding. Aldus is voldaan aan het bepaalde in artikel 1018c lid 2 Rv.
Bij rolbeslissing van 20 augustus 2025 zijn de op artikel 1018d lid 2 Rv gebaseerde verzoeken van SCCC respectievelijk SCJ om verlenging van de in artikel 1018d lid 1 Rv bedoelde termijn van drie maanden afgewezen.
Vervolgens hebben zowel SCCC als SCJ binnen die termijn van drie maanden een collectieve vordering ingesteld voor, naar elk van hen stelt, dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de door SEH ingestelde collectieve vordering betrekking heeft, over, naar SCCC en SCJ stellen, gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen, onder vermelding van de aantekening van de dagvaarding van SEH in het centraal register. SCCC heeft haar collectieve vordering ingesteld tegen dezelfde partijen als SEH. SCJ heeft haar collectieve vordering niet alleen tegen die partijen ingesteld, maar ook tegen Greenchoice Zakelijk, ENGIE, Oxxio en Vandebron (gedaagden 7 tot en met 10).
Artikel 1018d lid 3 Rv bepaalt dat voor de toepassing van het eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering “de overeenkomstig dit artikel ingestelde vorderingen” na inschrijving op de rol gezamenlijk worden behandeld als een zaak. Strikt genomen betreft dit alleen de door SCCC en SCJ ingestelde vorderingen. Een praktische wetsuitleg brengt echter mee dat ook de door SEH ingestelde vordering hieronder valt. Vooralsnog gaat het dus om één zaak, waarin om administratieve redenen per eiseres een afzonderlijk zaak- en rolnummer wordt gehanteerd.
De procedure in deze ene zaak is als volgt verlopen:
- de gelijkluidende dagvaardingen van 30 juni 2025, van SEH;
- de akte houdende overlegging producties, met producties 1 tot en met 77, van SEH;
- de gelijkluidende dagvaardingen van 29 september 2025, van SCJ;
- de akte overlegging producties, met producties 1 tot en met 54, van SCJ;
- de gelijkluidende dagvaardingen van 30 september 2025, van SCCC;
- de akte overlegging producties, met producties 1 tot en met 30, van SCCC;
- de conclusie van antwoord ten aanzien van de ontvankelijkheid als bedoeld in artikel 3:305a BW jo. artikel 1018c lid 5 Rv, tevens houdende incidenteel inzageverzoek, met producties 1 tot en met 42, van Budget Thuis;
- de conclusie van antwoord ten aanzien van de ontvankelijkheid ex. artikel 3:305a BW jo. artikel 1018c lid 5 Rv, tevens houdende incidenteel beroep op relatieve onbevoegdheid van de rechtbank, incidenteel verzoek tot splitsing, en incidenteel inzageverzoek, met producties 1 tot en met 42, van Eneco;
- de conclusie van antwoord ten aanzien van de ontvankelijkheid ex. artikel 3:305a BW jo. artikel 1018c lid 5 Rv, tevens houdende incidenteel beroep op relatieve onbevoegdheid van de rechtbank, incidenteel verzoek tot splitsing, en incidenteel inzageverzoek, met producties 1 tot en met 39, van Energiedirect;
- de conclusie van antwoord ten aanzien van de ontvankelijkheid ex. artikel 3:305a BW jo. artikel 1018c lid 5 Rv, tevens houdende incidenteel beroep op relatieve onbevoegdheid van de rechtbank, incidenteel verzoek tot splitsing, en incidenteel inzageverzoek, met producties 1 tot en met 39, van Essent;
- de conclusie van antwoord ten aanzien van de ontvankelijkheid ex. artikel 3:305a BW jo. artikel 1018c lid 5 Rv, tevens houdende incidenteel beroep op relatieve onbevoegdheid van de rechtbank, incidenteel verzoek tot splitsing, en incidenteel inzageverzoek, met producties 1 tot en met 42, van Greenchoice;
- de conclusie van antwoord ten aanzien van de ontvankelijkheid als bedoeld in artikel 3:305a BW jo. artikel 1018c lid 5 Rv, tevens houdende incidenteel inzageverzoek, met producties 1 tot en met 43, van Vattenfall;
- de conclusie van antwoord ten aanzien van de ontvankelijkheid ex. artikel 3:305a BW jo. artikel 1018c lid 5 Rv, tevens houdende incidenteel beroep op relatieve onbevoegdheid van de rechtbank, incidenteel verzoek tot splitsing, en incidenteel inzageverzoek, met producties 1 tot en met 30, van Greenchoice Zakelijk;
- de conclusie van antwoord ten aanzien van de ontvankelijkheid ex. artikel 3:305a BW jo. artikel 1018c lid 5 Rv, tevens houdende incidenteel beroep op relatieve onbevoegdheid van de rechtbank, incidenteel verzoek tot splitsing, en incidenteel inzageverzoek, met producties 1 tot en met 30, van ENGIE;
- de conclusie van antwoord ten aanzien van de ontvankelijkheid ex. artikel 3:305a BW jo. artikel 1018c lid 5 Rv, tevens houdende incidenteel beroep op relatieve onbevoegdheid van de rechtbank, incidenteel verzoek tot splitsing, en incidenteel inzageverzoek, met producties 1 tot en met 30, van Oxxio;
- de conclusie van antwoord ten aanzien van de ontvankelijkheid ex. artikel 3:305a BW jo. artikel 1018c lid 5 Rv, tevens houdende incidenteel verzoek tot splitsing en incidenteel inzageverzoek, met producties 1 tot en met 30, van Vandebron;
- het tussenvonnis van 11 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
- de conclusie van antwoord in incident inzake relatieve bevoegdheid, verzoek tot splitsing en inzageverzoek, van SEH;
- de conclusie van antwoord in incident inzake niet-ontvankelijkheid, relatieve bevoegdheid, verzoek tot splitsing en inzageverzoek met overlegging productie, met productie 31, van SCCC;
- de incidentele conclusie van antwoord inzake relatieve bevoegdheid, verzoek tot splitsing en inzageverzoek, van SCJ;
- de (op 14 juli 2026 gecorrigeerde) rolbeslissing van 1 april 2026, waarbij de stichtingen die hun financieringsdocumentatie nog niet in het geding hebben gebracht is bevolen dat alsnog te doen;
- de akte overlegging productie, met productie 78, van SEH;
- de akte overlegging productie, met productie 32, van SCCC;
- de brief van 14 april 2026, met een bijlage, van SCCC;
- de akte inzake bevel ex art. 22 Rv, met een bijlage, van SCJ;
- het tussenvonnis van 19 augustus 2026, waarbij de zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer voor voortzetting van de behandeling in de staat waarin zij zich bevindt;
- de rolbeslissing van 26 augustus 2026, waarbij elk van de energieleveranciers is bevolen de in die rolbeslissing onder 1.1 weergegeven stelling toe te lichten door beantwoording van de in die rolbeslissing onder 1.2 gestelde vragen;
- de akte houdende beantwoording vragen ex artikel 22 Rv, van Budget Thuis;
- de akte naar aanleiding van het bevel ex artikel 22 Rv, van Eneco en Oxxio;
- de akte houdende uitlating ex artikel 22 Rv, met producties 41 tot en met 49, van Energiedirect;
- de akte uitlating ex artikel 22 Rv, met producties 40 tot en met 59, van Essent;
- de akte uitlating ex artikel 22 Rv, van Greenchoice en Greenchoice Zakelijk;
- de akte houdende beantwoording vragen ex art. 22 Rv, van Vattenfall;
- de akte, van ENGIE;
- de akte uitlating ex artikel 22 Rv, met producties 31 tot en met 38, van Vandebron;
- het proces-verbaal van de op 15 september 2026 gehouden mondelinge behandeling en de daarin vermelde stukken.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.
3 De feiten in de incidenten
Op de levering van elektriciteit en gas via het landelijke elektriciteits- respectievelijk gasnet waren tot en met 31 december 2025 de Elektriciteitswet respectievelijk de Gaswet 1998 van toepassing. Vanaf 1 januari 2026 is daarop de Energiewet van toepassing.
Uit artikel 95a van de Elektriciteitswet kan worden afgeleid dat kleinverbruikers van elektriciteit zijn “afnemers die beschikken over een aansluiting op een net met een totale maximale doorlaatwaarde van ten hoogste 3*80 A”. Uit artikel 43 van de Gaswet kan worden afgeleid dat kleinverbruikers van gas zijn “afnemers die beschikken over een aansluiting op een net met een totale maximale capaciteit van ten hoogste 40 m3(n) per uur”. Artikel 1.1 van de Energiewet omschrijft een kleine aansluiting omschreven als een “aansluiting met een doorlaatwaarde kleiner dan of gelijk aan 3 x 80 Ampère voor elektriciteit of 40 m3(n) per uur voor gas”. Aan deze kleinverbruikers mag alleen met vergunning elektriciteit respectievelijk gas worden geleverd.
De energieleveranciers leveren elektriciteit en gas (hierna samen: energie) aan kleinverbruikers, waaronder consumenten. Daarbij worden de volgende soorten overeenkomsten gebruikt:
- overeenkomsten voor bepaalde tijd met vaste tarieven voor de gehele looptijd,
- overeenkomsten voor onbepaalde tijd met variabele tarieven volgens het door de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) vastgestelde model,
- overeenkomsten voor onbepaalde tijd met variabele tarieven waarin het ACM-model niet wordt gebruikt (hierna: vrije variabele contracten),
- overeenkomsten voor onbepaalde tijd met dynamische tarieven, waarbij het tarief voor elektriciteit per uur kan verschillen en het tarief voor gas per dag.
Deze zaak gaat over de beide soorten overeenkomsten met een variabel tarief, niet over overeenkomsten met een vast tarief of een dynamisch tarief.
De energieleveranciers zijn lid van de branchevereniging Energie-Nederland. De door Energie-Nederland opgestelde Algemene voorwaarden voor de levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers 2017 (hierna: de AV 2017) zijn van kracht sinds 1 april 2017 en worden door de energieleveranciers gebruikt in alle overeenkomsten met kleinverbruikers. Daarnaast gebruikt elk van de energieleveranciers eigen productvoorwaarden, die voor verschillende producten kunnen verschillen.
Artikel 19.3 van de AV 2017 luidt als volgt:
“Wij kunnen met elkaar afspreken dat wij de leveringstarieven mogen veranderen tijdens de overeenkomst. Redenen hiervoor zijn overheidsbesluiten en de ontwikkelingen op de markt voor elektriciteit of gas, waaronder prijsontwikkelingen op de groothandelsmarkten voor elektriciteit of gas, wijzigingen met betrekking tot marge en prijs- en inkooprisico's, wijzigingen in de kostenstructuur voor het betreffende product en wijzigingen in onze
algemene kostenstructuur. Ook andere, uitzonderlijke omstandigheden kunnen een reden zijn om de leveringstarieven te veranderen, in dat geval zal deze reden duidelijk aan u uitgelegd worden."
Dit beding zal hierna worden aangeduid als het wijzigingsbeding (in de AV 2017).
Energieleveranciers waren en zijn verplicht een contract aan te bieden volgens het door de ACM vastgestelde model. Deze verplichting gold tot en met 31 december 2025 volgens de artikelen 95na van de Elektriciteitswet en 52ca van de Gaswet 1998. Sinds 1 januari 2026 is deze verplichting geregeld in artikel 2.23 van de Energiewet.
Het door de ACM vastgestelde modelcontract luidde, voor zover in dit geding van belang, in de periode van 8 december 2016 tot en met 31 december 2025 als volgt:
“ 2.1. Wijzigingen variabele leveringskosten: 2 keer per jaar
• De variabele leveringskosten (de tarieven per kWh en m3) behorende bij het Modelcontract worden door marktontwikkelingen beïnvloed.
• [Leverancier] kan de variabele leveringskosten aanpassen op 1 januari en 1 juli van elk jaar. Hierbij hanteert [leverancier] de volgende criteria: invullen door leverancier. De redenen voor, de omvang en de wijze van aanpassing van de kosten moeten transparant worden gespecificeerd, zodat de klant op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria eventuele wijzigingen van deze kosten kan voorzien.
• Bij onvoorziene wijzigingen in de marktomstandigheden kan [Leverancier] de leveringskosten ook op andere momenten aanpassen.
Aankondiging wijzigingen variabele leveringskosten
• Bij wijzigingen per 1 januari en per 1 juli wordt u tijdig voor de wijziging persoonlijk geïnformeerd over de nieuwe leveringskosten.
• Ook bij onvoorziene tussentijdse wijzigingen (anders dan op 1 januari en 1 juli) als bedoeld in artikel 2.1 van deze Modelcontractvoorwaarden informeert [Leverancier] u hierover persoonlijk en tijdig voor de tariefwijziging.
• De meest recente tarieven zijn altijd te vinden op de website [www.[leverancier].nl] onder het kopje 'Modelcontract' [en op uw persoonlijke pagina "www.[pagina].nl"].”
Het ACM-modelcontract voor onbepaalde tijd met variabele tarieven luidt, voor zover in dit geding van belang, vanaf 1 januari 2026 als volgt:
“ 2.1. Wijzigingen leveringskosten, terugleverkosten en/of terugleververgoeding
• De vaste of variabele leveringskosten, terugleververgoeding en terugleverkosten die gelden voor levering en teruglevering van elektriciteit en/of de levering van gas behorende bij dit modelcontract voor onbepaalde tijd met variabele tarieven worden door marktontwikkelingen en wijzigingen in wet- en regelgeving beïnvloed.
• [Leverancier] kan de vaste of variabele leveringskosten, terugleververgoeding en terugleverkosten aanpassen op 1 januari, 1 april,1 juli en/of 1 oktober van elk jaar als gevolg van marktontwikkelingen of wijzigingen in wet- en regelgeving. Hierbij hanteert [leverancier] de volgende criteria: invullen door leverancier. De redenen voor, de omvang en de wijze van aanpassing van de vaste of variabele leveringskosten, terugleververgoeding en terugleverkosten moeten transparant door de leverancier worden gespecificeerd in lijn met de toepasselijke wet- en regelgeving, zodat de klant op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria eventuele gevolgen van deze wijzigingen kan voorzien.
Aankondiging wijzigingen
• Bij wijzigingen van vaste of variabele leveringskosten, terugleverkosten en/of terugleververgoedingen per 1 januari, 1 april, 1 juli, en/of 1 oktober wordt u tijdig – uiterlijk een maand voor de wijziging – persoonlijk geïnformeerd over de nieuwe vast of variabele leveringskosten, terugleverkosten en/of terugleververgoedingen.
• In het geval de vaste of variabele leveringskosten, terugleverkosten en/of terugleververgoedingen worden gewijzigd, kunt u uw contract kosteloos beëindigen met inachtneming van de opzegtermijn, zoals opgenomen in de Modelcontractvoorwaarden in paragraaf 3.3 over de beëindiging van uw contract.
• De meest recente tarieven zijn altijd te vinden op de website [Externe link: www.[leverancier].nl] onder het kopje ’Modelcontract’ [en op uw persoonlijke pagina ″Externe link: www.[pagina].nl″].”
Bij vonnis van 24 februari 2023, gewezen in de zaak tussen een individuele consument als eiseres en Vattenfall als gedaagde, heeft de kantonrechter in deze rechtbank onder meer het volgende overwogen:
“27. Conclusie van het bovenstaande is dat de mogelijkheden om prijswijzigingen door te voeren in artikel 19.3 veel te ruim zijn omschreven. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de ACM in het door haar (na het gewezen RWE arrest) vernieuwde voorgeschreven modelcontract onder meer heeft bepaald dat de leverancier de redenen voor, de omvang en de wijze van aanpassing van de kosten transparant moet specificeren, zodat de consument op duidelijke en begrijpelijk criteria, eventuele wijzigingen van deze kosten kan voorzien.
27. De consument is op grond van artikel 19.3 niet (voldoende) in staat de economische gevolgen van het beding voor zijn financiële verplichtingen te beoordelen. Het beding is daarom niet eerlijk en wordt dan ook ambtshalve vernietigd. De vordering tot een verklaring tot recht daartoe wordt daarom toegewezen.“
De kantonrechter heeft vervolgens beslist:
“verbiedt Vattenfall om de tarieven van de tussen partijen gesloten overeenkomst voor elektriciteit en gas per 1 april 2022 te wijzigen;
verklaart voor recht dat het eenzijdig wijzigingsbeding dat is opgenomen in de algemene voorwaarden van Vattenfall versie 2017 oneerlijk is;
vernietigt het eenzijdig wijzigingsbeding dat is opgenomen in de algemene voorwaarden van Vattenfall versie 2017;
verklaart voor recht dat Vattenfall zich schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk door op haar website te stellen dat tarieven bij een variabel contract twee keer per jaar worden gewijzigd (…).”
Bij arrest van 25 maart 2025 heeft het gerechtshof Amsterdam in het door Vattenfall ingestelde hoger beroep onder meer het volgende overwogen:
“5.18. Het Wijzigingsbeding kan gedurende de uitvoering van de overeenkomst het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk verstoren, ook al zou deze verstoring alleen onder bepaalde omstandigheden tot uiting kunnen komen of zou dat beding in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan [geïntimeerde] (vgl. HvJEU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia Nederland), punt 60). Ten aanzien van de in dit geval te verrichten oneerlijkheidstoets is van belang of het Wijzigingsbeding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd voor een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument. Het beschermingsstelsel van Richtlijn 93/13 brengt mee dat het transparantievereiste ruim moet worden opgevat. Het gebiedt onder meer dat in de overeenkomst de concrete werking van het mechanisme waarop het betrokken beding betrekking heeft op een transparante wijze wordt uiteengezet, zodat [geïntimeerde] op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die voor haar uit de overeenkomst voortvloeien kan inschatten. Het is bij de beoordeling van de transparantie en van de oneerlijkheid onder meer van bijzonder belang of het Wijzigingsbeding de redenen voor en de wijze van wijziging specificeert. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat dit beginsel niet zo ver gaat dat [geïntimeerde] als gemiddelde consument bij het aangaan van de overeenkomst met Vattenfall precies heeft moeten kunnen uitrekenen welk bedrag zij aan variabele kosten aan stroom en gas over de gehele looptijd zal moeten betalen. Het gaat erom dat Vattenfall ten tijde van het aangaan van de overeenkomst zoveel duidelijkheid had moeten verschaffen als mogelijk was (HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830 (Euribor), rov. 3.4 en 4.2.3 en vgl. HvJEU 23 januari 2025, ECLI:EU:C:2025:35 (NWE), punten 38 tot en met 44).
In het Wijzigingsbeding worden als redenen voor wijziging aangevoerd: “overheidsbesluiten en de ontwikkelingen op de markt voor elektriciteit of gas, waaronder prijsontwikkelingen op de groothandelsmarkten voor elektriciteit of gas, wijzigingen met betrekking tot marge en prijs- en inkooprisico’s, wijzigingen in de kostenstructuur voor het betreffende product en wijzigingen in onze algemene kostenstructuur. Ook andere, uitzonderlijke, omstandigheden kunnen een reden zijn om de leveringstarieven te veranderen, in dat geval zal deze reden duidelijk aan u uitgelegd worden.” Het is voor [geïntimeerde] als gemiddelde – dit wil zeggen redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende – consument niet mogelijk om op grond van deze omschrijving een raming te maken van (de wijziging van) haar kosten aan gas en stroom gedurende de looptijd van de overeenkomst met Vattenfall. Niet gesteld of gebleken is dat Vattenfall op enige wijze aan [geïntimeerde] op 1 april 2017 toen de Algemene Voorwaarden 2017 van kracht werden becijferde simulaties met schommelingen in de variabele prijzen van stroom en gas uit het verleden beschikbaar heeft gesteld, zodat [geïntimeerde] aan de hand daarvan het risico van oplopende prijzen en dus van een variabel contract in plaats van een vast contract had kunnen begrijpen. Ook ontbreekt een concrete en begrijpelijke waarschuwing voor de economische context waarin prijsschommelingen plaatsvinden en de daarmee gepaard gaande risico’s voor de financiële positie van [geïntimeerde] (vgl. HvJEU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:470 (BNP Paribas Personal Finance), punten 73-75). De hiervoor geciteerde, door Vattenfall aangevoerde (vele) redenen voor wijziging zijn algemeen van aard en dus te weinig specifiek om te gelden als de bedoelde waarschuwing. Vattenfall heeft aangevoerd dat het mededingingsrechtelijk niet mogelijk is om de redenen en de momenten van de tariefwijziging te concretiseren omdat dit de concurrentie ongeoorloofd zou beperken, maar zij heeft onvoldoende toegelicht waarom dit in de weg staat aan de hiervoor genoemde simulaties en waarschuwing zodat daaraan voorbij gegaan wordt.
Bovenop de verplichting van Vattenfall om [geïntimeerde] vóór het van kracht worden van het Wijzigingsbeding op duidelijke en begrijpelijke wijze te informeren over de voorwaarden voor uitoefening van het recht op eenzijdige wijziging, was het aan Vattenfall om [geïntimeerde] redelijke tijd vooraf in te lichten over de tariefwijziging per 1 april 2022 en het opzeggingsrecht van [geïntimeerde] overeenkomstig de Bijlage bij Richtlijn 93/13 onder 2 sub b, tweede alinea. Ook aan deze verplichting heeft Vattenfall niet voldaan.”
Vattenfall heeft beroep in cassatie ingesteld. De conclusie van de advocaat-generaal van 29 mei 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:541) strekt tot vernietiging en verwijzing. Het arrest van de Hoge Raad wordt verwacht op 4 december 2026.
4 De hoofdzaak
De stichtingen vorderen zeer kort samengevat verklaringen voor recht inhoudende dat de wijzigingsbedingen onredelijk bezwarend zijn en dat deze vernietigd zijn, althans de vernietiging daarvan, en een verbod die verder te gebruiken. Verder vorderen zij terugbetaling althans schadevergoeding ten behoeve van de groepen afnemers waarvoor zij opkomen. SEH en SCCC komen op voor consumenten, SCJ komt op voor zowel consumenten als door haar in de dagvaarding gedefinieerde groepen “kleine ondernemers” en “kleine ondernemers (gemengd)”. De volledige vorderingen van de stichtingen zijn als bijlage bij dit vonnis gevoegd.
De stichtingen leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de energieleveranciers in hun overeenkomsten met consumenten en andere kleinverbruikers gebruik maken van wijzigingsbedingen.
SEH en SCCC stellen dat het wijzigingsbeding uit de AV 2017 niet duidelijk en begrijpelijk is en dat dit het evenwicht tussen de consumenten en de energieleveranciers in aanzienlijke mate verstoort, in strijd met de goede trouw. Zij achten dit wijzigingsbeding oneerlijk en daarmee onredelijk bezwarend, omdat het niet voldoet aan het transparantievereiste uit de Richtlijn oneerlijke bedingen, zoals geïmplementeerd in het Burgerlijk Wetboek. Volgens hen is het wijzigingsbeding daarom vernietigbaar.
SCJ sluit zich daarbij aan en stelt dat het wijzigingsbeding ook in overeenkomsten met kleinverbruikers die geen consument zijn onredelijk bezwarend is.
De stichtingen stellen tevens dat de energieleveranciers zich bedienen van oneerlijke handelspraktijken als bedoeld in de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, zoals geïmplementeerd in het Burgerlijk Wetboek.
SCJ stelt verder nog dat het wijzigingsbeding in strijd is met de Elektriciteitswet en de Gaswet 1998, dat een beroep op die bedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat de energieleveranciers het mededingingsrecht schenden, althans onrechtmatig handelen.
De energieleveranciers kondigen aan dat zij verweer zullen voeren tegen de door de stichtingen ingestelde vorderingen en de grondslagen daarvan.
5 Een processuele voorvraag
De energieleveranciers (met uitzondering van Vattenfall) voeren aan dat SCCC in haar dagvaarding een ongeldige roldatum heeft gehanteerd. De dagvaarding van SEH (de eerste belangenorganisatie) is op 1 juli 2025 aangetekend in het centraal register. De driemaandentermijn van artikel 1018d lid 1 Rv liep drie maanden later af. SCCC heeft gedagvaard tegen 15 oktober 2025. Gelet op artikel 1018d lid 3, tweede volzin, Rv was dat twee weken te vroeg. De dagvaarding van SCCC is daarom nietig en SCCC moet in haar vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus deze energieleveranciers.
SCCC voert hiertegen aan dat dit verweer alleen al moet worden verworpen omdat niet is gesteld of gebleken dat de energieleveranciers als gevolg van de door haar gehanteerde roldatum zijn benadeeld.
De rechtbank overweegt dat artikel 1018d Rv luidt als volgt:
“1 Binnen drie maanden na de aantekening in het register als bedoeld in artikel 1018c, tweede lid, kan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een collectieve vordering instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering bedoeld in artikel 1018c, eerste lid, betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen, onder vermelding van de aantekening. De collectieve vordering wordt ingesteld bij dezelfde rechtbank als waar de eerder in het register aangetekende collectieve vordering is ingesteld. Artikel 1018c, eerste lid, is van toepassing.
2 De rechter kan de in het vorige lid bedoelde termijn met maximaal drie maanden verlengen indien binnen een maand na de aantekening een rechtspersoon als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek ter griffie heeft laten aantekenen dat hij een collectieve vordering wil instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering bedoeld in artikel 1018c, eerste lid, betrekking heeft, onder vermelding van de aantekening in het register, maar dat de termijn van drie maanden niet volstaat.
3 Voor de toepassing van het eerste Boek worden de overeenkomstig dit artikel ingestelde collectieve vorderingen na inschrijving op de rol gezamenlijk behandeld als een zaak. De in de dagvaarding vermelde roldatum ligt vier weken na het verstrijken van de termijn op grond van het eerste en tweede lid.”
In het oorspronkelijke wetvoorstel luidde artikel 1018d lid 3 als volgt:
“Voor de toepassing van het eerste Boek worden de overeenkomstig dit artikel ingestelde collectieve vorderingen na indiening en betekening of bezorging van de procesinleiding als bedoeld in artikel 112 gezamenlijk behandeld als een zaak. De dag waarop de verweerder ten laatste als verweerder kan verschijnen in de zin van artikel 30a, derde lid, onder c, ligt vier weken na het verstrijken van de termijn op grond van het eerste en tweede lid.”
Lid 3 is in de Memorie van Toelichting als volgt toegelicht:
“Lid 3 van artikel 1018d regelt dat alle collectieve vorderingen die voor dezelfde gebeurtenis overeenkomstig lid 1 worden ingediend, als één zaak worden behandeld. Dit is wenselijk met het oog op de aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger en de behandeling van de collectieve vordering na die aanwijzing. Lid 3 bepaalt dat de behandeling als één zaak pas geldt na indiening en bezorging of betekening van de procesinleiding ingevolge artikel 112. Er zijn verschillende redenen voor deze toevoeging. Allereerst zorgt de bepaling ervoor dat elk van de eisers zelf verantwoordelijk is voor het op de hoogte stellen van de verweerder van zijn collectieve vordering. De slotzin van lid 3 zorgt er daarbij voor dat in plaats van de door eiser zelf overeenkomstig artikel 30a, derde lid, onder c, te bepalen termijn voor verschijning, een wettelijk voorgeschreven termijn geldt van vier weken na het verstrijken van de termijn voor het indienen van andere collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis overeenkomstig lid 1 en 2. Dit brengt mee dat de verweerder maar één keer hoeft te verschijnen om zich te verweren tegen elk van de ingediende collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis. De toevoeging is ook van belang voor de heffing van griffierecht ingevolge de Wet griffierechten. Zonder de toevoeging zou van de eisers van elk van de ingediende collectieve vorderingen gezamenlijk één griffierecht moeten worden geheven volgens de Wet griffierechten in burgerlijke zaken (Wgbz), waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn. Ten eerste acht ik het redelijk om van elk van de eisers een griffierecht te heffen. Daarnaast acht ik de onderlinge verhouding tussen de verschillende eisers die een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis hebben ingesteld, niet zodanig dat het redelijk is om hen op te zadelen met vragen van draagplicht en regres voor het griffierecht in hun onderlinge verhouding.”
In de derde Nota van Wijziging is de huidige wettekst in de toenmalige versie van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor niet digitaal procederen ingevoegd. Als toelichting is het volgende vermeld:
“De nota van wijziging bevat louter technische aanpassingen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat de nieuwe titel 14A over de rechtspleging in zaken betreffende collectieve actie en collectieve schadeafwikkeling zowel geldt voor digitaal gevoerde procedures («KEI») als voor op papier gevoerde procedures.
(…)
5. In artikel 1018d, derde lid, is «na indiening en betekening of bezorging van de procesinleiding als bedoeld in artikel 112» vervangen door «na inschrijving op de rol» en is «De dag waarop de verweerder ten laatste als verweerder kan verschijnen in de zin van artikel 30a, derde lid, onder c,» vervangen door «De in de dagvaarding vermelde roldatum».”
Artikel 125 lid 1 Rv bepaalt dat het geding aanhangig is vanaf de dag van dagvaarding. Als is gedagvaard tegen een ongeldige rechtsdag is de gedaagde niet in staat op die dag voor de rechter te verschijnen en kan de dagvaarding daarom het beoogde rechtsgevolg niet hebben. De mogelijkheid van herstel en de daaraan gestelde beperkingen dienen om enerzijds een fout waardoor de gedaagde niet is benadeeld te kunnen herstellen, de daaraan gestelde beperkingen dienen om de gedaagde te beschermen. Daaraan komt bijzondere betekenis toe als sprake is van een appeltermijn en het tijdig dagvaarden dus essentieel is, waardoor ook met het oog op de rechtszekerheid de mogelijkheid gebreken te herstellen beperkt is.
In dit geval is geen sprake van een ongeldige roldatum (in de bewoordingen van de HR: een foutieve verschijndag), omdat daaronder blijkens HR 10 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:927, r.o. 3.4.3 wordt verstaan: een dag of uur waarop de rechter geen zitting houdt. Deze situatie is hier niet aan de orde, omdat tegen een roldag is gedagvaard en de dagvaarding dus het beoogde rechtsgevolg (oproeping voor de zitting op die dag) kon hebben. De rechtspraak over herstel van het verzuim dat tegen een foutieve verschijndag is gedagvaard is dus niet van toepassing.
Aan het vermelden van een andere roldatum dan de artikel 1018d lid 3 Rv genoemde roldatum is geen sanctie verbonden. Elders in de WAMCA is dit wel het geval; zie artikel 1018c lid 2 Rv (“Op straffe van niet ontvankelijkheid”).
Dus is te beoordelen of gedaagden door eerdere dagvaarding dan in de wet bepaald benadeeld zijn, gezien het met de bepaling beoogde doel.
Blijkens de toelichting op het oorspronkelijke ontwerp was de bedoeling van de in artikel 1018d lid 3 Rv gestelde termijn dat de verweerder maar één keer hoeft te verschijnen om zich te verweren tegen elk van de ingediende collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis.
In dat licht moet ook het e-mailbericht van de griffier van 8 oktober 2025 gezien worden, waarin hij aan de (toenmalige) advocaten heeft geschreven:
“Ingevolge art. 1018d lid 3 Rv worden de drie zaken gezamenlijk behandeld als één zaak. Om administratieve redenen krijgen de zaken 2 en 3 echter een eigen zaak- en rolnummer. Gedaagden die (ook) in die zaken wensen te verschijnen, dienen in die zaken (opnieuw) advocaat te stellen (…). Van iedere verschijnende gedaagde wordt slechts één keer griffierecht geheven.”
Gedaagden is medegedeeld dat de zaak (waarin zij al waren verschenen) als één zaak wordt behandeld. Hen is om administratieve redenen verzocht om (ook) in de ‘nieuwe’ zaken te verschijnen. Niet is in te zien welk nadeel gedaagden hebben geleden doordat in afwijking van het bepaalde in artikel 1018d lid 3 Rv niet op een termijn van vier weken, maar van twee weken is gedagvaard. Zij hebben hieromtrent ook niets gesteld. Dat betekent dat de afwijking door SCCC van de termijn van artikel 1018d lid 3 Rv zonder gevolg dient te blijven.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ter zake van deze processuele voorvraag.
6 De incidentele vorderingen
Gedaagden hebben schematisch weergegeven de volgende (gelijkluidende) incidenten opgeworpen.
|
Relatieve bevoegdheid |
Splitsing |
Inzage |
|
|
1. Budget Thuis |
-- |
-- |
X |
|
2. Eneco |
X |
X |
X |
|
3. Energiedirect |
X |
X |
X |
|
4. Essent |
X |
X |
X |
|
5. Greenchoice |
X |
X |
X |
|
6. Vattenfall |
-- |
-- |
X |
|
7. Greenchoice Zakelijk |
X |
X |
X |
|
8. ENGIE |
X |
X |
X |
|
9. Oxxio |
X |
X |
X |
|
10. Vandebron |
-- |
X |
X |
Relatieve bevoegdheid en splitsing
In dit verband zijn drie rechtsregels van belang:
- artikel 1018d lid 1 Rv, dat bepaalt dat de tweede (en volgende) belangenorganisatie een collectieve vordering kan instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering van de eerste belangenorganisatie betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen;
- artikel 107 Rv bepaalt dat indien een rechter ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd is, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen;
- de door de Hoge Raad ontwikkelde regel dat de rechter een aanhangig gemaakt geding kan splitsen op de grond dat tussen de vorderingen geen zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen.
De stichtingen baseren hun vorderingen op de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie, de WAMCA. De Memorie van Toelichting verwoordt het doel van de WAMCA als volgt:
“Het wetsvoorstel heeft tot doel een efficiënte en effectieve afwikkeling van massazaken mogelijk te maken. Het doet dit door in massazaken coördinatie voorop te stellen. Die coördinatie bereikt het wetsvoorstel door massazaken voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen over soortgelijke feitelijke of rechtsvragen te behandelen als één zaak, waarvoor de meest geschikte eiser als Exclusieve Belangenbehartiger wordt aangewezen.”
In een WAMCA-zaak kunnen door verschillende belangenorganisaties collectieve vorderingen worden ingesteld en kunnen verschillende (rechts)personen worden gedagvaard. Drie van de energieleveranciers zijn gevestigd in Amsterdam.
Voor de vraag of sprake is van één zaak zoals bedoeld in de Memorie van Toelichting op de WAMCA zal moeten worden beoordeeld of sprake is van dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen en of in de zaak gelijksoortige feitelijke of rechtsvragen aan de orde zijn.
Het betoog van de stichtingen in hun dagvaardingen berust op de veronderstelling dat de door de energieleveranciers gebruikte wijzigingsbedingen gelijk zijn, namelijk artikel 19.3 van de in elke overeenkomst met kleinverbruikers (waaronder consumenten) van toepassing verklaarde AV 2017.
De energieleveranciers voeren hiertegen aan dat zij niet op eenvormige wijze het wijzigingsbeding hebben toegepast en dat er relevante verschillen zijn: de relevante tijdsperiode, het producttype en het contractueel kader.
De rechtbank heeft hierover bij rolbeslissing van 26 augustus 2026 elk van de gedaagden op grond van artikel 22 Rv bevolen hun stellingen toe te lichten door beantwoording van de volgende vragen:
“1. Zijn in elk variabel energiecontract op basis van het ACM modelcontract met consumenten de Algemene sectorvoorwaarden 2017 (hierna: AV 2017) van toepassing verklaard? Zo niet, wanneer niet, wanneer wel?
Zijn er in de relatie met consumenten op basis van het ACM modelcontract (ook) andere bepalingen van toepassing die (mede) bepalend zijn voor de bevoegdheid de tarieven te wijzigen? Zo ja welke en wat is daarvan de inhoud?
2. Zijn in elk vrij variabel energiecontract met consumenten de AV 2017 van toepassing verklaard? Zo niet, wanneer niet, wanneer wel?
Zijn er in de relatie met consumenten op basis van vrije variabele energiecontracten (ook) andere bepalingen van toepassing die (mede) bepalend zijn voor de bevoegdheid de tarieven te wijzigen? Zo ja welke en wat is daarvan de inhoud?
3. Zijn variabele energiecontracten op basis van het ACM modelcontract ook gebruikt in overeenkomsten met kleinverbruikers die geen consument zijn ? Zo ja, worden daarin steeds de AV 2017 van toepassing verklaard? Zo niet steeds, wanneer niet, wanneer wel?
Zijn (ook) andere bepalingen van toepassing die (mede) bepalend zijn voor de bevoegdheid de tarieven te wijzigen? Zo ja welke en wat is daarvan de inhoud?
4. Zijn in vrije variabele energiecontracten met kleinverbruikers die geen consument zijn steeds de AV 2017 van toepassing verklaard? Zo niet, wanneer niet, wanneer wel?
Zijn er in die energiecontracten (ook) andere bepalingen van toepassing die (mede) bepalend zijn voor de bevoegdheid de tarieven te wijzigen? Zo ja welke en wat is daarvan de inhoud?”
Bij akte hebben de energieleveranciers hierop samengevat geantwoord dat in alle overeenkomsten met kleinverbruikers de AV 2017 van toepassing zijn verklaard. Zij hebben gewezen op uiteenlopende productvoorwaarden, maar geen van hen heeft gesteld dat die productvoorwaarden afwijken van de AV 2017. Dus is niet gesteld dat de productvoorwaarden mede bepalend zijn voor de bevoegdheid de tarieven te wijzigen.
De rechtbank komt op basis van de door de energieleveranciers gegeven toelichting tot het oordeel dat de bevoegdheid om tarieven in variabele contracten te wijzigen steeds berust op artikel 19.3 van de AV 2017. Voor zover er in productvoorwaarden hierover bepalingen zijn opgenomen, zijn deze niet relevant, omdat deze niet afwijken van artikel 19.3 van de AV 2017. Het gebruik door elk van de energieleveranciers van een identiek beding kan worden beschouwd als één gebeurtenis zoals bedoeld in artikel 1018d lid 1 Rv (en in de hiervoor onder 6.3 aangehaalde Memorie van Toelichting).
Het gaat in dit geding ook over gelijksoortige feitelijke vragen, namelijk het gebruik van identieke wijzigingsbedingen door energieleveranciers jegens consumenten en andere kleinverbruikers. Het gaat in dit geding voorts over gelijksoortige rechtsvragen, namelijk of de wijzigingsbedingen op de door de stichtingen gebezigde gronden moeten worden gediskwalificeerd.
SCCC en SCJ moesten dan ook, zoals SEH eerder had gedaan, hun collectieve vordering instellen bij deze rechtbank (artikel 1018d lid 1 Rv).
Het voorafgaande leidt tot de volgende conclusie. Het doel van de WAMCA is massazaken voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen over soortgelijke feitelijke of rechtsvragen te behandelen als één zaak.
In dit geval is sprake van dezelfde gebeurtenis (het gebruik van artikel 19.3 AV 2017), de feitelijke vragen zijn steeds gelijk althans gelijksoortig; hetzelfde geldt voor de rechtsvragen. Er is daarom sprake van een zaak die gezien vanuit het doel van de WAMCA als één zaak behandeld moet worden. Daaruit volgt dat tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen (artikel 107 Rv). Dit leidt enerzijds tot het oordeel dat deze rechtbank bevoegd is. Anderzijds volgt hieruit ook dat de gevorderde splitsingen (of ‘afzonderlijke behandeling’) – in elk geval in dit stadium van de procedure – moeten worden afgewezen.
De energieleveranciers, met uitzondering van Budget Thuis en Vattenfall, zullen worden veroordeeld in de aan de zijde van elk van de stichtingen gevallen kosten van dit incident, inclusief nakosten. Deze worden steeds begroot op EUR 653,00 (een punt, tarief II) en EUR 189,00 aan nakosten, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing. Er is geen aanleiding om voor Vandebron een uitzondering te maken. Zij heeft weliswaar geen bevoegdheidsincident opgeworpen, maar wel een splitsingsincident.
De inzageverzoeken
Artikel 195 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter op verzoek van de partij die daar ingevolge artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Artikel 194 lid 1 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens heeft als zij daarbij voldoende belang heeft.
Artikel 22 lid 1 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen kan bevelen bepaalde op de zaak betrekking hebbende gegevens over te leggen.
Artikel 3:305a lid 2 onder c BW schrijft voor dat de belangenorganisatie beschikt over voldoende middelen om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij de belangenorganisatie ligt.
Elk van de stichtingen heeft een procesfinancier in de arm genomen. Om te kunnen toetsen of aan de eisen van de genoemde bepaling is voldaan dient de rechtbank te beschikken over de volledige met de procesfinanciers gemaakte afspraken. Bij rolbeslissing van 1 april 2026 is de stichtingen daarom bevolen om de financieringsdocumentatie die zij nog niet in het geding hadden gebracht alsnog in het geding te brengen (voor de rechtbank zonder onleesbare delen en voor de energieleveranciers desgewenst met een onleesbaar gemaakt budget). De stichtingen hebben aan dit bevel voldaan. De energieleveranciers hebben in zoverre bij hun verzoek geen belang meer.
De energieleveranciers verzoeken de rechtbank voorts om de stichtingen op grond van artikel 195 Rv te bevelen inzage of afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden:
- ten aanzien van SEH: alle communicatie en overeenkomsten (inclusief alle bijlagen en addenda) met en tussen GoBaxter, Omni Bridgeway en Nera Capital en SEH over de rol en invloed van externe partijen bij de oprichting van SEH, de start en totstandkoming van de collectieve actie van SEH en de overwegingen van deze partijen die ertoe hebben geleid om deze actie te starten, waaronder financiële motieven, de wijze waarop de belangen van de in de dagvaarding omschreven achterban daarbij centraal zijn gesteld en de borging van de onafhankelijkheid van SEH bij het voeren van de collectieve actie;
- ten aanzien van SCCC: alle communicatie en overeenkomsten (inclusief alle bijlagen en addenda) met en tussen SCCC, Breuckelen, de Consumentenbond en Vereniging Eigen Huis over de rol en invloed van anderen dan SCCC, bij de start en totstandkoming van de collectieve actie van SCCC, en de overwegingen van deze partijen die ertoe hebben geleid om deze actie te starten, waaronder financiële motieven, de wijze waarop de belangen van de in de dagvaarding omschreven achterban daarbij centraal zijn gesteld en de borging van de onafhankelijkheid van SCCC bij het voeren van de collectieve actie.
- ten aanzien van SCJ: alle communicatie en overeenkomsten (inclusief alle bijlagen en addenda) met en tussen Hagens Berman en SCJ over de rol en invloed van externe partijen bij de oprichting van SCJ, de start en totstandkoming van de collectieve actie van SCJ en de overwegingen van deze partijen die ertoe hebben geleid om deze actie te starten, waaronder financiële motieven, de wijze waarop de belangen van de in de dagvaarding omschreven achterban daarbij centraal zijn gesteld en de borging van de onafhankelijkheid van SCJ bij het voeren van de collectieve actie.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de inzageverzoeken in zoverre een veel bredere strekking dan artikel 3:305a lid 2 onder c BW. Zij berusten op de veronderstelling dat het initiatief tot het voeren van de collectieve actie is uitgegaan van anderen dan de stichtingen die daarmee een commercieel doel beogen. Daarom zou een ander doel worden beoogd dan het belang van de personen voor wie de stichtingen zeggen op te komen.
De rechtbank gaat ervan uit dat de stichtingen streven naar realisatie van hun statutaire doel. Dat een procesfinancier bij het welslagen van de collectieve actie ook een commercieel belang heeft, doet daar niet aan af. Te beoordelen is of de stichtingen zoals deze uiteindelijk vorm hebben gekregen in verhouding tot de procesfinanciers en de voor hen werkzame advocaten voldoende onafhankelijk zijn.
Daarom is de vraag op welke wijze de stichting tot stand zijn gekomen en wie daartoe initiatief heeft genomen en welke contacten er in de oprichtingsfase tussen diverse betrokkenen zijn geweest niet relevant. Dat betekent dat de energieleveranciers geen belang hebben bij de gevraagde overige bescheiden, die overigens ook onvoldoende bepaald zijn. In zoverre worden de inzageverzoeken afgewezen.
De energieleveranciers verzoeken de rechtbank tot slot om SCJ op grond van artikel 195 Rv te bevelen inzage of afschrift te verstrekken van:
(i) de besluiten van de raad van toezicht van SCJ om [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) per 21 augustus 2025 te benoemen tot leden van de raad van toezicht;
(ii) notulen van vergaderingen van de raad van toezicht van SCJ, waarin de benoeming van [naam 1] en [naam 2] tot leden van de raad van toezicht is besproken; en
(iii) alle correspondentie (waaronder begrepen e-mail, brieven, SMS- en WhatApp-berichten) tussen personen werkzaam voor, en/of betrokken bij Hagens Berman en leden van de raad van toezicht van SCJ met betrekking tot de benoeming van [naam 1] en [naam 2] tot leden van de raad van toezicht.
De rechtbank overweegt dat de energieleveranciers slechts stellen dat zij willen nagaan of [naam 1] en [naam 2] voldoende onafhankelijk opereren van de procesfinancier van SCJ. Concrete aanwijzingen dat die onafhankelijkheid ontbreekt, zijn gesteld noch gebleken. Onderdeel VII van de Claimcode 2019 staat benoeming van een lid van de raad van toezicht op voordracht van de procesfinancier toe. Dat is hier niet gebeurd, [naam 1] en [naam 2] zijn op persoonlijke titel benoemd. Van hun onafhankelijkheid moet worden uitgegaan. De energieleveranciers hebben onvoldoende belang bij de door hen verzochte, in beginsel interne gegevens. Hun inzageverzoeken moeten ook in zoverre worden afgewezen.
De inzageverzoeken met betrekking tot de procesfinanciering zouden toewijsbaar zijn geweest als de rechtbank geen bevel op grond van artikel 22 Rv had gegeven om daarop betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. De overige verzoeken worden afgewezen. Deze situatie komt overeen met de situatie dat partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld, daarom worden de kosten gecompenseerd.
7 Beoordeling in de hoofdzaak
De energieleveranciers hebben al een conclusie van antwoord als bedoeld in artikel 1018c lid 5 slot Rv ingediend. Zoals hiervoor onder 3.11 al is vermeld, zal de Hoge Raad echter naar verwachting op 4 december 2026 arrest wijzen in de zaak-Vattenfall. Naar het oordeel van de rechtbank is dat arrest van cruciaal belang voor het vervolg en de beoordeling van de onderhavige zaak. Alvorens een mondelinge behandeling in de ontvankelijkheidsfase te bepalen, zal de rechtbank partijen daarom in de gelegenheid stellen bij akte te reageren op dat arrest. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol.
Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.
8 Beslissing
De rechtbank:
in de incidenten tot onbevoegdverklaring en splitsing
wijst de vorderingen af;
veroordeelt Eneco, Energiedirect, Essent, Greenchoice, Greenchoice Zakelijk, ENGIE, Oxxio en Vandebron in de aan de zijde van elk van de stichtingen gevallen proceskosten in het incident, steeds begroot op EUR 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als Eneco, Energiedirect, Essent, Greenchoice, Greenchoice Zakelijk, ENGIE, Oxxio en Vandebron niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, moeten zij EUR 89,00 extra betalen plus de kosten van betekening;
wijst het verzochte af;
verwijst de zaak naar de rol van 23 december 2026 als bedoeld in rechtsoverweging 7.1;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.