Civiel recht overig

Landsverordening dwangschriften. Vordering Ontvanger Sint Maarten tot opheffing van schorsende werking verzet…

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 9 april 2026

Zaakgegevens

Op 9 april 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Datum uitspraak
9 april 2026
Datum publicatie
24 juni 2026
Zaaknummer
SXM202600350
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:OGEAM:2026:78
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Landsverordening dwangschriften. Vordering Ontvanger Sint Maarten tot opheffing van schorsende werking verzet executie dwangschrift. Beslissing aangehouden. [gedaagde] wordt door het Gerecht in de gelegenheid gesteld om de verwachte executie-opbrengst van minimaal Cg 30.000,- aan de Ontvanger te voldoen.

Procesgang

  1. Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten · 9 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:OGEAM:2026:78

  2. Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten · 8 mei 2026

    ECLI:NL:OGEAM:2026:80

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202600350

Vonnisdatum: 9 april 2026

in de zaak van

DE ONTVANGER VAN HET LAND SINT MAARTEN,

gevestigd in Sint Maarten,

eiser,

gemachtigde: mr. D.I. Schram,

tegen

de naamloze vennootschap

[gedaagde],

gevestigd in Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok.


Partijen zullen hierna de Ontvanger en [gedaagde] worden genoemd.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De ontvanger heeft op 2 april 2026 een verzoekschrift ingediend tot opheffing van de schorsende werking als gevolg van het door [gedaagde] ingestelde hoger beroep tegen de afwijzende beslissing op het verzet van [gedaagde] tegen de executie van een aantal dwangschriften.

De Ontvanger heeft vervolgens op 7 april 2026 aanvullende producties (6a en 6b) ingediend.

[gedaagde] heeft op 7 april 2026 producties ingediend (1 tot en met 17 en 18).

Vervolgens heeft op 8 april 2026 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en de gemachtigden zijn verschenen en het woord hebben gevoerd. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de Ontvanger op 10 april 2026 de aangekondigde veiling van een aantal in beslag genomen auto’s en enige kantoorinventaris van [gedaagde] mag voortzetten.
Na de uitwisseling van de standpunten over en weer is aan het eind van de mondelinge behandeling aan de orde geweest dat er een mogelijkheid is dat [gedaagde] ter voorkoming van de veiling een bedrag aan de Ontvanger zou betalen.

2.2.

De Ontvanger heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de executie-opbrengst schattenderwijs een bedrag van Cg 30.000,- zou kunnen opleveren. De rechter heeft aan [gedaagde] gevraagd of zij in staat was datzelfde bedrag aan de Ontvanger te betalen. [gedaagde] heeft dat beaamd. De Ontvanger verklaarde ter zitting echter niet bereid te zijn de veiling uit te stellen, ook niet na betaling van het genoemde bedrag. De achtergrond van dat standpunt was gelegen in het feit dat [gedaagde] de Ontvanger al veel te lang aan het lijntje had gehouden en eerder niet was ingegaan op aangeboden mogelijkheden om een betalingsregeling te treffen.

2.3.

Het Gerecht kan zich het gevoelen van de Ontvanger indenken, maar komt bij afweging van de betrokken belangen toch tot de volgende beslissing.

2.4. [

gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld om de toegezegde betaling van minimaal Cg 30.000,- uiterlijk 20 april 2026 aan de Ontvanger te voldoen. Tot die datum zal de beslissing in dit kort geding worden aangehouden. [gedaagde] dient ook de ‘lopende’ verplichtingen voor de maand april 2026 te voldoen, zoals zij dat ook in februari en maart 2026 heeft gedaan. Ten slotte zullen de executiekosten (aanzegging en aankondiging veiling en dergelijke) ook voor rekening van [gedaagde] komen.

2.5.

Indien [gedaagde] in staat zal blijken de in rechtsoverweging 2.4. bedoelde bedragen aan de Ontvanger te voldoen, zal de Ontvanger geen schade lijden. Hij kan in dat geval de ontvangsten afboeken op de openstaande vorderingen, terwijl de gelegde beslagen blijven liggen. Vervolgens kan [gedaagde] een reële betalingsregeling treffen, waarbij de door de gemachtigde van [gedaagde] besproken herfinanciering mogelijk een rol kan spelen.

2.6.

Indien [gedaagde] niet in staat zal blijken de bedragen aan de Ontvanger te voldoen, wordt de Ontvanger slechts zeer beperkt in zijn belangen geschaad. Hij kan de executie immers op een later tijdstip alsnog voortzetten. De extra executiekosten zullen dan ook voor rekening van [gedaagde] komen.

2.7.

Beide partijen dienen op 20 april 2026 aan het Gerecht de stand van zaken mee te delen, waarna verder zal worden beslist.

3
3. De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

3.1.

stelt [gedaagde] in de gelegenheid om de betalingen te doen, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.4. vermeld;

3.2.

houdt alle verdere beslissingen aan tot 20 april 2026.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door

mr. A.S. Veldhuizen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.