Belastingrecht
IB/PVV; afwijzing verzoek ambtshalve vermindering; termijnoverschrijding
Gerechtshof Amsterdam, 16 april 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1781 · Gerechtshof Amsterdam · 16 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-1781
Zaakgegevens
Op 16 april 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 april 2026
- Datum publicatie
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- 24/3562
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1781
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
IB/PVV; afwijzing verzoek ambtshalve vermindering; termijnoverschrijding
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3562
14 april 2026
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: R.W. Dijkstra)
tegen de uitspraak van 1 oktober 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/6217 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak het beroep van belanghebbende, betreffende de afwijzing van een verzoek tot ambtshalve vermindering van de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot een bedrag van € 728.140.
Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tijdig (pro forma) hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:
-
de gronden van het hoger beroep door belanghebbende;
-
een verweerschrift door de inspecteur;
-
berichten door belanghebbende met de mededeling dat de gemachtigde tijdens de zitting zal worden bijgestaan door een deskundige;
-
een tiendagenstuk door de inspecteur;
-
een reactie op het tiendagenstuk door belanghebbende.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarbij belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’:
“1. Eiser heeft voor het jaar 2016 samen met zijn fiscaal partner, [naam 1] , aangifte IB/PVV ingediend naar een verzamelinkomen van € 3.226.901. Het in de aangifte opgenomen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt € 828.140.
2. Op peildatum 1 januari 2016 bedraagt het totaal aan bezittingen uit sparen en beleggen € 21.201.187, onderverdeeld als volgt:
- saldi bankrekeningen en spaartegoeden € 14.742.621
- bank- en spaartegoeden in het buitenland € 66.764
- aandelen, obligaties e.d. € 5.964.802
- overige onroerende zaken € 427.000
3. Op peildatum 1 januari 2016 bedraagt het totaal aan schulden in box 3 volgens de aangifte € 264.141, bestaande uit de volgende schulden:
- aandeel [naam 2] € 259.483
- [bedrijf 1] € 1.395
- [bedrijf 2] € 3.263
4. Op 3 augustus 2018 heeft verweerder de aanslag opgelegd overeenkomstig de aangifte.
5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag waarbij het bezwaar gericht was op – samengevat – de volgende onderdelen:
- in box 3 is per abuis geen rekening gehouden met een schuld van eiser aan [bedrijf 3] ad € 2.500.000; en
- eiser houdt het box 3-vermogen voornamelijk aan in bank- en spaartegoeden en realiseert daardoor feitelijk niet het rendementspercentage van 4% zoals bij wetsfictie wordt verondersteld. Dit maakt volgens eiser dat sprake is van een voor hem individuele en excessieve last die in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM); en
- volgens eiser maken het forfaitaire rendement in samenhang met het heffingsvrij vermogen en het tarief van 30% dat het stelsel van box 3 op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP bij het EVRM.
6. In de bezwaarfase kwam naar voren dat genoemde schuld ad € 2.500.000 maakte dat sprake was van een terbeschikkingstelling in box 1 die nog niet in de aangifte IB/PVV 2016 was opgenomen. Eiser en verweerder hebben in bezwaarfase het volgende compromis (hierna: het compromis) gesloten:
“Bij wijze van compromis zijn wij het volgende overeengekomen.
1. Conform uw verzoek zal er in box 3 rekening worden gehouden met een schuld van € 2,5 mio.
2. Daarnaast is er sprake van het ter beschikking stellen van vermogen aan [bedrijf 4] B.V. voor hetzelfde bedrag waardoor in box 1 rekening dient te worden gehouden met een opbrengst van 2% x € 2,5 mio = € 50.000. Na toepassing van de terbeschikkingstellingsvrijstelling resteert een resultaat van € 44.000.
3. Voor zover het bezwaar ziet op de stelling dat er voor uw client sprake is van een individuele en buitensporige last wordt het bezwaar ingetrokken.
4. Voor zover het bezwaar ziet op de eventuele strijdigheid van de box 3 heffing met het EVRM (de zogenaamde massaal bezwaar procedure) blijft dit bezwaar in stand tot de hoogste rechter daarover heeft beslist. Zie ook mijn opmerking hieronder.
5. Dit compromis geldt op dezelfde wijze voor de jaren 2017 en 2018.”
7. Verweerder heeft vervolgens met dagtekening 9 april 2019 de aanslag verminderd conform het gesloten compromis, waarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd tot een bedrag van € 728.140.
8. Bij brief van 2 januari 2023 heeft eiser een verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag gedaan.
9. Bij brief van 30 mei 2023 heeft verweerder het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag afgewezen.
10. Op 7 juli 2023 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering en in die brief heeft eiser verzocht om het aanhouden van de beslissing op dit bezwaar in afwachting van een bij het Europese Hof van de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) lopende procedure over het stelsel van box 3 over de jaren vóór 2017.
11. Bij brief van 14 augustus 2023 heeft verweerder gereageerd op het bezwaarschrift van eiser met de mededeling dat een beslissing op bezwaar niet wordt aangehouden in afwachting van een eventuele beslissing van het EHRM.
12. Eiser heeft de brief van 14 augustus 2023 van verweerder aangemerkt als een afwijzing van zijn bezwaarschrift en is vervolgens op 6 september 2023 in beroep gekomen bij de rechtbank.”
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of het verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV over het jaar 2016 terecht is afgewezen.
4 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“Termijnoverschrijding verzoek ambtshalve vermindering
17. De mogelijkheid tot ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PVV is geregeld in artikel 9.6 van de Wet IB 2001 en artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: UR IB 2001). Ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PVV kan door de inspecteur op verzoek van de belanghebbende worden verleend zodra hem is gebleken dat de belastingaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld. De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld, tenzij vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft (hierna: de vijfjaarstermijn). Het verzoek ambtshalve vermindering moet binnen de vijfjaarstermijn worden gedaan (vgl. Hoge Raad 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1795). Als dat niet is gebeurd, dan dient het verzoek te worden afgewezen, tenzij sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is sprake als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het verzoek in verzuim is geweest (vgl. Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871).
18. Verweerder stelt in beroep dat het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen omdat dit verzoek buiten de vijfjaarstermijn is gedaan. Eiser neemt het standpunt in dat het verzoek om ambtshalve vermindering door verweerder inhoudelijk is beoordeeld en dat een eventuele termijnoverschrijding bij een vorige instantie niet meer kan worden getoetst. Ook doet eiser in dit kader een beroep op het vertrouwensbeginsel en op paragraaf 23, onderdeel 15 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (hierna: BFB).
19. Ter zitting heeft eiser aangevuld dat het compromis geen randvoorwaarden kent. Dit betekent volgens eiser dat uit het compromis volgt dat de vijfjaarstermijn voor ambtshalve vermindering niet geldt en dat van eiser geen actie – in de vorm van een verzoek – was vereist om de aanslag te laten verminderen. Volgens eiser blijkt dat ook uit het feit dat in het compromis afspraken zijn gemaakt voor drie belastingjaren. Dit is dan ook de reden dat het verzoek pas na de vijfjaarstermijn is ingediend, aldus eiser. Eiser stelt dat hij erop mag vertrouwen dat deze afspraken worden nageleefd. Bovendien stelt eiser dat het compromis moet worden uitgelegd volgens het criterium uit het Haviltex-arrest. Tot slot stelt eiser dat de vijfjaarstermijn van de ambtshalve vermindering opzij kan worden geschoven als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat vergen.
20. De rechtbank stelt vast dat de vijfjaarstermijn van artikel 45aa van de UR IB 2001 voor het belastingjaar IB/PVV 2016 eindigde op 31 december 2021. Hiermee staat vast dat het verzoek ambtshalve vermindering in de brief met dagtekening 2 januari 2023 buiten de vijfjaarstermijn is gedaan. Ook stelt de rechtbank vast dat verweerder in de afwijzing van het verzoek ambtshalve vermindering van 30 mei 2023 niet de stelling heeft ingenomen dat het verzoek buiten de termijn is gedaan, maar het verzoek heeft afgewezen omdat voor het jaar 2016 geen sprake is van een schending van artikel 1 EP bij het EVRM.
21. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek ambtshalve vermindering terecht is afgewezen en overweegt daartoe als volgt. Het staat vast dat het verzoek van eiser om ambtshalve vermindering buiten de vijfjaarstermijn, en dus te laat, is ingediend. Dan rest de vraag of die termijnoverschrijding verschoonbaar is en de rechtbank oordeelt dat dat niet het geval is. Dat, zoals eiser stelt, uit het compromis zou volgen dat de vijfjaarstermijn voor hem niet geldt of door het compromis opzij wordt gezet, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de tekst van het compromis. Evenmin blijkt uit het compromis dat voor eiser de formele vereisten van ambtshalve vermindering niet zouden gelden. Ook de overige stukken en de toelichting van partijen ter zitting bieden naar het oordeel van de rechtbank voor eisers lezing van het compromis geen aanknopingspunten. Het beroep van eiser op de uitleg van het compromis volgens het Haviltex-arrest en het vertrouwensbeginsel kan eiser daarom niet baten. De stelling van eiser dat het compromis ziet op meerdere belastingjaren maakt dit niet anders. Al het voorgaande brengt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de te late indiening van het verzoek ambtshalve vermindering is te wijten aan een verzuim van eiser en daarom niet verschoonbaar is.
22. De stelling van eiser dat een termijnoverschrijding bij een vorige instantie niet meer kan worden getoetst, kan hem niet baten. Een termijnoverschrijding bij een verzoek ambtshalve vermindering is een grond voor afwijzing; de termijnoverschrijding maakt niet dat het verzoek niet-ontvankelijk is. Met de stelling van verweerder dat het verzoek ambtshalve vermindering terecht is afgewezen vanwege de termijnoverschrijding wijzigt verweerder in beroep de afwijzingsgrond van het verzoek ambtshalve vermindering en het staat verweerder vrij om dat te doen. Daarbij komt dat de jurisprudentie van de drie hoogste bestuursrechters (Centrale Raad van Beroep 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500, Hoge Raad, 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153, en Afdeling Bestuursrechtspraak RvS, 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1730) naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet van toepassing is, omdat die jurisprudentie ziet op de toetsing van de ontvankelijkheid bij een vorige instantie. Niet in geschil is dat het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek ambtshalve vermindering ontvankelijk was. De rechtbank toetst in dit geval dan ook niet ambtshalve de ontvankelijkheid van het bezwaar, zoals bedoeld in genoemde jurisprudentie.
23. Het beroep van eiser op paragraaf 23, onderdeel 15 van het BFB slaagt niet, omdat deze paragraaf niet van toepassing is bij ambtshalve verminderingen waarop de regels van artikel 45aa van de UR IB 2001 gelden (paragraaf 23, onderdeel 3 van het BFB).
24. Tot slot rest nog de stelling van eiser dat de vijfjaarstermijn opzij kan worden gezet door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er kunnen zich feiten en omstandigheden voordoen die de inspecteur op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur verplichten om van een juiste toepassing van artikel 45aa UR IB 2001 af te wijken en een verzoek om ambtshalve vermindering ook toe te wijzen ingeval de vijfjaarstermijn is verstreken. De rechtbank is van oordeel dat eiser met deze enkele stelling, zonder daar feiten aan ten grondslag te leggen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vijfjaarstermijn opzij moet worden gezet door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of dat verweerder heeft gehandeld in strijd met die beginselen. Deze stelling kan eiser dus niet baten.
Overweging ten overvloede
25. Het oordeel dat het verzoek ambtshalve vermindering vanwege overschrijding van de vijfjaarstermijn terecht is afgewezen betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag. Ter zitting is gebleken dat de onduidelijkheid over het inhoudelijke geschilpunt over box 3 eiser bezig houdt. De rechtbank geeft daarom ten aanzien van het inhoudelijk geschilpunt de volgende overweging ten overvloede.
26. De Hoge Raad heeft voor het jaar 2016 geoordeeld dat met een schending van artikel 1 EP bij het EVRM op stelselniveau een rechtstekort gepaard gaat, waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken en dat de rechter ten opzichte van de wetgever terughoudendheid past bij het voorzien in zo’n rechtstekort op stelselniveau (Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 en Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047 en Hoge Raad 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1481). Voor ingrijpen van de rechter is in beginsel geen plaats, tenzij een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP bij het EVRM wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Van een individuele en buitensporige last is in het geval van eiser geen sprake, zoals ook blijkt uit het compromis. Genoemde arresten van de Hoge Raad geven het op dit moment geldende recht en op grond daarvan heeft eiser geen recht op een herziening van de aanslag. Dat een procedure aanhangig is bij het EHRM over het box 3-stelsel van belastingjaren vóór 2017 doet hier niet aan af; de rechtbank zou daarin geen aanleiding zien om de beslissing aan te houden. Daar komt bij dat verweerder erop heeft gewezen dat de Staatssecretaris van Financiën heeft toegezegd dat belastingplichtigen die onder de massaal bezwaarprocedure vallen een financiële tegemoetkoming krijgen indien de uitspraak van het EHRM daartoe aanleiding geeft. Het compromis, ook uitgelegd in lijn met het Haviltex-criterium, leidt niet tot een ander oordeel. In het compromis is naar het oordeel van de rechtbank niet te lezen dat in weerwil van genoemde arresten van de Hoge Raad eiser wel recht zou hebben op een herziening van de aanslag. Dit alles betekent dat als al sprake zou zijn van een inhoudelijk te beoordelen verzoek ambtshalve vermindering, dat verzoek naar het oordeel van de rechtbank niet voor toewijzing in aanmerking zou komen.
27. Tot slot merkt de rechtbank op dat de belastingjaren 2017 en 2018 buiten de omvang van deze procedure vallen en de rechtbank daarom niet bevoegd is om hierover te oordelen.
Slotsom
28. De rechtbank oordeelt dat het verzoek ambtshalve vermindering terecht is afgewezen en dat het beroep dus ongegrond moet worden verklaard.”
5 Beoordeling van het geschil
In geschil is of het verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2016 van 3 januari 2023 (het verzoek tot ambtshalve vermindering) terecht is afgewezen. Daarbij zal het Hof, op verzoek van partijen, de brief van 30 mei 2023 waarin het verzoek om aanhouding is afgewezen, aanmerken als de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering. Het Hof overweegt, naar aanleiding van hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, als volgt.
2017 en 2018
Anders dan belanghebbende betoogt, heeft de rechtbank in r.o. 27 van haar uitspraak terecht geoordeeld dat de belastingjaren 2017 en 2018 buiten de omvang van deze procedure vallen. In aanvulling op die rechtsoverweging overweegt het Hof als volgt. In zijn verzoek tot ambtshalve vermindering schrijft de gemachtigde van belanghebbende:
‘In verband met bovenstaand verzoek, zend ik u hierbij een kopie toe van de brief van uw collega de heer J [naam 3] d.d. 22 maart 2019. Dit naar aanleiding van een door ondergetekende ingediend bezwaarschrift tegen de aanslag 1B / PV 2016 van mijn client, de heer [X] (…)’.
Uit dit citaat volgt eenduidig en buiten twijfel dat het verzoek tot ambtshalve vermindering betrekking had op de aanslag IB/PVV 2016. De inspecteur heeft verder aangevoerd dat belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017 en 2018 geen bezwaarschriften heeft ingediend; enkel verzoeken tot ambtshalve verminderingen. Niet in geschil is dat op deze verzoeken nog geen beslissing is genomen omdat deze meelopen in de zogenoemde “massaal bezwaar-plus” procedure.
Omdat beroep alleen kan worden ingesteld als er een (voor beroep vatbaar) besluit is genomen door de inspecteur (zie art. 8:1 Awb) en een dergelijk besluit voor de jaren 2017 en 2018 (nog) ontbreekt, zijn die jaren door de rechtbank terecht niet in het geschil betrokken. Dat in het compromis van 19 maart 2019 de jaren 2017 en 2018 worden genoemd leidt niet tot een ander oordeel, omdat een compromis geen besluit is waartegen beroep kan worden ingesteld.
2016
Voor het belastingjaar 2016 had belanghebbende, zoals door de rechtbank is overwogen in r.o. 17 en 20 van haar uitspraak, tot en met 31 december 2021 tijdig een verzoek tot ambtshalve vermindering kunnen indienen. Nu het verzoek is ontvangen op 3 januari 2023, is het verzoek (ruim een jaar) te laat ingediend. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is als bedoeld in art. 6:11 Awb (zie art. 60 AWR).
Belanghebbende betoogt evenwel dat, nu het verzoek tot ambtshalve vermindering door de inspecteur na een inhoudelijke beoordeling is afgewezen, hij erop mocht vertrouwen dat de inspecteur zich niet meer zou beroepen op de termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:451, waarin is geoordeeld over de vraag of het bestuursorgaan na een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar zich voor het eerst in beroep of hoger beroep op het standpunt mag stellen dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is. De Hoge Raad overwoog in genoemd arrest dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zich in beginsel tegen een dergelijk handelen van het bestuursorgaan verzetten.
Het Hof is van oordeel dat het arrest van 20 maart 2026 in deze zaak niet van overeenkomstige toepassing is, omdat een termijnoverschrijding bij de indiening van een verzoek tot ambtshalve vermindering niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid ervan, maar een grond voor afwijzing van het verzoek is.
Met zijn in beroep ingenomen stelling dat het verzoek tot ambtshalve vermindering te laat is ingediend, verruilt de inspecteur slechts de ene afwijzingsgrond voor een andere. Evenals het de belastingplichtige vrijstaat om zijn bezwaar of beroep te doen steunen op argumenten die niet stroken met eerder door hem ingenomen standpunten, heeft de inspecteur in beginsel de vrijheid om de afwijzing van het verzoek in beroep te handhaven op grond van argumenten die afwijken van zijn eerder ingenomen standpunten (vgl. HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD9713, en HR 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786).
Dit beginsel leidt uitzondering in een geval waarin de inspecteur bij de belastingplichtige de indruk heeft kunnen wekken dat een door de inspecteur gevolgde gedragslijn berust op een weloverwogen standpuntbepaling (HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6516). Die uitzondering doet zich in de onderwerpelijke zaak niet voor. Indien een inspecteur twee of meer gronden kan aanvoeren ter onderbouwing van een afwijzing van een verzoek tot ambtshalve vermindering, kan uit zijn keuze voor één daarvan immers niet zonder meer (a-contrario) worden afgeleid dat hij de andere (door hem niet gebezigde) grond definitief heeft willen prijsgegeven; in zoverre is geen sprake van een ‘weloverwogen standpuntbepaling’.
Ook het betoog van belanghebbende dat het compromis en/of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur de inspecteur beletten om een termijnoverschrijding tegen te werpen, faalt. De enige redelijke lezing van het compromis is dat de inspecteur de aan belanghebbende opgelegde aanslag conform de uitkomst van de in punt 4 van het compromis bedoelde massaalbezwaarprocedure (verder) zou verminderen. In het compromis staat niet, laat staan ‘glashelder’, zoals belanghebbende betoogt, dat de inspecteur een verzoek tot het verlenen van ambtshalve teruggaaf in verband met box 3, niet mag afwijzen op grond van een termijnoverschrijding. Met de enkele verwijzing naar “alle voorafgaande correspondentie” is evenmin een omstandigheid gesteld die een dergelijke verwachting omtrent het compromis kan rechtvaardigen. Tot slot onderschrijft het Hof de rechtsoverwegingen 21, 23 en 24 van de rechtbank.
Het vorenstaande houdt in dat het de inspecteur vrijstond om in beroep het verweer te voeren dat het verzoek tot ambtshalve vermindering buiten de daarvoor gestelde termijn is ingediend. Dat verweer slaagt (zie rechtsoverweging 5.4). Het verzoek tot ambtshalve vermindering is reeds daarom terecht afgewezen door de inspecteur.
Bij die uitkomst komt het Hof niet toe aan een beoordeling van de aanvankelijk door de inspecteur gebezigde afwijzingsgrond. Het Hof ziet echter, evenals de rechtbank, aanleiding zich daarover ten overvloede uit te laten, in de zin dat het zich verenigt met hetgeen door de rechtbank is overwogen in r.o. 26 van haar uitspraak.
Ook hetgeen overigens door belanghebbende is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Slotsom
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6 Kosten
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
7 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
-
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: