Belastingrecht
Art. 16, onderdeel c, art. 17 Wet WOZ.
Gerechtshof Amsterdam, 30 juni 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2135 · Gerechtshof Amsterdam · 30 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2135
Zaakgegevens
Op 30 juni 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 juni 2026
- Datum publicatie
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/979
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2135
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 16, onderdeel c, art. 17 Wet WOZ.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/979
30 juni 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: J.H. Maas)
tegen de uitspraak van 11 maart 2025 in de zaak met kenmerk HAA 23/7233 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Enkhuizen, de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning) op de waardepeildatum 1 januari 2022 voor het jaar 2023 (hierna ook: de WOZ-waarde) vastgesteld op € 630.000.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het gaat om een vrijstaande woning uit 2005 met een woonoppervlakte van 194 m2, gelegen op een perceel van 420 m2. De woning is voorzien van een aangebouwde garage, een vrijstaande berging en een overkapping/luifel.
De meerderjarige, zorgbehoevende dochter van belanghebbende bewoont een door haar gehuurd deel van de woning groot 80 m2, waarin voor haar voorzieningen zijn aangebracht (hierna ook: woondeel van de dochter). Dit deel heeft een eigen voordeur en heeft toegang tot andere delen van de woning via een deuropening waarin geen deur maar een elektrisch rolluik is aangebracht. Met de stekker in het stopcontact kan het rolluik aan beide kanten worden geopend en gesloten door middel van een afstandsbediening. Het rolluik is niet te openen als – na sluiting van het rolluik – de stekker uit het stopcontact is gehaald.
3.Geschil in hoger beroep
In geschil is of het opnieuw ter discussie stellen van de objectafbakening in strijd is met de goede procesorde. Wordt die vraag ontkennend beantwoord dan is in geschil of het woondeel van de dochter moet worden aangemerkt als een afzonderlijk WOZ-object.
In het bijzonder ligt ter toetsing voor de afsluitbaarheid in de zin van artikel 16, onderdeel c, van de Wet WOZ van het woondeel van de dochter van belanghebbende en daarmee de functie van het rolluik.
Verder is in geschil of de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
4 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen (waarbij belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“Stukken 13 februari 2025
5. De gemachtigde van eiser heeft op 13 februari 2025 om 14:00 uur nadere stukken geüpload via de digitale portal. Tijdens de zitting heeft de rechtbank uitsluitend toestemming verleend tot het uploaden van de foto’s die reeds tussen de partijen zijn gewisseld. Uit het bijgevoegde mailverkeer met eiser blijkt dat dit nieuwe foto’s zijn, die door eiser zelf op 13 februari 2025 om 13:00 uur naar gemachtigde zijn gemaild. Nu niet valt in te zien dat deze stukken niet eerder in het geding gebracht hadden kunnen worden en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geven deze stukken de rechtbank geen aanleiding tot heropening van het onderzoek. Dit betekent dat het onderzoek niet wordt heropend en de nadere stukken bij de beoordeling buiten beschouwing zullen blijven.
Objectafbakening
6. Partijen zijn het erover eens dat voor het onderhavige belastingjaar de woning die eiser als zogenoemde kangoeroewoning heeft omschreven als één WOZ-object moet worden opgemerkt. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat sprake is van twee afzonderlijke WOZ-objecten nu er sprake is van twee zelfstandige woningen die beschikken over essentiële voorzieningen en bewoond worden door verschillende gebruikers, zal de rechtbank partijen volgen in hun eensluidend standpunt. Immers niet is aangetoond dat de twee zelfstandige woningen zijn afgebakend en voldoen aan het vereiste van afsluitbaarheid zoals bedoeld in artikel 16, onder c, van de Wet WOZ (“een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt”).
De waarde van het object
7. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.
8. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie
waardebepaling Wet waardering onroerende zaken wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, voor woningen bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.
9. De rechtbank stelt vast dat verweerder de waarde van de woning heeft onderbouwd aan de hand van de vergelijkingsmethode. [adres 2] is qua type woning (geschakelde woning) en grote afwijking in (perceel-)grootte minder goed vergelijkbaar. Omdat de verkoopdatum van het object tevens te ver van de waardepeildatum is verwijderd, zal de rechtbank dit object bij de beoordeling buiten beschouwing laten. De rechtbank acht de overige twee vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Daartoe overweegt zij dat het allebei in Enkhuizen gelegen vrijstaande woningen zijn uit dezelfde bouwperiode (bouwjaar 1996 en 1998) en waarvan de perceelgroottes niet al te zeer afwijken van die van de woning. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dus worden gebruikt ter onderbouwing van de waarde van de woning. Dat er verschillen zijn tussen de woning en de vergelijkingsobjecten maakt dit niet anders. Het gaat er om dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met die verschillen. De rechtbank merkt hierbij op dat onderhavige woning het meest recente bouwjaar heeft in vergelijking met de vergelijkingsobjecten.
10. Verweerder heeft voldoende rekening gehouden met de verschillen. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder met het verweerschrift en de daarbij overgelegde matrix een afdoende toelichting heeft gegeven op de vastgestelde waarde aan de hand van de voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde vierkante meterprijzen. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen in grootte van de opstal en van het perceel, ligging, kwaliteit, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningenniveau en de staat van onderhoud alsmede met de aanwezigheid van bijgebouwen. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de gedateerde voorzieningen van de woning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kenbaar rekening gehouden met het voorzieningenniveau, omdat hij dit als matig (factor ‘2’) heeft gekwalificeerd. Eiser heeft, met de eerder overgelegde foto’s, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat het voorzieningenniveau van de woning zodanig slecht is dat verweerder hiervoor meer had moeten corrigeren.
11. Eiser heeft gesteld dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat de woning uit twee zelfstandige woningen bestaat, een zogeheten kangoeroewoning, en dat een potentiële koper het gehele object dient te verbouwen om weer een “normale” woning te kunnen realiseren. Om deze reden dient de doelmatigheid van de woning ten minste als matig, en wellicht zelfs als slecht te worden gewaardeerd, aldus eiser. De rechtbank overweegt hiertoe dat tijdens de inpandige opname op 30 mei 2024 door verweerder is geconstateerd dat geen sprake is van twee van elkaar af te sluiten, afzonderlijke wooneenheden. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de foto’s die gemachtigde enkele dagen voor de zitting heeft toegestuurd, hem niet hebben geleid tot een andere constatering. De woning is daarom aangemerkt als één zelfstandige woning, waarbij extra voorzieningen – waaronder een tweede badkamer – zijn aangebracht. De rechtbank overweegt dat verweerder desondanks de doelmatigheid van de woning met een ‘2’ (ondergemiddeld) heeft beoordeeld. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in meer dan voldoende mate rekening gehouden met de doelmatigheid van de woning. Dit vertaalt zich ook in de vierkante meterprijs van de woning, aangezien de gecorrigeerde prijs per vierkante meter (€ 2.395) lager is dan de gemiddelde gecorrigeerde eenheidsprijs van de twee vergelijkingsobjecten (€ 2.466).
12. Eiser heeft nog gewezen op het feit dat de dochter haar deel van de woning huurt en daarvoor huurtoeslag ontvangt. De rechtbank is van oordeel dat dit gegeven niet het juiste toetsingskader vormt. Dat is namelijk neergelegd in artikel 16 van de Wet WOZ. Ook het gegeven dat bij verkoop van de woning als geheel het deel van de woning dat de dochter bewoont niet vrij kan worden opgeleverd omdat de dochter een huurrecht heeft (koop breekt geen huur) doet daaraan niet af. De rechtbank acht aannemelijk dat ingeval de koper de gehele woning nodig heeft gelet op zijn gezinssituatie, ontruiming in of buiten rechte kan worden gevorderd met inachtneming van een redelijke opzegtermijn en een financiële tegemoetkoming in het kader van huurgewenning.
13. Voorts overweegt de rechtbank dat in het huidige tijdsgewricht waarin kinderen voor hun bejaarde ouders, meer dan voorheen, hun zorgplicht invullen mede bij gebreke aan bejaardenhuizen zoals deze tot voor een aantal jaren geleden bestonden, een kangoeroewoning een courant object is waarvoor een koopkrachtige vraag in de woningmarkt bestaat. Ook voor de situatie zoals die hier aan de orde is, namelijk de situatie waarin ouders hun zorgplicht invullen voor een meerderjarige dochter die mindervalide is en die enerzijds zoveel als mogelijk zelfstandig wil wonen en anderzijds een wakend oog nodig heeft, kan een woning als de onderhavige dienen.
14. Dat, zoals eiser heeft gesteld, een potentiële koper gedwongen is de woning te verbouwen voor zelfbewoning, stuit af op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen.
Slotsom
15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de beschikte waarde aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank ziet in de stukken van het geding geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Het beroep is ongegrond en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
5 Beoordeling van het geschil
Het Hof is van oordeel dat met hetgeen belanghebbende daarover heeft aangevoerd, de objectafbakening ook in hoger beroep nog dient te worden gerekend tot het tussen partijen bestaande geschil. Het Hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende zijn standpunt in dezen ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Overigens heeft de heffingsambtenaar blijkens de inhoud van zijn verweer rekening gehouden met de mogelijkheid van dit oordeel.
Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is dat de twee woondelen zijn afgebakend en voldoen aan het vereiste van afsluitbaarheid zoals bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet WOZ (“een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt”). Uit de feitelijke situatie zoals beschreven onder 2.2. en met inachtneming van hetgeen partijen hierover hebben aangevoerd (waaronder de door belanghebbende overgelegde foto’s) volgt dat bij een normaal gebruik en functioneren van het rolluik – hetgeen naar het oordeel van het Hof alleen het geval is als het rolluik is voorzien van elektriciteit – geen sprake is van een afsluiten van het woondeel van de dochter. Belanghebbende en de dochter kunnen, zolang de stekker van het rolluik in het stopcontact zit, immers vanaf beide zijden deze openen met een afstandsbediening. Hiermee is niet voldaan aan de eis van afsluitbaarheid zoals die volgt uit de voornoemde bepaling.
Uit het voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar terecht één WOZ-beschikking heeft opgelegd voor de onderhavige woning inclusief het woondeel van de dochter. Het hoger beroep faalt derhalve in zoverre. Hetgeen belanghebbende voor het overige in dit kader nog heeft aangevoerd, doet hier niet aan af.
Het Hof is voorts van oordeel dat de heffingsambtenaar met de door hem in eerste aanleg overgelegde gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Het Hof neemt de rechtsoverwegingen 10 tot en met 14 van de uitspraak van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd die een nieuw en of ander licht hierop werpen. Ook met de door hem in hoger beroep overgelegde aanvullende gegevens heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
Tot slot kan de beslissing van de rechtbank om niet tot een heropenen over te gaan, zo deze al op onjuiste gronden is genomen, het vorenstaande (m.n. ro. 5.2) niet anders maken.
6 Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten.
7 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, H.E. Kostense en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
-
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.