Civiel recht overig
Kortgeding -verbod uitlatingen jegens zakenrelatie.
Gerechtshof Amsterdam, 15 september 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2550 · Gerechtshof Amsterdam · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2550
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 8 september 2026
- Zaaknummer
- 200.356.816
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. W.K Cheng te Amsterdam, mr. C.A. Fokker te Hilversum
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2550
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kortgeding -verbod uitlatingen jegens zakenrelatie.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.356.816/01 KG
zaaknummer /KG-nummer rechtbank Amsterdam : C/13/767235/ KG ZA 25-244
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 september 2026
in de zaak van
1 [appellant 1] ,
gevestigd te Amsterdam,
2. AMSTERDAM LOCALS HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. [appellant 2],
wonend te [plaats 1] ,
appellanten in principaal appel,
geïntimeerden in incidenteel appel,
advocaat: mr. W.K. Cheng te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
advocaat: mr. C.A. Fokker te Hilversum.
Partijen worden hierna [appellant 1] , ALH en [appellant 2] , tezamen [appellanten] , respectievelijk [geïntimeerde] genoemd.
1 De zaak in het kort
Na conflicten in een inmiddels beëindigde zakelijke samenwerking heeft een voormalige opdrachtgever diverse berichten gezonden aan betrokkenen bij haar opdrachtnemer/zakelijke partner. Deze laatste vindt die berichten schadelijk voor haar reputatie en onrechtmatig en heeft daarom bij de voorzieningenrechter gevorderd verdere negatieve uitlatingen te verbieden. De voorzieningenrechter heeft die vordering ten dele toegewezen. Het hof bekrachtigt dat vonnis bijna geheel.
2 Het geding in hoger beroep
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 28 mei 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2025, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellanten] als gedaagden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties 1 tot en met 4;
- memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties 22 tot en met 25;
- memorie van antwoord in incidenteel appel.
Op 16 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.12 de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of onvoldoende zijn betwist, komen de feiten neer op het volgende.
Op 19 juni 2023 heeft [geïntimeerde] een overeenkomst (SaaS Agreement) gesloten met [appellant 1] ,
voor de duur van 36 maanden. [geïntimeerde] zou voor [appellant 1] een NFT-handelsplatform ontwikkelen en ondersteunen. [appellant 1] zou daarvoor € 2.850,00 per maand aan [geïntimeerde] betalen. Volgens de overeenkomst staat “NFT” voor non-fungible token, met als toelichting: a digital asset that represents real-world objects like art, music, in-game items and videos. They are bought and sold online, frequently with cryptocurrency.
In een e-mail van 14 juli 2024 van [appellant 1] aan [naam 1] (CEO van [geïntimeerde] ) staat
onder meer het volgende.
“(…) Dit is mijn laatste poging om onze samenwerking te initiëren / voort te
zetten. Anders wil ik op een goede manier uit elkaar gaan met betrekking tot
[appellant 1] en [geïntimeerde] , zolang er in redelijkheid en billijkheid gehandeld wordt.
Optie 1: - Samenwerking voortzetten [appellant 1] <> [geïntimeerde] (…)
Optie 2: - Samenwerking [appellant 1] <> [geïntimeerde] stopzetten (…)
Als we er niet uitkomen wordt het optie 3. Sinds vorig jaar houd ik al onze communicatie bij en begin dit jaar ben ik een dossier gestart.
(…)”.
In een e-mail van 25 juli 2024 heeft [appellant 1] aan [naam 1] en [naam 2] (CFO van [geïntimeerde] ) onder meer het volgende bericht:
“(…)
Zoals net besproken via de telefoon. Het contract wil ik laten ontbinden en de samenwerking definitief stopzetten, optie 1 is van tafel.
Optie 2; Samenwerking [appellant 1] <> [geïntimeerde] stopzetten:
0. Commissie Arash betalen
1. [appellant 1] <> [geïntimeerde] -> contract ontbinden
2. 30% terugbetalen van aanbetaling €10.000 (heb dit verlaagd met 20%)
Optie 3: Clusterfuck
0. In gebreke stellen
1. Geld terug vorderen
2. Schadeclaim
4. Relevante personen en partijen informeren mbt onethische business voering; investeren onder valse voorwendselen, nevenactiviteiten, gebruik van resources voor andere doeleinden, etc
Ik hoor graag morgen voor 12:00 jullie antwoord.
(…)”
In een e-mail van 26 juli 2024 van [appellant 1] aan [naam 1] en [naam 2] heeft [appellant 1] onder meer het volgende geschreven:
“(…)
Ik heb intern overlegd met mijn advocaat, optie 2 is van tafel na de agressieve bejegening van [naam 3] [ [naam 2] , opm hof] via de telefoon gisteren (en vele andere opmerkingen) en WEER geen reactie.
Kleine opsomming:
- Misbruik van resources en nevenactiviteiten van [naam 3]
- Schade en sabotage van [appellant 1] , en andere klanten
- Niet nagekomen afspraken, valse beloftes, opzettelijk onjuiste informatie geven aan klanten en investeerders en afgebroken onderhandelingen mbt dienstverband
Graag wil ik jullie erop wijzen dat ik geen NDA heb ondertekend. Het staat mij vrij om informatie over de voornoemde onrechtmatige praktijken te delen met derden.
(…)”.
In een reactie op de onder 3.4 genoemde e-mail heeft [naam 2] op 26 juli 2024 geschreven:
“(…)
Daarnaast heb je geen enkel bewijs geleverd voor de door jou genoemde schade en sabotage. Wij hebben nooit opzettelijk onjuiste informatie verstrekt. Het stuk over de afgelopen onderhandelingen begrijpen wij sowieso niet.
Gisteren heb je mij gebeld met de mededeling dat als wij nakoming van onze overeenkomst zouden eisen, jij ons bedrijf kapot zou willen maken met deze ongegronde beschuldigingen. Ik zei tegen je, dat we de factuur gewoon aan de rechter kunnen voorleggen en hij bepaalt of je je overeenkomst moet nakomen of niet. Waarom zou je er andere partijen bij halen en onze naam opzettelijk en onnodig schade willen doen toekomen (smaad en laster), alleen omdat we nakoming van een overeenkomst eisen? Dit komt neer op chantage/afpersing en is een strafbaar feit. Onze advocaat zal hierover zo spoedig mogelijk contact met je opnemen.
(…)”
Tussen de advocaten van partijen is gecorrespondeerd. Op 17 december 2024 heeft de advocaat van [appellanten] een e-mail aan de advocaat van [geïntimeerde] gezonden. De e-mail eindigt als volgt:
“(…)
Indien [geïntimeerde] nalaat tijdig en inhoudelijk te reageren, behouden wij ons het recht voor om [geïntimeerde] in rechte te betrekken zonder nadere berichtgeving voor
volledige vergoeding van de geleden schade. Cliënten zullen dan eveneens aanvangen met het benaderen van de stakeholders en andere derden ten behoeve van de procedure. (…)”
In een e-mail met bijlage van 1 april 2025 heeft [appellant 2] namens [appellant 1] aan alle aandeelhouders van [geïntimeerde] het volgende bericht gestuurd.
“(…) Please find attached a confidential document in which we - [appellant 1] , myself,
and other involved parties - outline the situation that has developed with [geïntimeerde]
Labs. Our goal is to provide transparency, eliminate misunderstandings, and
work together towards a suitable resolution.
We kindly request a response within 7 days with a proposal for compensation and the initiation of an independent investigation by the board / shareholders. Should no response be received within this timeframe, we - together with other affected parties - will be forced to take legal action.
We are of course open to further dialogue, clarification, or suggestions. The contents of this communication are strictly confidential.
(…)”
In de bijlage staat onder meer het volgende.
“(…)
Schadeposten voor [appellant 1] :
1. Gederfde omzet en gemiste zakelijke kansen
(…)
2. 2. Directe extra kosten
(…)
3. Vermindering van bedrijfswaarde
(…)
4. Persoonlijke schade
(…)
Aangetoonde tekortkomingen van [geïntimeerde] :
1. 1. Niet leveren van een werkend product binnen de afgesproken termijn
Meerdere project deadlines zijn niet gehaald, waaronder belangrijke afspraken; onderling mbt commissie, live gaan van [appellant 1] en met betrekking tot het Intercell-project.
2. 2. Tekortschietende technische ondersteuning
De noodzakelijke technische support is niet geleverd, wat geleid heeft tot operationele problemen en vertragingen.
3. 3. Niet voldoen aan overeengekomen kwaliteitsnormen
De afgesproken kwaliteitsstandaarden zijn niet behaald, met negatieve gevolgen voor klanttevredenheid en projectresultaten.
4. Niet-nagekomen toezeggingen
[geïntimeerde] heeft toegezegd dat ik zou toetreden als Chief Token Officer en verstrekte daartoe ook een [geïntimeerde] e-mailadres ( [MAIL] ). Ondanks mijn strategische inzet en gemaakte kosten (waaronder een zakenreis naar Zuid-Afrika) is geen compensatie of verdere opvolging gerealiseerd.
5. 5. Eenzijdige wijzigingen in gemaakte afspraken
Mondeling overeengekomen afspraken zijn gewijzigd of genegeerd door
[naam 3] , waaronder:
o De startdatum van betalingen vanaf juni 2023, de geplande lancering van
het [appellant 1] -project in Q1 2024
o Een werkend product afgeleverd en geïntegreerd met [appellant 1] (alleen een
demo video)
o De implementatie van onderdelen zoals het launchpad
o Afspraken rondom commissiebetalingen voor de investering van €100.000
in [geïntimeerde] van een relatie van mij [naam 4] .
o Onderstaand volgt een overzicht van de belangrijkste punten, tekortkomingen en de
schade die daarbij is ontstaan:
Samenwerking met [naam 5] (Retail Brands):
Tijdens de samenwerking met [geïntimeerde] en [naam 5] hebben ik en andere
teamleden [geïntimeerde] meerdere keren ingelicht en gewaarschuwd over de
onrealistische deadlines en beloften die aan hen zijn gedaan. (…)
[naam 4] -situatie:
Een concreet voorbeeld van een samenwerking die problematisch verliep, is
de samenwerking
tussen [geïntimeerde] en [naam 4] in de periode Q1 2024:
o [geïntimeerde] ontving tussen de 250.000 en 350.000 $AX-tokens van [naam 4] als
betaling voor diensten, mede dankzij mijn strategisch advies.
o De liquiditeit van $AX-tokens is zeer beperkt; kleine verkooporders van
enkele honderden tot duizenden dollars veroorzaken aanzienlijke koersdalingen
op MEXC exchange
(volgen 2 voorbeelden met visuele weergave, opm hof)
o [naam 3] was hiervan herhaaldelijk op de hoogte gebracht door mij en het
[naam 4] -team (CEO [NAMEN] ) tussen november 2023 en Q2 2024 mbt
liquiditeit waarde) van $AX token.
o Desondanks verkocht [naam 3] in december 2023 en januari 2024 voor
duizenden euro’s aan $AX-tokens, wat:
- de koers liet instorten;
- aanzienlijke schade veroorzaakte voor [naam 4] ;
- leidde tot extra kosten voor liquiditeitsbeheer en market making
(…)
Verzwijging van informatie, nevenactiviteiten en grensoverschrijdend gedrag
Wij hebben op basis van meerdere mondelinge verklaringen en
directe waarnemingen geconstateerd dat belangrijke informatie structureel niet
of onvolledig is gedeeld met aandeelhouders. Dit betreft onder andere het
ontbreken van transparantie over nevenactiviteiten en financiële afspraken
die afweken van eerder gemaakte of verwachte toezeggingen.
Daarnaast hebben verschillende (ex-)teamleden tijdens gesprekken aangegeven dat
zij van [naam 3] aanwijzingen kregen om klanten niet volledig te informeren over
de status van producten, technische beperkingen of planning.
Ook zijn er tijdens interne overleggen zorgen geuit over voorstellen van [naam 3]
om financiële afspraken buiten [geïntimeerde] om op te zetten, waaronder
alternatieve betaalstructuren en beloningsconstructies zonder duidelijke
interne vastlegging. [naam 3] heeft daarbij meermaals tegenover mij (en
anderen) uitgesproken ontevreden te zijn over zijn salaris. Zowel hij als
Wouter hebben bevestigd dat zij contractueel gebonden zijn aan een clausule
die nevenactiviteiten zonder voorafgaande toestemming uitsluit. In combinatie
met de genoemde voorstellen wekte dit de indruk dat [naam 3] actief zocht
naar constructies buiten het formele kader van [geïntimeerde] . Deze zorgen zijn
bevestigd door meerdere andere betrokkenen binnen het team, die
verklaarden aanwezig te zijn geweest bij gesprekken over mogelijke
financiële initiatieven buiten [geïntimeerde] om. Zij hebben aangegeven hierover te
kunnen getuigen indien daartoe aanleiding is.
Verder hebben meerdere (ex-)medewerkers melding gemaakt
van grensoverschrijdend gedrag door [naam 3] , waaronder pesterijen
en discriminerende of racistische opmerkingen op de werkvloer. Hoewel
deze verklaringen mondeling zijn gedaan, hebben meerdere personen
aangegeven bereid te zijn hierover in een juridische procedure te getuigen
- ook in het geval van bestaande geheimhoudingsverklaringen.
Wij benadrukken dat dit soort meldingen niet op zichzelf staan, maar passen
binnen een bredere, structurele problematiek van gebrek aan
transparantie, bestuurlijke willekeur, onprofessioneel handelen en het niet
naleven van interne afspraken. De ernst van deze signalen onderstreept de
noodzaak tot onafhankelijk onderzoek en het nemen van verantwoordelijkheid.
(…)
Meer gedupeerden
(…) Hun verklaringen bevestigen het bestaan van een structureel patroon
bij [geïntimeerde] , bestaande uit (…) het herhaaldelijk optreden van grensoverschrijdend
gedrag. (…).
Verzoek tot oplossing:
Geachte aandeelhouders en leden van het bestuur,
Wij verzoeken [geïntimeerde] om binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief
een voorstel te doen ter compensatie van de geleden schade en het opstarten van
een onafhankelijk onderzoek. Indien er geen inhoudelijke reactie binnen
deze termijn volgt, zien wij ons – samen met andere betrokken partijen –
genoodzaakt juridische stappen te ondernemen.
Ons doel blijft om tot een oplossing te komen die recht doet aan alle
betrokken partijen, zonder verdere escalatie. Wij staan open voor overleg,
suggesties en verdere toelichting. Wij hebben er tot dusver bewust voor gekozen
om deze kwestie intern en discreet te behandelen, zonder publiciteit of
externe betrokkenheid.
Mocht dit echter escaleren tot een juridische procedure, dan achten wij
het aannemelijk dat de inhoud en ernst van de situatie ook buiten de rechtszaal
de nodige aandacht zal trekken, inclusief media-aandacht. Dat is geenszins ons
doel, maar het is wel een realistisch gevolg wanneer er geen oplossing wordt bereikt.
(…)”.
In een e-mail van 1 april 2025 aan haar aandeelhouders heeft [geïntimeerde] ( [naam 2] )
als volgt gereageerd op de door [appellant 1] verzonden e-mail geciteerd onder 3.7:
“(…)
Hereby we respond to an email that one of our clients, called [naam 6] [appellant 2] , from [appellant 1] Solutions has sent to you guys. We would like to give a comprehensive overview of what actually happened and why the allegations in the letter are unfounded and baseless.
First of all, [appellant 1] signed an agreement with us for 36 months, starting in August 2023 (see attached Agreement). Under this agreement, we delivered a SaaS NFT marketplace as stipulated in the agreement (please find attached the video of the product). [appellant 1] never complained about the quality of the product. On the contrary, they even showed it in their Telegram group and said how beautiful it was. Once delivered, they stopped paying for their agreement though.
As a result, we tried to come to an agreement for payments. [appellant 1] claimed they didn’t have the money anymore (even though they said they had hundreds of thousands months earlier). So we sent the invoice to a collections agency (incasso) for collections.
Days later, [naam 6] sent us an email with blackmail that he would ‘clusterfuck’ the company and send messages to shareholders and other parties to negatively talk about Wouter, I and [geïntimeerde] . The only way we would be able to ‘avoid’ this would be by rescinding the invoice.
(…)”
Vervolgens heeft [naam 2] in de e-mail meer gedetailleerd gereageerd op de verwijten in de mail van 1 april 2025, die hij stellig ontkent, onder meer als volgt:
“ (…)
2. Failures and Shortcomings by [geïntimeerde]
(…) Absolutely wrong, we were ready to launch (product was and still is
ready and working), but he was the one that kept asking for postponement
(…)
We categorically reject the notion that we ever offered [naam 6] a position at [geïntimeerde] . On the contrary, he repeatedly requested to be employed by us, specifically lobbying for the role of Chief Marketing Officer (…) He did request an @ [geïntimeerde] email address, which we provided only to allow him to introduce potential clients on a referral basis
(…)
4. [naam 4] Token Management Case
Price Collapses from Token Sales
(…). This is not true, we were given tokens with a minimum price guarantee of $0.25 or market price, whichever is higher. We were allowed to sell some tokens on the market, which we did (we are not responsible for price drops). [naam 4] is still a happy client of ours and we have no issues with them. (...)”
[appellanten] hebben op of omstreeks 16 april 2025 een melding bij het Huis voor
de Klokkenluiders gedaan in verband met de gestelde misstanden bij [geïntimeerde] .
[appellant 2] heeft voorts aangifte bij de politie gedaan van onder meer afpersing.
Op 17 april 2025 en 1 mei 2025 (een dag voor de uitspraak in kort geding) hebben
[appellanten] nog twee e-mails aan aandeelhouders van (en investeerders in) [geïntimeerde]
gezonden. Daarin worden de verwijten kort samengevat en wordt onder meer melding
gemaakt van aangiftes.
3.11. [appellanten] zijn geen bodemprocedure begonnen en hebben ook geen
voorlopig getuigenverhoor verzocht.
4 Procedure bij de voorzieningenrechter
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] hoofdelijk te verbieden zich in het openbaar op enigerlei wijze negatief, in de ruimste zin van het woord, uit te laten over [geïntimeerde] , haar bestuurders, aandeelhouders en/of medewerkers, op straffe van primair een dwangsom van € 50.000,- en subsidiair lijfsdwang van [appellant 2] , met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
[appellanten] hebben gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis voor zover van belang beslist:
verbiedt [appellant 2] c.s. om in het openbaar uitlatingen te doen over grensoverschrijdend gedrag door [geïntimeerde] , haar bestuurders, aandeelhouders en/of medewerkers;
veroordeelt [appellant 2] c.s. hoofdelijk om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere keer dat zij handelen in strijd met het in 5.1 uitgesproken verbod, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt,
met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, afwijzing van het meer of anders gevorderde en uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
5 Vorderingen in hoger beroep
[appellanten] vorderen in principaal appel vernietiging van het bestreden vonnis en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.
[geïntimeerde] concludeert tot afwijzing, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
[geïntimeerde] vordert in incidenteel appel, samengevat, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair:
[appellanten] hoofdelijk te verbieden om zich in het openbaar op enigerlei wijze
negatief, in de ruimste zin van het woord, uit te laten over [geïntimeerde] en/of al dan niet met artificial intelligence bewerkte berichten op/in (sociale) media te (doen) plaatsen,
althans te (doen) openbaren met betrekking tot [geïntimeerde] , haar bestuurders,
aandeelhouders en/of medewerkers, op straffe van een dwangsom dan wel
lijfsdwang van [appellant 2] .
Subsidiair/voorwaardelijk:
[appellanten] hoofdelijk te verbieden om in het openbaar uitlatingen te doen, en/of al
dan niet met artificial intelligence bewerkte berichten op/in (sociale) media te (doen) openbaren met betrekking tot:
- het wijzigen en/of negeren van (mondeling overeengekomen) afspraken door de
bestuurders van [geïntimeerde] en het laten instorten van koersen door verkoop van
bepaalde tokens met schade als gevolg,
- het misleiden van stakeholders door de bestuurder van [geïntimeerde] door bewust en
herhaaldelijk onrealistische waarden te presenteren,
- het (structureel) verzwijgen van informatie door de bestuurders van [geïntimeerde] ,
- het zich schuldig maken aan grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer door de
bestuurders van [geïntimeerde] (waaronder pesterijen en het maken van discriminerende of
racistische opmerkingen)
op straffe van een dwangsom dan wel lijfsdwang van [appellant 2] en met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
[appellanten] concluderen tot verwerping van het incidenteel appel, de daarin vervatte voorwaardelijke wijziging van eis buiten beschouwing te laten, en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het incidenteel appel met nakosten en rente.
6 Beoordeling
Spoedeisend belang/geschiktheid voor kort geding/eiswijziging
[geïntimeerde] heeft aan haar vorderingen – samengevat en voor zover van belang – ten grondslag gelegd dat [appellanten] onrechtmatig handelen door ongefundeerde en lasterlijke uitlatingen te doen, uitsluitend om betaling van een schadevergoeding af te dwingen. Zij hebben e-mails aan de aandeelhouders van en aan investeerders in [geïntimeerde] gestuurd en dreigen hun uitlatingen ook in bredere kring te zullen doen, onder meer tegenover de media. Weliswaar is er sinds het vonnis radiostilte, maar het conflict is nog niet opgelost en te vrezen valt dat [appellanten] hun lastercampagne zullen voortzetten. Daaruit volgt volgens haar het spoedeisend belang.
[appellanten] betwisten dat sprake is van een spoedeisend belang bij die vorderingen, zowel in eerste als in tweede aanleg, omdat de gewraakte uitingen dateren van 2024-2025 en uit de gang van zaken blijkt dat andere oplossingen dan een rechterlijk verbod - correspondentie, nadere uitleg - voorhanden waren en zijn.
Het bovengenoemde argument van [appellanten] gaat niet op. Vast staat dat [appellanten] in het voorjaar van 2025, nadat partijen al, ook via hun advocaten, uitvoerig hadden gecorrespondeerd, tot drie maal toe uitvoerige berichten hebben gestuurd aan aandeelhouders en investeerders van respectievelijk in [appellanten] Met name de e-mail van 1 april 2025 vormt de basis van de huidige procedure, maar er is nog een bericht gestuurd op 16 april 2025 (en nog een na de zitting in eerste aanleg, een dag voor het vonnis). Er was dus op dat moment, in eerste aanleg, sprake van herhaald, zeer recent, gesteld onrechtmatig gedrag en er bestond daarmee een spoedeisend belang bij een vordering tot staken dan wel gestaakt houden daarvan. Dat spoedeisend belang is nog steeds aanwezig. Hoewel er volgens beide partijen na het vonnis in eerste aanleg geen sprake is geweest van nieuwe uitingen is nog steeds sprake van een dreiging daarvan. [geïntimeerde] heeft, onweersproken, gesteld dat de uitingen zijn uitgebleven vanwege het vonnis en uit de opstelling in deze procedure, waaronder de verklaringen van [appellant 2] ter zitting, blijkt dat [appellanten] nog onverminderd vinden dat zij de in hun visie bij [geïntimeerde] bestaande misstanden aan de kaak moeten kunnen blijven stellen, en dat zij dat ook willen. Het vereiste spoedeisend belang was en is dus aanwezig.
Anders dan [appellanten] aanvoeren leent de zaak zich voor beoordeling in kort geding. Van ongeschiktheid in dat opzicht is pas sprake als de rechter de (feitelijke) situatie en de gevolgen van zijn beslissingen onvoldoende kan overzien; dat is hier niet het geval. Dat de feiten niet (geheel) vast staan en dat nadere bewijslevering (in engere zin) niet mogelijk is, is eigen aan kort geding procedures. Grief 1 faalt dus.
Grief 2, die ziet op de volgens [appellanten] door de voorzieningenrechter ten onrechte aangenomen eiswijziging, faalt evenzeer. Voor toewijzing van het mindere dat in het meerdere besloten ligt is geen wijziging van eis noodzakelijk, zodat de op dat vlak geldende procedurele eisen toepassing missen. De voorzieningenrechter kon dus een gedeelte van het gevorderde toewijzen zonder dat daarvoor een eiswijziging nodig was.
De voorwaardelijke eiswijziging in appel, waartegen [appellanten] bezwaar maken, is toelaatbaar omdat deze niet in strijd is met de goede procesorde. Anders dan [appellanten] kennelijk tot de zitting aannamen beoordeelt het hof in dit appel de toewijsbaarheid van het gevorderde uitingsverbod naar de huidige situatie. Nieuwe feiten kunnen in het debat betrokken worden en zijn dat ook, in het schriftelijk debat en ter zitting. De voorwaarde waaronder grief 2 in incidenteel appel is ingesteld begrijpt het hof, gelet op de toelichting ter zitting, als een verduidelijking van de uitingen die [geïntimeerde] in elk geval verboden wenst te zien.
Uitingsverbod?
[appellanten] hebben in totaal 5 grieven geformuleerd. Grieven 1 en 2 zijn hiervoor reeds behandeld. Grieven 3 en 4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Daarbij zullen ook de twee grieven in het incidenteel appel worden betrokken, nu al deze grieven, vanuit verschillende invalshoeken, zien op de vraag of er voldoende reden is voor het aan [appellanten] opleggen van een verbod tot het doen van bepaalde uitingen en zo ja, hoever zo’n verbod dan moet strekken.
Het (grondrechtelijk) kader waarin deze vraag moet worden getoetst komt er kort gezegd op neer, zoals de voorzieningenrechter in rov. 4.3 van het vonnis terecht heeft overwogen, dat de (in beginsel gelijkwaardige) belangen die wederzijds bij de uitingen betrokken zijn tegen elkaar dienen te worden afgewogen. Dit zijn van de zijde van [appellanten] met name het belang om zich in het openbaar kritisch en waarschuwend te kunnen uitlaten (gewaarborgd in artikel 10 EVRM) en van de zijde van [geïntimeerde] met name het belang dat haar reputatie niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en dat haar eer en goede naam niet worden geschonden (gewaarborgd in artikel 8 EVRM). Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval te worden betrokken.
De enkele omstandigheid dat een uiting door degene op wie die betrekking heeft wordt ervaren als beledigend of schadelijk is niet beslissend. Voor de toelaatbaarheid van zulke uitingen is van groot belang in hoeverre die steun vinden in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal. Daarbij geldt voorts dat de gekozen bewoordingen niet nodeloos grievend mogen zijn en kan meewegen dat sommige uitingen naar hun aard bijzonder schadelijk zijn. Daarop wordt hierna nader ingegaan.
Grensoverschrijdend gedrag
In de e-mail van 1 april 2025 aan de aandeelhouders wordt vermeld:
Verder hebben meerdere (ex-)medewerkers melding gemaakt van grensoverschrijdend gedrag door [naam 3] , waaronder pesterijen en discriminerende of racistische opmerkingen op de werkvloer.
Voor deze zin ontbreekt naar voorshands oordeel een behoorlijke basis in de feiten. De voorbeelden die - met name in hoger beroep - genoemd worden zijn enerzijds niet ter zake (de ter zitting besproken foto) en anderzijds geuit in de context van een besloten app-groep tussen de deelnemers aan de “C-suite”, met andere woorden de leidinggevenden van [geïntimeerde] onder elkaar.
Voor zover die uitingen, die door [geïntimeerde] worden geduid als botte grapjes tussen jonge ondernemers (ook [appellant 2] gebruikt overigens soortgelijke, niet minder vergaande, bewoordingen in zijn appjes) zijn te beschouwen als pesten, discriminatie of racisme zijn ze in elk geval niet geuit op de werkvloer en ook niet gericht tot medewerkers. Het bestaan van de door [appellanten] genoemde aangiftes bij de politie van (ex-)medewerkers is niet aangetoond, en dat aantonen lag wel op de weg van [appellanten] die zich immers beroepen op een adequate feitelijke basis. [appellanten] konden ter zitting ook niet concreet aangeven op welke specifieke voorvallen of uitingen zij zich beroepen; een verwijzing naar een zeer uitgebreide set producties (142 blz) waarin allerlei geïsoleerde passages uit correspondentie worden aangehaald, meest zonder context behoudens commentaar van [appellanten] zelf, volstaat niet.
[appellanten] menen dat zij in het algemeen belang de vrijheid moeten hebben om misstanden aan de kaak te stellen. Zij miskennen dat voor uitingen met dat doel evenzeer geldt dat een deugdelijke basis in de feiten vereist is. Daar komt in dit geval nog bij dat [appellanten] een aangifte en een melding bij het Huis van de Klokkenluiders hebben gedaan. Hoewel de bevindingen van het Huis niet strekken tot het vaststellen van civielrechtelijke aansprakelijkheid (art. 8 lid 3 Wbk) wordt het rapport van het Huis wel openbaar gemaakt (art. 17 lid 7 Wbk). Daarmee is dus reeds tegemoetgekomen aan de waarschuwings- en alarmeringstaak die [appellanten] stellen te hebben, wat daarvan verder zij. Niet in te zien valt welk rechtens te respecteren belang bestaat bij het daarnaast benaderen van aandeelhouders en (potentiële) investeerders op de gedane wijze.
[geïntimeerde] heeft in het kader van haar reputatiebelang gesteld, en dat komt overeen met hetgeen daarover algemeen bekend is, dat beschuldigingen van dit soort grensoverschrijdend gedrag in haar omgeving zeer zwaar worden opgenomen. Zakelijke contacten raken hierdoor beschadigd, investeerders worden afgeschrikt en de benodigde (financiële) steun van aandeelhouders komt in gevaar; dat is voor een start-up zoals [geïntimeerde] zeer schadelijk. [appellanten] hebben weliswaar betwist dat daadwerkelijk schade is geleden, maar het gewicht en (mogelijk) effect van dit soort aantijgingen niet weersproken.
Uit het voorgaande volgt dat defamerende uitingen zijn gedaan zonder voldoende basis in de feiten en zonder bijzonder belang. Dat het hier niet gaat om berichten in de media en dat [appellanten] hun e-mailbericht als vertrouwelijk hebben aangemerkt neemt niet weg dat het gaat om berichtgeving aan derden, dat wil zeggen aan anderen dan de bestuurders van [geïntimeerde] . De belangenafweging valt in het voordeel van [geïntimeerde] uit.
In deze situatie heeft de voorzieningenrechter terecht een verbod opgelegd op verdere uitingen van deze aard. Het vonnis zal in zoverre bekrachtigd worden.
De andere uitingen
Het primair gevorderde verbod en ook het subsidiair gevorderde verbod op uitingen die zien op het wijzigen en/of negeren van (mondeling overeengekomen) afspraken door de bestuurders van [geïntimeerde] is zo ruim en vaag dat het reeds om die reden niet toegewezen kan worden.
Verder overweegt het hof als volgt.
Vast staat dat partijen een zakelijke relatie hebben gehad. Er is een SaaS-overeenkomst gesloten en over de uitvoering daarvan en de op grond daarvan te verrichten betalingen is onenigheid ontstaan. Vast staat dat de oorspronkelijk afgesproken planning niet in alle opzichten is gehaald, maar de correspondentie laat de mogelijkheid open dat dit ook aan [appellanten] te wijten was, althans met hun instemming gebeurd is. Op zeker moment is [appellant 1] , naar evenzeer vast staat, opgehouden met haar maandelijkse betalingen. Op basis van de overgelegde stukken is ook aannemelijk dat [appellant 2] door [geïntimeerde] wel eens extern is gepresenteerd als betrokken bij haar onderneming, mogelijk als haar Chief Token Officer (CTO), terwijl hij uiteindelijk die rol niet heeft gekregen en evenmin is betaald voor de werkzaamheden die hij, naar zijn stelling, in verband met die (verwachte) functie heeft verricht. Dat onderbouwt de stelling van [appellanten] dat de samenwerking verder ging dan slechts de SaaS-overeenkomst, hoewel die wel sterk samenhing met die overeenkomst en de uitvoering daarvan. De overeenkomst en de samenwerking zijn in elk geval tot een einde gekomen en partijen maken elkaar over en weer verwijten.
Wat er precies is voorgevallen, of [geïntimeerde] (eerst) wanprestatie heeft gepleegd en er daarom grond bestaat voor een aan [appellanten] te betalen schadevergoeding, dan wel of [appellanten] (eerst) wanprestatie hebben gepleegd door hun (betalings)verplichtingen niet na te komen anderzijds is tussen partijen in geschil. Beide partijen zijn echter van mening dat dit een kwestie is voor een bodemprocedure. [appellanten] hebben aangekondigd dat ze die aan het voorbereiden zijn, en in dat kader ook een voorlopig getuigenverhoor zullen verzoeken.
Als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat het partijen in het geval van een zakelijk conflict vrij moet staan om niet alleen in, maar ook buiten rechte hun visie te geven op dat conflict, inclusief de rol en de prestaties van de wederpartij. Dat klanten ontevreden zijn over een SaaS project en die ontevredenheid uiten is op zichzelf niet zeer uitzonderlijk en niet aannemelijk is dat aandeelhouders of investeerders van een (jonge) onderneming daaraan (te vergaande) consequenties zullen verbinden. Het gaat in de kern om klachten in een klant/zakenrelatie, van diffamerende uitingen is nauwelijks sprake.
Verder overweegt het hof meer concreet over de klachten die behandeld worden in de e-mail van 1 april 2025 het volgende.
Voor de punten in het hoofdstukje Aangetoonde tekortkomingen van [geïntimeerde] in de e-mail van 1 april 2025 is in de correspondentie tussen partijen en hun geschillen voldoende feitelijke basis te vinden, ook al staan deze (nog) niet vast en is het woord “aangetoond” dus onjuist. Er wordt immers al vroeg door partijen gecorrespondeerd en door [appellanten] geklaagd over de late oplevering (de video zou er wel mooi uitzien, maar niet over de daadwerkelijk noodzakelijke functionaliteiten beschikken) en [geïntimeerde] reageert niet (tijdig) op verzoeken. [geïntimeerde] ziet dit anders. Over deze punten zou in bedoelde bodemprocedure nadere duidelijkheid kunnen ontstaan.
Datzelfde geldt voor het hoofdstukje Verzwijging van informatie, nevenactiviteiten. Ook op die punten hebben [appellanten] onderbouwd (onder meer met uitgewerkte conceptovereenkomsten) dat er voldoende basis in de feiten aanwezig is voor de bewering dat sommige functionarissen van [geïntimeerde] bezig zijn geweest met het oprichten van separate entiteiten (newco’s). Dat [geïntimeerde] menen dat die feiten anders geduid moeten worden doet daaraan niet af.
Voor zover het gaat om het conflict met [naam 5] - dat inmiddels, naar ter zitting in appel bleek, is uitgelopen op een procedure die is geëindigd in een vonnis ten gunste van [geïntimeerde] - kan uit die enkele uitkomst niet worden opgemaakt dat de beweringen van [appellanten] over die kwestie geen steun vinden in de feiten. Dat vonnis is niet overgelegd, zodat het hof daarover verder niet kan oordelen.
De visies van partijen over de situatie met [naam 4] lopen sterk uiteen, maar ook daar kan uit de door [appellanten] overgelegde stukken wel worden opgemaakt dat in ieder geval sprake is geweest van een sterke koersdaling van de $AX-tokens na verkopen door [geïntimeerde] . Dat op zichzelf weerspreekt [geïntimeerde] ook niet, zij wijst alleen op de terugkoopafspraken en zij acht zichzelf niet verantwoordelijk voor de koersdaling. Of dat juist is valt zonder nader feitenonderzoek niet te beoordelen. Datzelfde geldt voor de in die context te plaatsen bewering dat [geïntimeerde] bewust en herhaaldelijk onrealistische waarden zou presenteren en/of (structureel) informatie zou verzwijgen.
Per saldo gaat het om uitingen die voorshands in elk geval enige basis in de feiten hebben, waarbij geen nodeloos grievende bewoordingen zijn gebruikt en die passen in het zakelijke conflict tussen partijen dat naar verwachting aan de rechter voorgelegd zal worden.
Tegen die achtergrond moet de vrijheid van meningsuiting in beginsel het zwaarst wegen.
Op dat beginsel zou een uitzondering gemaakt moeten worden als er ofwel aanleiding is om aan te nemen dat [appellanten] in de toekomst uitingen met een meer grievend of schadelijk karakter zullen gaan doen, ofwel [appellanten] (ook) deze uitingen uitsluitend hebben gedaan om [geïntimeerde] te bewegen tot het betalen van geldbedragen waarop zij geen recht hebben.
Geen van beide is voldoende aannemelijk geworden.
[appellanten] hebben zich sedert het vonnis kennelijk in het geheel niet negatief geuit over deze onderwerpen, hoewel het vonnis daaraan niet in de weg stond.
Dat [appellanten] deze uitingen, in het kader van de aangekondigde ‘cluster fuck’, tenminste mede hebben gedaan om [geïntimeerde] te bewegen geld te betalen is op zich niet onaannemelijk, maar het is op dit moment niet uit te sluiten dat [appellanten] recht hebben op tenminste enige betaling, al dan niet in het kader van schadevergoeding. Dat die betaling nooit hoger kan zijn dan het volgens de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] maximaal verschuldigde bedrag kan op dit moment niet worden vastgesteld, omdat dat mede afhangt van de vraag of die voorwaarde tussen partijen geldt en of daarop een beroep gedaan kan worden. Dat zal in de bodemprocedure uitgemaakt moeten worden.
Uit het voorgaande volgt, dat de voorzieningenrechter terecht een verbod heeft opgelegd en dat verbod ook terecht heeft beperkt zoals hij heeft gedaan. Het vonnis zal dus ook in zoverre bekrachtigd worden.
Amsterdam Locals Holding-ALH
Grief 5 in principaal appel slaagt. Omtrent de rol van ALH is onvoldoende gesteld of aannemelijk geworden om het oordeel te kunnen dragen dat de uitingen aan haar kunnen worden toegeschreven. Dat in de correspondentie in april 2024 en daarna kennelijk mede een factuur is betrokken die betrekking had op een genoemde maar niet nader overgelegde of toegelichte, vier maanden durende overeenkomst van opdracht van [geïntimeerde] met ALH die tot een onbevredigend einde is gekomen is onvoldoende grond om de kennelijke opvatting van [geïntimeerde] dat de berichten van [appellant 2] (ook) namens ALH zijn gestuurd als juist te kunnen aannemen. Die berichten zelf geven daarvoor geen aanleiding. De stelling van [geïntimeerde] dat zij vrezen dat [appellant 2] in de toekomst onrechtmatige uitingen zal doen in zijn hoedanigheid van bestuurder van ALH is niet onderbouwd en onvoldoende voor een zo zwaar middel als ingrijpen in de vrijheid van meningsuiting van deze rechtspersoon, naast de jegens [appellant 2] in persoon uit te spreken veroordeling.
Dat betekent, dat het te bekrachtigen verbod ziet op uitingen omtrent grensoverschrijdend gedrag en zich richt tegen [appellant 1] en [appellant 2] . Het hof merkt daarbij op dat uitingen van [appellant 2] over deze problematiek bij [geïntimeerde] in het algemeen aan [appellant 1] of aan hem in persoon zullen moeten worden toegerekend.
Slotsom en kosten
Het hoger beroep heeft geen succes, behoudens ten aanzien van ALH. Het bestreden vonnis wordt grotendeels bekrachtigd. [appellanten] zijn in het hoger beroep in principaal appel voornamelijk in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in principaal appel. Omdat ALH vertegenwoordigd wordt door dezelfde advocaat als [appellant 1] en [appellant 2] gaat het hof ervan uit dat van extra kosten van enig belang geen sprake is geweest.
In incidenteel appel is [geïntimeerde] in het ongelijk gesteld en wordt zij dus in de kosten veroordeeld.
Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
In principaal appel:
- griffierecht € 827
- salaris advocaat € 2.580
Totaal € 3.407
In incidenteel appel: € 1.290 aan salaris advocaat.
7 Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis, voorzover dat ziet op ALH en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] jegens ALH af;
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in principaal hoger beroep, tot nu toe aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 3.407,-;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in incidenteel hoger beroep, tot nu aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 1.290,- te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;
en veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt,
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, B.J. Lenselink en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.