Civiel recht overig

Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht

Gerechtshof Amsterdam, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
13 oktober 2026
Zaaknummer
200.349.209/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2919
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.349.209/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 10119050 EL 22-94

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 oktober 2026

inzake

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [plaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.

Partijen worden hierna Dexia en afneemster genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Dexia is bij dagvaarding van 5 december 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 10 oktober 2024, onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen Dexia als eiseres en afneemster als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte uitlaten producties Dexia.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

2 Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

2.1.

Afneemster heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomst gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomst). De effectenleaseovereenkomst is op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekening heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomst zijn als volgt:

Nr.

Contractnummer

Datum

Naam

Looptijd

Eindafrekening

Resultaat

1.

[nummer]

14-06-1999

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

11-06-2002

-/- € 4.349,37

2.2.

De echtgenoot, met wie afneemster ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst was gehuwd, heeft afneemster geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomst.

2.3.

Bij brief van 2 november 2005 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenoot met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld de effectenleaseovereenkomst te vernietigen.

3 Beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. Afneemster heeft tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst haar niet bindt.

3.2.

Deze procedure ziet op de door afneemster met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomst waarvan de echtgenoot de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.

3.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis, voor zover hier van belang, overwogen dat de effectenleaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd en voor recht verklaard dat Dexia niets meer aan afneemster verschuldigd is nadat is overgegaan tot betaling van het bedrag dat Dexia volgens de in het vonnis genoemde berekening nog aan afneemster verschuldigd is. Voorts heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld om aan afneemster de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.

3.4.

Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de echtgenoot niet is verjaard.

3.5.

Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomst moet worden aangemerkt als overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. De echtgenoot heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomst, die afneemster is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan afneemster geen schriftelijke toestemming is gegeven.

3.6.

Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.

3.7.

De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid.

3.8.

Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenoot tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenoot pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenoot daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).

3.9.

Dexia heeft in eerste aanleg gesteld dat de echtgenoot vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van de effectenleaseovereenkomst en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:

  • Dexia gaat ervan uit dat de betalingen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst aan haar zijn verricht vanaf een en/of-rekening;

  • naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten als de onderhavige met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de totale leasesom van relatief grote omvang (€ 47.246,56);

  • op de effectenleaseovereenkomst is een bedrag van € 7.511,13 via incasso’s betaald. Een dergelijke uitgave kan niet zijn gedaan zonder dat dit is besproken;

  • de echtgenoot zal ook inkomen hebben gehad en beide salarissen zullen zijn gestort op de en/of-rekening. Het salaris van de echtgenoot zal ook zijn aangewend voor de betaling van de maandtermijnen en dit moet reden zijn geweest voor afneemster om de echtgenoot over de effectenleaseovereenkomst te vertellen;

  • Dexia gaat er vanuit dat afneemster en de echtgenoot gezamenlijk hun belastingaangifte indienden en dat de echtgenoot deze heeft gelezen voordat hij deze ondertekende. Zodoende heeft hij kunnen zien dat afneemster de verschuldigde rente heeft afgetrokken.

Aan de door afneemster in eerste aanleg overgelegde schriftelijke verklaring kan volgens Dexia geen betekenis worden gehecht, onder meer omdat Dexia geen invloed had op de inhoud en beantwoording van de vragen en de totstandkoming van de verklaringen.

Afneemster heeft het bovenstaande betwist. Naar het oordeel van het hof heeft Dexia hiermee voldoende gemotiveerd gesteld dat de echtgenoot vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst. Dat de betalingen aan Dexia voor de effectenleaseovereenkomst van een en/of-rekening op naam van de afneemster en de echtgenoot zijn gedaan, is niet komen vast te staan zodat daaraan geen bewijsvermoeden kan worden ontleend. Het hof zal Dexia overeenkomstig haar aanbod toelaten bewijs te leveren van de feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de echtgenoot vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst, zoals hierna onder 4.1 is vermeld.

3.10.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

4.1.

laat Dexia toe tot het leveren van bewijs van haar stelling dat de echtgenoot vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst bekend is geworden;

4.2.

bepaalt dat als Dexia dit bewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. J.W.M. Tromp die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 6 november 2026 om 9.30 uur;

4.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, R.M. de Winter en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.