Personen- en familierecht
niet-ontvankelijk omdat gronden onvoldoende blijken uit beroepschrift
Gerechtshof Amsterdam, 12 januari 2010
ECLI:NL:GHAMS:2010:BL0401 · Gerechtshof Amsterdam · 12 januari 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2010-bl0401
Zaakgegevens
Op 12 januari 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 januari 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200.041.789/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.L van der Meulen te Amsterdam, mr. M.E. Terhorst te Bergen (NH)
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2010:BL0401
Samenvatting
niet-ontvankelijk omdat gronden onvoldoende blijken uit beroepschrift
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 12 januari 2010 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.041.789/01 van:
[…],
wonende te […],
APPELLANT,
advocaat: mr. M.L. van der Meulen te Amsterdam,
t e g e n
[…],
wonende te […],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. M.E. Terhorst te Bergen (NH).
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.
1.2. De man is op 1 september 2009 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 3 juni 2009 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 400704/FA RK 08-4599.
1.3. De vrouw heeft op 13 oktober 2009 een verweerschrift ingediend.
1.4. De man heeft op 20 november 2009 nadere stukken ingediend.
1.5. De zaak is op 30 november 2009 ter terechtzitting behandeld.
1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.1. In het op 1 september 2009 ingediende beroepschrift heeft de man als reden voor zijn hoger beroep slechts vermeld: “(..) De man kan zich niet vinden in de uitspraak van de rechter. Reden dat de man hierbij tijdig in hoger beroep komt. (..) De voornaamste reden van het hoger beroep betreft het feit dat de rechtbank de man heeft veroordeeld tot het terugbetalen van een tweetal leningen tussen de echtgenoten en voorts de vordering tot het evenredig bijdragen aan de gemeenschappelijke huishouding heeft afgewezen. (..) Dit oordeel doet geen recht aan de feitelijke situatie. (..) Momenteel zijn echter niet alle stukken voor bewijsvoering aanwezig dan wel nog niet beschikbaar. Reden waarom de man dit beroep op nader aan te voeren gronden verder zal onderbouwen”.
2.2. De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de gronden voor het hoger beroep in het beroepschrift ontbreken. Dat verweer slaagt.
Het beroepschrift dient ingevolge artikel 359 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gronden te bevatten waarop het beroep berust, wat meebrengt dat uit het beroepschrift moet blijken op welke gronden appellant meent dat de door hem bestreden beschikking onjuist is. Hetgeen de man in zijn beroepschrift – als hiervoor aangegeven – heeft vermeld, voldoet daaraan niet. De man heeft pas op 20 november 2009 (twee maanden en 17 dagen na ommekomst van de appeltermijn, en slechts tien dagen voor de mondelinge behandeling) grieven aangevoerd. Dat is te laat nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op de in beginsel strakke regel dat de gronden van het beroep dadelijk in het appelschrift moeten worden opgenomen.
2.3. Dit leidt tot de volgende beslissing.
3. Beslissing
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.L. Diender, A.N. van de Beek en F.A.A. Duynstee in tegenwoordigheid van
mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2010.